← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080929.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 29 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080929.9 Rolnummer: 50.460 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-02-17 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 18:00 Fiche Indien voor de toepassing van artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten niet vereist is dat het gedrag van de werkman, foutief is, dan volstaat het echter niet, opdat het ontslag niet willekeurig zou zijn, dat de werkgever een aantal redenen inroept die in verband kunnen gebracht worden met het gedrag of de geschiktheid van de werkman. De werkgever dient de door hem ingeroepen feiten te bewijzen en moet bovendien aantonen dat de door hem ingeroepen redenen ten grondslag liggen aan het ontslag of daar redelijkerwijze aan ten grondslag kunnen liggen, d.w.z. dat zij de reden van het ontslag uitmaken. De afwezigheid van een werknemer wegens ziekte of arbeidsongeval maakt als dusdanig geen economische noodwendigheid uit die het ontslag niet onwillekeurig maakt. Een dergelijke interpretatie zou strijdig zijn met het principieel ontslagverbod tijdens de eerste 6 maanden van de ziekte. Vereist is dat de werkgever aantoont dat de ziekte, bvb. door haar herhaald karkarakter, de goede werking van de onderneming in gevaar brengt. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Willekeurig ontslag Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - WERKLIEDEN - Willekeurig ontslag. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 63 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 29 SEPTEMBER

  1. 5DE KAMER Arbeidscontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak : N.V. GROND- EN AFBRAAKWERKEN G & A DEMEU-TER, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Werkhuizenkaai
  2. Appellante, vertegenwoordigd door Mr. S. DE CLEEN loco Mr W. VAN ROEYEN, advocaat te Sint-Denijs-Westrem. Tegen: M.A. , wonende te [xxx]. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mevr. H. VAN DEN BERGE, syndicaal afgevaardigde en volmachtdraagster te Brussel.    Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 9 oktober 2007; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 4 december 2007; - de besluiten en synthesebesluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 8 september 2008 waarna de debatten gesloten werden.   
  3. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING
  4. De NV VAN BOVEN, die inmiddels werd opgeslorpt door appellante, heeft op 1 oktober 2001 geïntimeerde in dienst genomen als arbeider. Op 25 oktober 2001 werd geïntimeerde het slachtoffer van een arbeidsongeval. Op 31 januari 2002, op een ogenblik dat geïntimeerde het werk nog niet hervat had, heeft de NV Van Boven een einde gesteld aan de arbeidsovereenkomst met be-taling van een verbrekingsvergoeding gelijk aan het loon van één week. Als reden van het ontslag werd op het C 4 formulier vermeld " tijdelijk overtollig personeel".
  5. Geïntimeerde heeft op 30 januari 2003 appellante ge-dagvaard voor de Arbeidsrechtbank te Brussel en vor-derde een vergoeding wegens willekeurig ontslag overeenkomstig artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten. Bij vonnis van 9 oktober 2007 heeft de Arbeidsrecht-bank te Brussel de vordering gegrond verklaard en heeft zij appellante veroordeeld tot betaling van een vergoeding van euro 10.742,16 wegens willekeurig ontslag, te vermeerderen met de wettelijke en ge-rechtelijke intresten op het brutobedrag.
  6. Appellante heeft op 4 december 2007 hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Zij is van mening dat de Arbeidsrechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat het ontslag willekeurig was. In ondergeschikte orde is appellante van oordeel dat intresten slechts hadden toegekend kunnen worden op het overeenstemmend nettobedrag. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Zij betwist, voor wat betreft de kosten, de wettelijkheid van het Koninklijk Besluit van 26 ok-tober 2007 tot vaststelling van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding.    II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte van het vonnis voorgelegd zodat het beroep tijdig werd ingesteld.    III. BEOORDELING.
  7. De vergoeding wegens willekeurig ontslag.
  8. Appellante is van oordeel dat de eerste rechter een onjuiste toepassing gemaakt heeft van artikel 63 van de wet van 3 juli
  9. Zij stelt dat het ontslag gegrond was zowel op basis van het gedrag van de werknemer als vanuit de noodwendigheden van de on-derneming. Voor wat betreft het gedrag van de werk-nemer verwijst zij naar 3 onwettige afwezigheden die zich zouden voorgedaan hebben in de loop van de maand oktober 2001 en naar de onvoorzichtigheid (niet naleven van de veiligheidsmaatregelen) die ge-intimeerde zou begaan hebben op 25 oktober 2001 en die aan de oorsprong lagen van het arbeidsongeval dat hem overkomen was. Voor wat betreft de noodwen-digheden van de onderneming voert appellante aan dat de ziekte van geïntimeerde de goede organisatie van het werk verstoorde en dat het ontslag zijn oor-sprong vond in het feit dat er einde januari 2002, op het ogenblik van het ontslag, tijdelijk overtol-lig personeel was ingevolge een vermindering van het werk. Zij stelt dat opdat het ontslag niet willekeurig zou zijn in de zin van artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 het volstaat dat dit ontslag zijn oorsprong vindt in de gedragingen of de bekwaamheid van de werknemer of de noodwendigheden van de onderneming zonder dat een foutieve gedraging in hoofde van de werknemer moet aangetoond worden. Zij stelt verder dat de beoordelingsvrijheid van de rechter zich niet uitstrekt tot de opportuniteit van het ontslag maar beperkt is tot het onderzoek van de realiteit van de ingeroepen gedragingen of geschiktheid van de werk-nemers of van de noodwendigheden van de onderneming.
  10. Overeenkomstig artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten wordt onder willekeurige ontslag verstaan, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het ge-drag van de werkman of die niet berusten op de nood-wendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst. Bij betwisting behoort het aan de werkgever het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen redenen. De werkgever, die een voor onbepaalde tijd aangeworven werkman op wil-lekeurige wijze afdankt, dient een vergoeding te be-talen die overeenstemt met het loon van zes maanden. Indien voor de toepassing van artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 niet vereist is dat het gedrag van de werkman, foutief is, dan volstaat het echter niet, opdat het ontslag niet willekeurig zou zijn, dat de werkgever een aantal redenen inroept die in verband kunnen gebracht worden met het gedrag of de geschiktheid van de werkman. De werkgever dient, in-dien de werknemer inroept dat zijn ontslag willekeu-rig is, de door hem ingeroepen feiten te bewijzen en moet bovendien aantonen dat de door hem ingeroepen redenen ten grondslag liggen aan het ontslag of daar redelijkerwijze aan ten grondslag kunnen liggen, d.w.z. dat zij de reden van het ontslag uitmaken (W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium, Arbeidsrecht 2002-2003, 1749 ; Arbh. Luik, 16.01.1991, Soc. Kron. 1991, 228, Arbh. Brussel, 8.01.2007, A.R. nr. 4859).
  11. Appellante voert in haar beroepsbesluiten in eerste instantie aan dat het ontslag onder meer werd inge-geven door de omstandigheid dat geïntimeerde op het ogenblik van het arbeidsongeval nalatig was geweest door de verplicht opgelegde veiligheidsgordel niet te dragen. Er wordt niet betwist dat geïntimeerde op het ogen-blik dat hij het slachtoffer werd van een arbeidson-geval op 25 oktober 2001 inderdaad geen veiligheids-gordel droeg die hem moest beschermen tegen een val. Daartegenover staat dat evenmin betwist wordt dat geïntimeerde gedurende de volledige werkdag wel zijn veiligheidsgordel had gedragen en deze enkel afge-daan had om uitvoering te geven aan de vraag om, op het einde van de werkdag, een brander van het dak te halen. Geïntimeerde, die met een veiligheidsgordel verbonden was aan een hoogwerker, diende om het dak te betreden, deze veiligheidsgordel los te maken. Op basis van de verschillende verklaringen, die door de eerste rechter geciteerd werden, kan daarbij geen nalatigheid van geïntimeerde weerhouden worden. Het blijkt met name niet dat geïntimeerde de mogelijk-heid had om, vooraleer de bewuste brander te recupe-reren, zich op een andere wijze tegen een val te be-veiligen. Overigens is onvoldoende bewezen dat, zelfs indien geïntimeerde onvoorzichtig geweest is op 25 oktober 2001, het ontslag enig verband houdt met deze on-voorzichtigheid. In de ontslagbrief of in het formu-lier C 4 wordt geen enkele melding gemaakt van deze tekortkoming. Op het ogenblik van het ongeval is ook geen enkele verwijt gericht aan geïntimeerde. Ten-slotte ziet men niet in waarom de werkgever, wanneer het ingeroepen feit voor hem een aanleiding was om de werknemer te ontslaan, zij daarvoor zou gewacht hebben tot 31 januari
  12. Appellant roept verder in dat het ontslag mee ge-rechtvaardigd wordt door het feit dat geïntimeerde in de loop van de maand oktober 2001 drie dagen on-gewettigd afwezig was. Zoals de eerste rechter terecht oordeelt is deze on-gewettigde afwezigheid geenszins bewezen en wordt ze tegengesproken door de eigen documenten van de werk-gever, en met name door de loonfiche van de maand oktober 2001 die deze dagen als dagen van gewettigde afwezigheid vermeldt.
  13. Met betrekking tot de noodwendigheden van de onder-neming roept appellante in dat de afwezigheid wegens ziekte van geïntimeerde als dusdanig de werking van de onderneming bemoeilijkte en aldus een voldoende grondslag uitmaakte voor het ontslag, zonder dat het aan de rechtbank zou toekomen een oordeel uit te spreken over de opportuniteit van het ontslag. Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat de afwezigheid van geïntimeerde wegens ziekte of ar-beidsongeval als dusdanig geen economische noodwen-digheden uitmaken die het ontslag kunnen verklaren. Geïntimeerde was sinds de datum van het ongeval ar-beidsongeschikt, zonder ooit het werk hervat te heb-ben. Een andere werknemer was begin november 2001 aangeworven geworden. Er kan niet ingezien worden - en appellant brengt terzake ook geen concrete ele-menten aan - welk organisatorisch probleem van aard zou geweest zijn om op 31 januari 2002 te besluiten dat het ontslag van geïntimeerde noodzakelijk was wegens zijn ziektetoestand. Er is aldus niet aange-toond dat het ontslag op 31 januari 2001 verband hield met de noodwendigheden van de onderneming. Bovendien, en zoals de eerste rechter ook terecht opmerkt, is het niet met de bepalingen van de wet van de 3 juli 1978 verenigbaar dat een ziektetoe-stand op zich een reden zou kunnen zijn om de ar-beidsovereenkomst te verbreken. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 58, 78 en 80 van de wet kan de werknemer, ingeval van arbeidsongeschiktheid, slechts na een termijn van zes maanden ontslagen worden. De omstandigheid dat geen concrete sanctie verbonden is aan deze verplichting, neemt niet weg dat de wetgever van oordeel was dat een arbeidsonge-schiktheid op zich geen voldoende reden is om de ar-beidsovereenkomst te beëindigen, tenzij na een be-paalde periode. Het zou met de geest van de wet van 3 juli 1978 niet verenigbaar zijn te aanvaarden dat de werkgever, tijdens de eerste zes maanden van de arbeidsongeschiktheid, het ontslag zouden rechtvaar-digen door enkel te verwijzen naar de ziektetoestand van de werknemer.
  14. Appellante roept ten slotte in, en dit is ook het motief dat op het C 4 formulier vermeld werd, dat het ontslag gerechtvaardigd was doordat er tijdelijk overtollig personeel was, ingevolge een tijdelijke daling van het aantal opdrachten. Een dergelijk motief, indien het voldoende bewezen is, maakt een voldoende grondslag uit voor het ont-slag, dat dan niet als willekeurig kan beschouwd worden. Met de eerste rechter is het Hof echter van mening dat appellante onvoldoende bewijst dat er tijdelijk een probleem was van overtollig personeel. De tijdelijke daling van het aantal opdrachten, dat aan de basis zou liggen van het overtollig perso-neel, wordt op geen enkele manier aangetoond, ter-wijl appellante, op basis van haar boekhouding of op basis van andere stukken dit toch zou moeten kunnen doen. Het loutere feit dat in dezelfde periode 3 andere werknemers ontslagen werden is op zich geen voldoen-de bewijs van het overtollig karakter van het perso-neel. Terecht verwijst geïntimeerde naar het jaar-verslag van de onderneming Van Boven, gevoegd aan de jaarrekeningen en opgesteld in de loop van de maand april 2002 waarin vermeld wordt dat de toekomstper-spectieven inzake orders voor het jaar 2002 in de-zelfde lijn liggen als deze van het boekjaar
  15. Indien er begin 2002 sprake zou geweest zijn van een daling van het aantal orders zou daarvan ongetwij-feld gewag van gemaakt zijn in het verslag. Overi-gens blijkt uit de jaarrekeningen dat er bij de fir-ma Van Boven een groot verloop was van personeel. Terwijl het personeelsbestand in het jaar 2001 slechts 19 bedroeg waren er in datzelfde jaar 13 werknemers die in dienst genomen werden en 13 aan wiens arbeidsovereenkomst een einde kwam. Terecht ook stelt geïntimeerde dat wanneer er werke-lijk een probleem was van overtollig personeel dit niet opgelost werd door het ontslag van geïntimeerde vermits deze arbeidsongeschikt was en appellante derhalve de loonlast niet kon verminderen door geïn-timeerde te ontslaan. Terecht ook stelt geïntimeerde verder dat indien er effectief een probleem geweest was van overtollig personeel was het voor de hand zou gelegen hebben beroep te doen op het systeem van tijdelijke werkloosheid. Al deze elementen zijn elementen die van aard zijn het besluit te rechtvaardigen dat de werkgever faalt in de hem opgelegde bewijslast. Het Hof benadrukt daarbij dat het zich geenszins in de plaats wenst te stellen van de werkgever voor wat betreft de beoor-deling van de opportuniteit van het ontslag, doch enkel onderzoekt of de door de werkgever ingeroepen redenen voor het ontslag bewezen zijn en de reden van het ontslag uitmaken.
  16. Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook be-vestigd te worden.   
  17. De intresten.
  18. De eerste rechter veroordeelde appellante tot de wettelijke en de gerechtelijke intresten op de toe-gekende vergoeding, te rekenen op het nettobedrag tot 30 juni 2005 en te rekenen op het brutobedrag vanaf 1 juli
  19. Hij maakte daarbij toepassing van artikel 82 van de programmawet van 26 juni 2002, tot wijziging van artikel 10 van de wet van 12 april op de bescherming van het loon en het Koninklijk Be-sluit van 3 juli 2005 tot de uitvoering van deze wet. Hij oordeelde echter dat artikel 2 van dit Ko-ninklijk Besluit onwettelijk was in de mate dat het de toepassing van de wet in de tijd beperkte tot de lonen waarop het recht op vergoeding ontstond na 1 juli
  20. Appellante voert aan dat geen toepassing kan gemaakt worden van het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 omdat dit Koninklijk Besluit niet aan het vooraf-gaand advies van de Raad van State onderworpen werd en aldus onwettig is.
  21. Overeenkomstig artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 tot wijziging van artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers wordt de rente op het loon berekend vooraleer de in artikel 23 van de wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Overeenkomstig artikel 90 van de wet van 26 juni 2002 heeft de nieuwe wet uitwerking op de door de Koning te bepalen datum. Overeenkomstig artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 treden de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juli 2002 in werking op 1 juli
  22. Vol-gens artikel 2 van hetzelfde Koninklijk Besluit heeft artikel 1 betrekking op het loon waarop het recht op betaling ontstaat na 1 juli
  23. Deze bepaling heeft aanleiding gegeven tot heel wat betwistingen in de rechtspraak met betrekking tot de vraag of de Koning de inwerkingtreding van de wet mocht beperken tot de lonen waarop het recht op betaling ontstond na 1 juli 2005 en met betrekking tot de vraag of dit Koninklijk Besluit wettelijk was nu het niet aan het voorafgaand advies van de Raad van State was onderworpen. Aan deze betwistingen wordt een einde gesteld door artikel 69 van de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen, dat bepaalt : "Het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen wordt bekrachtigd." Art. 70 van dezelfde wet bepaalt dat artikel 69 uit-werking heeft met ingang van 1 juli
  24. Vermits de vorderingen van geïntimeerde betrekking hebben op een periode die voorafgaat aan 1 juli 2005, kunnen slechts intresten toegekend worden op de overeenstemmende nettobedragen. Vóór de wijziging van artikel 10 van de wet van 12 april 1965 dient er immers van uitgegaan te worden dat de werknemer slechts intresten kan vorderen op de sommen waarvoor hij over een effectieve vordering ten laste van de werkgever (Cass.7.04.2003,htpp:/juridat.just.fgov.be).
  25. De kosten. Appellante dient veroordeeld te worden tot kosten van het hoger beroep. Geïntimeerde betwist de wettelijkheid van het Ko-ninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststel-ling van de rechtsplegingsvergoeding. Hij stelt dat de vastgestelde bedragen van de rechtsplegingsver-goeding het recht op toegang tot de rechtbank mis-kennen en verder dat het Koninklijk Besluit niet kon uitgevaardigd worden omdat het niet als een lopende zaak beschouwd kon worden. Hij vraagt dat toepas-sing gemaakt wordt van de vroegere regeling. Vermits geïntimeerde niet veroordeeld wordt tot de kosten van het hoger beroep dient de door hem opge-worpen rechtsvraag niet beantwoord te worden. Ook in het vroegere stelsel kon geïntimeerde geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding.    OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewij-zigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en zeer ge-deeltelijk gegrond; Zegt dat op de door de eerste rechter toegekende vergoeding wegens willekeurig ontslag intresten al-leen verschuldigd zijn op de overeenstemmende netto-bedragen; Bevestigt het vonnis voor het overige; Veroordeelt appellante tot de kosten begroot op euro 0,00 in hoofde van geïntimeerde; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare te-rechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 29 september 2008 en ondertekend door : De Heren : F. KENIS : Raadsheer, E. MAGNUS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, D. VANHAGENDOREN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Griffier, E. MAGNUS D. VANHAGENDOREN D. DE RAEDT F. KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080929.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.