id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081007.8 Rolnummer: 50.175 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-10-13 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 18:03 Fiche De werkgever die de arbeidsovereenkomst eenzijdig beëindigd heeft, zonder in te roepen dat er overmacht voorhanden was, kan in een latere fase niet meer inroepen dat de overeenkomst reeds voordien door overmacht beëindigd was. Het inroepen van overmacht door de wekgever veronderstelt immers dat deze, na vastgesteld te hebben dat de werknemer, ingevolge de situatie van overmacht waarin hij zich bevindt, niet meer in staat is zijn verplichtingen na te doen, beslist eveneens zijn verplichtingen niet meer na te komen en de arbeidsovereenkomst als beëindigd te beschouwen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Andere Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Beëindiging door overmacht.- Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing rep.Nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN ACHT. 3e KAMER bediendecontract op tegenspraak definitief en verzending naar de rechtbank van koophandel te Brussel in de zaak : 1.meester Alain d'Ieteren, advocaat te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 187, 2.meester Jean Bayart, advocaat te 1200 Brussel, de Broquevillelaan 116/10, 3.meester Christian Van Buggenhout, advocaat te 1050 Brussel, Louisalaan 106, 4.meester Ilse Van de Mierop, advocaat te 1050 Brussel, Louisalaan 106, appellanten, allen handelend in hun hoedanigheid van curatoren van de nv Sabena, in faillissement, vertegenwoordigd door meester J. Bayart, advocaat te Brussel, tegen : W. , wonende te [xxx], geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester V. Simeons, advocaat te Brussel. Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis van 20 april 2007 van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel, waarvan geen betekening voorligt. - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 22 augustus 2007; - de besluiten voor beide partijen; - de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting van 2 september 2008, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op de zitting van 7 oktober
- I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- Geïntimeerde is op 1 december 1966 in dienst getreden van de nv Sabena, thans in faling. Sinds 12 april 1995 was hij arbeidsongeschikt. Na het faillissement van de nv Sabena hebben de curatoren op 21 december 2001 aan geïntimeerde een formulier C 4 gezonden, waarin vermeld werd dat de arbeidsovereenkomst verbroken werd ingevolge het faillissement op 9 november
- Geïntimeerde heeft een aangifte van schuldvordering ingediend waarin hij een verbrekingsvergoeding vorderde, overeenstemmende met het loon van 35 maanden. Op 6 november 2003 deelden de curatoren aan geïntimeerde mee dat hij geen aanspraak kon maken op een verbrekingsvergoeding, omdat aan zijn arbeidsovereenkomst reeds voor het faillissement een einde gekomen was ingevolge medische overmacht.
- Alvorens te beslissen tot opname van de schuldvordering van geïntimeerde in het faillissement van de nv Sabena, heeft de rechtbank van koophandel te Brussel op 22 juni 2004 de zaak verzonden naar de arbeidsrechtbank te Brussel.
- Bij vonnis van 20 april 2007 oordeelde de arbeidsrechtbank te Brussel dat geïntimeerde aanspraak kon maken op een verbrekingsvergoeding van 111.345,09 euro, overeenstemmend met het loon van 35 maanden, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten. De rechtbank wees daarbij de stelling af van de curatoren dat aan de arbeidsovereenkomst een einde gekomen was door overmacht.
- Appellanten hebben op 22 augustus 2007 hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel. Zij vragen de hervorming van het vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte voorgelegd van het bestreden vonnis zodat het beroep geacht wordt tijdig te zijn ingesteld. III. BEOORDELING.
- Appellanten voeren aan dat uit het langdurige karakter van de afwezigheid van geïntimeerde voldoende blijkt dat deze ingevolge zijn medische toestand niet het werk kon hervatten. Zij stellen dat de omstandigheid dat destijds de nv Sabena nooit deze overmacht heeft ingeroepen, hen niet belet op dit ogenblik nog deze overmacht in te roepen. Appellanten voeren verder aan dat geïntimeerde reeds vroeger zelf stilzwijgend de arbeidsovereenkomst verbroken had door vanaf 1 januari 2001 geen medische attesten ter rechtvaardiging van zijn afwezigheid in te dienen. In ondergeschikte orde, en voor de eerste maal in beroepsconclusies stellen appellanten tenslotte dat de gevorderde som niet gerechtvaardigd is en dat geen intresten verschuldigd zijn.
- Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat appellanten, nadat zij op 21 december 2001 een einde gesteld hadden aan de arbeidsovereenkomst van geïntimeerde ingevolge het tussengekomen faillissement, niet meer konden inroepen dat de arbeidsovereenkomst op een vroeger ogenblik door overmacht beëindigd was. Overeenkomstig artikel 32 van de Wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, nemen de verbintenissen die voortspruiten uit de door de wet geregelde overeenkomsten een einde "....
(3)door de wil van één van de partijen wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten of ingeval een dringende reden tot beëindiging voorhanden is ..
(5)door overmacht." Het inroepen van overmacht door de werkgever veronderstelt dat deze, na vastgesteld te hebben dat de werknemer, ingevolge de situatie van overmacht waarin hij zich bevindt, niet meer in staat is zijn verplichtingen na te komen, beslist eveneens zijn verplichtingen niet meer na te komen en de arbeidsovereenkomst als beëindigd te beschouwen. (cfr. W. Rauws, Civielrechtelijke beëindigingwijzen van de arbeidsovereenkomst: nietigheid, ontbinding en overmacht, p.703). Het wordt niet betwist dat de nv Sabena nooit voor het faillissement de verbreking van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht heeft vastgesteld. Integendeel, eiser is steeds op de loonlijst ingeschreven gebleven. Appellanten hebben, na het faillissement van de nv Sabena, beslist de arbeidsovereenkomst op eenzijdige wijze te beëindigen zoals voorzien door artikel 32, 3 van de Wet van 3 juli
- Ingevolge dit ontslag was de arbeidsovereenkomst definitief en onherroepelijk beëindigd, hetgeen uitsluit dat in een latere fase appellanten de verbreking van de overeenkomst wegens overmacht zouden vaststellen (cfr. Rauws, op.cit. p.810). Indien op basis van het cassatiearrest van 23.03.1998 (J.T.T 1998, 377) met appellanten kan aanvaard worden dat de toestand van overmacht kan ingeroepen worden na de stopzetting van de activiteiten door de onderneming, betekent dit nochtans niet dat de overeenkomst van rechtswege een einde kan genomen hebben op een vroegere datum. Ten overvloede moet met de eerste rechter vastgesteld worden dat appellanten geen concrete elementen aanbrengen waaruit blijkt dat de arbeidsongeschiktheid definitief was. De aard van de ziekte, een depressieve toestand, bewijst op zichzelf geenszins dat geïntimeerde definitief arbeidsongeschikt was.
- De eerste rechter heeft eveneens terecht geoordeeld dat appellanten niet aantonen dat geïntimeerde zelf stilzwijgend een einde zou gesteld hebben aan zijn arbeidsovereenkomst door vanaf 1 januari 2001 geen medisch attesten meer in te leveren. In de eerste plaats kan uit het enkele feit dat zich in het personeelsdossier van geïntimeerde geen attesten meer bevinden na de datum van 1 januari 2001, niet afgeleid worden dat ook geen attesten werden ingediend. Geïntimeerde stelt dat hij steeds attesten is blijven indienen en zijn behandelende geneesheer bevestigt in een schrijven van 6 september 2005 dat hij aan zijn patiënt voor de betwiste periode attesten van arbeidsongeschiktheid heeft bezorgd. Het wekt ook verwondering dat de personeelsdienst geïntimeerde niet zou aangeschreven hebben wanneer bepaalde attesten ontbraken. Verder houdt het feit dat geïntimeerde zou te kort gekomen zijn aan zijn (contractuele) verplichting zijn afwezigheid te verrechtvaardigen geenszins in dat door deze contractuele tekortkoming de overeenkomst zou beëindigd zijn. Opdat er sprake zou kunnen zijn van een contractbreuk, is vereist dat de tekortkoming tegelijkertijd de wil tot uiting brengt van de werknemer om één van de essentiële verplichtingen van de arbeidsovereenkomst niet langer meer uit te voeren (Cass. 01.02.1993, Soc.Kron. 1993,304). Geen enkel concreet element ligt voor waaruit een dergelijke wil zou kunnen afgeleid worden. Het niet indienen van een medisch attest voor een bepaalde periode kan een vergetelheid zijn of verband houden met de ziekte van de werknemer.
- Het bedrag van de gevorderde verbrekingsvergoeding wordt door appellanten niet concreet betwist. Gelet op de anciënniteit van 35 jaar, een leeftijd van 55 jaar op het ogenblik van het ontslag 55 jaar en de functie van senior supervisor, heeft geïntimeerde terecht de normale opzeggingstermijn op 35 maanden begroot. Appellanten kunnen wel gevolgd worden met betrekking tot de gevorderde en door de eerste rechter toegekende intresten. Overeenkomstig artikel 23 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 houdt de rente van schuldvorderingen, die niet gewaarborgd zijn door een bijzonder voorrecht, pand of hypotheek, op te lopen vanaf het vonnis van faillietverklaring. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Rechtsprekende op tegenspraak, Gelet op de Wet van 15 juni 1935, inzonderheid op het artikel
- Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en zeer beperkt gegrond. Bevestigt het vonnis van de eerste rechter behoudens voor wat betreft de toegekende interesten. Veroordeelt appellanten in hun hoedanigheid van curatoren tot de kosten van het hoger beroep, begroot op 5.000,00 euro . Verzendt de zaak terug naar de rechtbank van koophandel te Brussel. Aldus gewezen door de derde kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door : F. Kenis, raadsheer, P. Kessels, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, M. Wampers, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, S. Van der hoeven , adjunct-griffier. F. Kenis, S. Van der hoeven, P. Kessels, M. Wampers Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op zeven oktober tweeduizend en acht door F. Kenis, raadsheer, bijgestaan door S. Van der hoeven, adjunct-griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081007.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div