id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081010.1 Rolnummer: 49.911 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-20 Raadplegingen: 288 - laatst gezien 2026-07-03 04:49 Fiche Artikel 2 van de wet van 19 maart 1991 voorziet niet in een nietigheidsanctie, maar wel in de betaling van de vergoedingen, zoals bepaald in de artikelen 16 en 17 van deze wet. De beschermingsvergoeding in de zin van artikel 16 van de wet van 19 maart 1991 is cumuleerbaar met het loon dat betaald wordt tijdens het presteren van de opzeggingstermijn (Cass., 17/01/1964, TSR 1964, p. 191). Hieruit volgt dat het loon van de opzeggingstermijn ook niet in mindering moet worden gebracht op de beschermingsvergoeding. Beide vergoedingen hebben een verschillende juiridische oorzaak; het loon wordt betaald als tegenprestatie voor de verrichte arbeid, terwijl de beschermingsvergoeding verschuldigd is omwille van het feit dat het ontslag plaatsvond tijdens de beschermde periode. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN - ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19 MAART
- Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 2 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Wet - 19-03-1991 - 16 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 10 OKTOBER
- 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Gedeeltelijk definitief + Bijzondere rol In de zaak: DE N.V. ZEP BELGIUM, met vennootschapszetel gevestigd te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, Petrus Basteleusstraat, 2, ingeschreven bij de kruispuntbank der ondernemingen onder het ondernemingsnummer 0448.374.976, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter A. Vermoortele loco Mter Th. Stiévenard, advocaat te 1070 Brussel; Tegen : De heer Y. V.G., Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter J. Vanneste, advocaat te 1000 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op 12 maart 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 1 juni 2007; - de besluiten, aanvullende en synthesebesluiten en tweede aanvullende en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 1 oktober 2007, 30 januari 2008 en 30 april 2008; - de besluiten en synthesebesluiten voor appellante, neergelegd ter griffie op 30 november 2007 en 31 maart 2008; - de bundel met stukken neergelegd ter griffie van dit Hof door appellante op 29 augustus 2008; - de bundel met stukken neergelegd ter griffie van dit Hof door geïntimeerde op 1 september 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 12 september 2008, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x I. RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING. Op 1 maart 1984 wordt tussen de heer V.G. en het Belgisch filiaal van de B.V. KEM Europa een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers afgesloten, die op 1 januari 1998 wordt aangevuld met een addendum in verband met de verloning en de bijkomende voordelen. Met ingang van 1 januari 1999 wordt deze arbeidsovereenkomst overgenomen door de N.V. ZEP Belgium; de heer V.G. ondertekent een overnameovereenkomst, samen met een nieuw bijvoegsel aan zijn oorspronkelijke arbeidsovereenkomst, waarin het geheel van zijn arbeidsvoorwaarden wordt verduidelijkt. Op 14 oktober 2002 stelt de raadsman van de heer V.G. de N.V. Zep Belgium in gebreke i.v.m. de toegepaste verloning, voornamelijk wat betreft het gehanteerde commissieloon. Partijen komen hierover niet tot overeenstemming en dit geschil wordt voorgelegd aan de arbeidsrechtbank te Brussel, die op 29 oktober 2004 een vonnis uitspreekt, waartegen de heer V.G. beroep aantekent op 9 juni 2005; deze beroepsprocedure is nog steeds hangende voor dit arbeidshof. De N.V. Zep Belgium is van mening dat de verdere professionele samenwerking in een positieve en rustige sfeer niet meer mogelijk is, zodat de heer V.G. ontslagen wordt met een aangetekende opzeggingsbrief van 24 juni 2005, waarbij de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt met een opzegging van 23 maanden, aanvangend op 1 juli
- De raadsman van de heer V.G. reageert hierop met een officieel schrijven van 20 juli 2005, waarin gewezen wordt op de kandidatuur in 2004 van de heer V.G. als kandidaat personeelsafgevaardigde voor het comité preventie en bescherming op het werk, zodat dit ontslag niet regelmatig is in de zin van de wet van 19 maart 1991, en zodat een beschermingsvergoeding van 4 jaar loon of euro 195.928,20 wordt gevraagd; tevens wordt een vergoeding wegens rechtsmisbruik van euro 5.000 gevorderd, omdat de opzegging een reactie is op het instellen van hoger beroep in de bovenbeschreven procedure. In een antwoordschrijven van de raadsman van de N.V. van 2 augustus 2005 wordt gesteld dat de N.V. Zep Belgium zich niet bewust was van deze bescherming van de heer V.G., zodat het ontslag vanuit een verkeerde veronderstelling werd gegeven; er wordt op gewezen dat de heer V.G. zijn opzeggingstermijn presteert, wat volgens de brief slechts twee interpretaties openlaat : - ofwel heeft de heer V.G. gekozen voor de "normale" bescherming van de wet van 1978 en heeft hij beslist om de opzeggingstermijn te presteren, hierbij verzakend aan de beschermingsvergoeding van de wet van 1991, - ofwel heeft de heer V.G. gekozen voor de "versterkte" bescherming van de wet van 1991 en beschouwt hij zelf dat ontslag van de werkgever als zijnde zonder uitwerking; In dezelfde brief wordt de vordering wegens rechtsmisbruik herbevestigd en de bal wordt teruggespeeld naar de heer V.G., aan wie verweten wordt dat hij sinds jaren pesterijen uitoefent. Hierop reageert de raadsman van de heer V.G. in een officieel schrijven van 9 augustus 2005 en stelt hij dat zijn cliënt geenszins verzaakt aan de beschermingsvergoeding en dat het de N.V. is die er voor kiest om de opzegging te laten presteren; ook in verband met het willekeurig ontslag wordt het eerdere standpunt herhaald. Op 22 september 2005 gaat de heer V.G. over tot dagvaarding van de N.V. Zep Belgium en vordert een beschermingsvergoeding van euro 195.928,02 en een vergoeding wegens rechtsmisbruik van euro 5.000, te vermeerderen met intresten en kosten. In de veronderstelling dat de arbeidsrechtbank zou menen dat er geen cumulverbod bestaat tussen de beschermingsvergoeding en de gewone opzeggingstermijn, vraagt de N.V. Zep Belgium dat er een prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het toenmalige Arbitragehof betreffende de mogelijke discriminatie omwille van de cumulonmogelijkheid tussen de beschermingsvergoeding en een opzeggingsvergoeding enerzijds en de cumulmogelijkheid van de beschermingsvergoeding met het loon van de opzeggingstermijn anderzijds. Tevens stelt de N.V. Zep Belgium een tegenvordering wegens rechtsmisbruik voor zover geoordeeld zou worden dat de beschermingsvergoeding verschuldigd is, in die zin dat als sanctie zou bepaald worden dat de heer V.G. zijn recht op beschermingsvergoeding niet mag uitoefenen of dat hij veroordeeld wordt tot betaling gelijk aan het bedrag van de aan hem verschuldigde beschermingsvergoeding, waarna er gerechtelijke compensatie moet worden toegepast; in de meest ondergeschikte orde vraagt de N.V. Zep Belgium dat de tijdens de opzeggingstermijn uitbetaalde lonen en voordelen zouden worden afgetrokken van de beschermingsvergoeding en dat de zaak dan naar de bijzondere rol zou worden verzonden voor verdere cijfermatige uitwerking en dat alleszins de intresten slechts kunnen aangerekend worden op de nettobedragen. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank Brussel van 12 maart 2007 wordt de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond verklaard in de zin dat aan de heer V.G. een provisionele beschermingsvergoeding van euro 141.159,24 bruto wordt toegekend, te vermeerderen met wettelijke intresten vanaf 24 juni 2005 op het netto overeenstemmend bedrag en vanaf 1 juli 2005 op het brutobedrag en te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op het brutobedrag; de zaak wordt naar de rol verzonden omdat in afwachting van de andere procedure voor dit arbeidshof het precieze jaarloon niet kan worden becijferd en de juiste beschermingsvergoeding dan ook nog niet kan worden begroot; het meer gevorderde wordt afgewezen; ook de tegenvordering wordt afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond; de gerechtskosten worden ten laste van de N.V. gelegd. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 1 juni 2007, tekent de N.V. Zep Belgium hoger beroep aan en vraagt in hoofdorde de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van de heer V.G. als zijnde ontvankelijk doch ongegrond en in ondergeschikte orde herneemt zij de standpunten die voor de eerste rechter werden geformuleerd, mits er een bijkomende prejudiciële vraag wordt voorgesteld voor het Grondwettelijk Hof in de zin dat men voorhoudt dat er een discriminatie is tussen de niet beschermde werknemer en de beschermde werknemer in verband met de gevolgen en de keuzemogelijkheid bij onregelmatig ontslag. De heer V.G. tekent incidenteel beroep aan in verband met de afwijzing van zijn vordering wegens rechtsmisbruik. II. BEOORDELING Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.
- Is er ( absolute) nietigheid van de opzegging wegens schending van de bepalingen van de wet van 19 maart 1991? Artikel 2 § 1 van de wet van 19 maart 1991 bepaalt : "De personeelsafgevaardigden en de kandidaat - personeelsafgevaardigden kunnen slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend. Voor de toepassing van dit artikel geldt als ontslag : 1° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, gedaan met of zonder vergoeding al dan niet met naleving van een opzegging, die ter kennis wordt gebracht gedurende de periode bedoeld in de §§2 en 3; 2e elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wegens feiten die een reden uitmaken die ten laste van de werkgever kan gelegd worden 3e het niet in acht nemen door de werkgever van de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank ..." ( onze onderlijning) Appellante houdt voor dat deze bepaling met nietigheid wordt gesanctioneerd en leidt hieruit af dat, wanneer de werknemer na een dergelijk nietig ontslag de arbeidsovereenkomst voortzet, hij afstand doet van het recht om zich op het ontslag te beroepen, waarbij zij verwijst naar de rechtspraak en rechtsleer in verband met de gevolgen van een nietige opzegging bij toepassing van artikel 37 van de arbeidsovereenkomstenwet; appellante leidt hieruit af dat wegens afstand van de nietigheid de vordering tot betaling van een beschermingsvergoeding ongegrond is. Anders dan appellante voorhoudt, voorziet artikel 2 van de wet van 19 maart 1991 geenszins in een nietigheidsanctie, maar wel in de betaling van vergoedingen, zoals bepaald in de artikelen 16 en 17 van deze wet. Dit was ook de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, zoals blijkt uit het senaatscommissieverslag (Parl. St. Senaat, 1990-91, 1105/2, 14-17), waarin een lid van de Senaat een vergelijking maakte tussen het ontwerp en de vorige voorstellen en verduidelijkte : "Wat het ontslagverbod betreft, brengt het wetsontwerp geen wijziging aan. Het ontwerp bepaalt dat bij wederrechtelijke afdanking door de werkgever, dus in strijd met wettelijke bescherming, een schadevergoeding verschuldigd is. Het ontwerp voorziet dus niet in de nietigheid van de afdanking zoals voorgesteld in het wetsvoorstel nr. 682 - 1 dat bij de Senaat aanhangig is. Men aanvaardt derhalve dat de werkgever zich boven de wet plaatst. ... dit is blijkbaar een compromisoplossing." (p. 15-16). Hierop bevestigt de minister : "Een wezenlijk onderdeel van het compromis dat in het ontwerp is verwerkt, is het behoud van de mogelijkheid om een beschermd werknemer af te danken. Het ontslagrecht is aangetast, de ontslagmacht niet. Het is strijdig met onze juridische cultuur ontslagen met absolute nietigheid te sanctioneren. Wel wordt bepaald dat het niet respecteren van een aantal regels, recht geeft op schadevergoeding." ( p. 16). Hieruit volgt dat appellante verkeerdelijk uitgaat van de nietigheidsanctie wat betreft het ontslagverbod van artikel 2 § 2 van de wet van 19 maart 1991 ( vgl. D. VOTQUENNE en C. WANTIEZ, Beschermde werknemers. 10 jaar toepassing van de wet van 19 maart 1991, Brussel, 2001, 118). In artikel 37 van de arbeidsovereenkomstenwet worden wel nietigheidsancties voorzien, maar er wordt nergens voorgehouden en het is ook niet zo, dat de bepalingen van dit artikel 37 zouden zijn overtreden, zodat de opzegging van 24 juni 2005 geldig is gegeven; voor de opzegging blijven de bepalingen van de arbeidsovereenkomstenwet immers onverkort gelden. Appellante kan hierbij moeilijk een wilsgebrek inroepen, daar zij uiteraard op de hoogte diende te zijn van de kandidaatstelling van de heer V.G. bij de sociale verkiezingen 2004 in haar onderneming. Een opzegging kan worden gedefinieerd als een ontslag op termijn ( W. VAN EECKHOUTTE, A. TAGHONN en S. VAN OVERBEKE, Overzicht van rechtspraak arbeidsovereenkomsten ( 1988 -2005), T. P. R. 2006/1, p. 408, nr. 281); hieruit volgt dat de wil tot beëindiging wordt gedemonstreerd op het ogenblik van het geven van de opzegging, maar dat de beëindiging zelf plaatsvindt bij het verstrijken van de opzeggingstermijn; voorwaarde hierbij is dat de vormvoorschriften van artikel 37 van de arbeidsovereenkomstenwet worden nageleefd, wat hier het geval is.
- Cumul van de opzegging en de beschermingsvergoeding De heer V.G. of zijn vakorganisatie hebben geen reïntegratie aangevraagd in de zin van artikel 14 van de wet van 19 maart 1991, zodat de schadevergoeding in verband met het overtreden van het ontslagverbod bepaald wordt door artikel 16 van deze wet, met name een vergoeding gelijk aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van vier jaar, daar de heer V.G. meer dan 20 dienstjaren in de onderneming telde. Deze schadevergoeding is cumuleerbaar met het loon dat betaald wordt tijdens het presteren van de opzeggingstermijn ( Cass., 17 januari 1964, T. S. R. 1964, 191). Hieruit volgt dat het loon van de opzeggingstermijn ook niet in mindering moet worden gebracht op de beschermingsvergoeding Beide vergoedingen hebben een verschillende juridische oorzaak; het loon wordt betaald als tegenprestatie voor de verrichte arbeid, terwijl de beschermingsvergoeding verschuldigd is wegens de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst ( I. VAN PUYVELDE, ATO-O-601-1671; P. DENIS, De bescherming van de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraad en in het comité voor veiligheid en gezondheid in de bescherming van de personeelsvertegenwoordigers in de onderneming. Wet van 19 maart
- Analyse en toepassing. VBO, Brussel, 1997, 75; L. ELIAERTS, Beschermde werknemers. Ondernemingsraad en comité voor bescherming en preventie op het werk., Brussel, Larcier, 2002, 301). Appellante bekritiseert ten onrechte het hierboven aangehaalde cassatiearrest en de rechtsleer, ze gaat hierbij telkens uit van haar foutieve premisse als zou de wet van 19 maart 1991 een nietigheidsanctie inhouden, waarop men zich zou dienen te beroepen en waarvan men dan afstand zou kunnen doen. Eveneens ten onrechte wil appellante een discriminatie vinden in het cumulverbod van de door artikel 16 bedoelde beschermingsvergoeding met de gewone opzeggingsvergoeding van artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet enerzijds en de hierboven aangehaalde cumulmogelijkheid van de beschermingsvergoeding met het loon van de opzeggingstermijn anderzijds. Terecht heeft de eerste rechter erop gewezen dat deze situaties niet vergelijkbaar zijn, omdat het loon, betaald tijdens de opzeggingstermijn, een tegenprestatie is voor de arbeid, geleverd tijdens de opzeggingstermijn, terwijl de beschermingsvergoeding verschuldigd is omwille van het feit dat het ontslag plaatsvond tijdens de beschermde periode. Ook de nieuwe prejudiciële vraag, die appellante in graad van hoger beroep voorstelt, gaat uit van niet vergelijkbare situaties, met name deze van de beschermde en van de niet beschermde werknemer; het verschil tussen deze situaties wordt uiteraard verklaard door de financiële en forfaitaire sanctie, die de wetgever heeft voorzien ingeval van overtreding van het ontslagverbod van artikel 2 § 2 van de wet van 19 maart 1991, terwijl in artikel 37 in een nietigheidsanctie wordt voorzien bij het niet naleven van vormvereisten. Waar in deze zaak de werkgever de vormvereisten van artikel 37 wel heeft nageleefd, diende de werknemer de gegeven opzegging te respecteren, ongeacht zijn bescherming, en had hij ook geen keuzerecht, zoals verkeerdelijk gesuggereerd in de prejudiciële vraag; eventueel had de werkgever kunnen overwegen om zelf de arbeidsovereenkomst te verbreken op het ogenblik dat hij inzag dat de heer V.G. beschermd was, want dan had men wel rekening moeten houden met het cumulverbod van artikel 16 van de wet van 19 maart 1991, maar de N.V. Zep Belgium heeft deze keuze niet gemaakt. De voorgestelde prejudiciële vragen dienden dan ook niet aan het Grondwettelijk Hof te worden voorgelegd, daar ze niet nodig zijn voor de oplossing van het voorgelegde geschil (Gr. H. nr. 136/2004, 22 juli 2004), temeer daar de vraag ook grotendeels berust op een onjuiste uitlegging van de wettelijke bepaling ( Cass., 4 november 2004, P.04.0849.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13). Op goede gronden, die het hof bijtreedt en overneemt, heeft de eerste rechter dan ook beslist dat de heer V.G. aanspraak kan maken op een beschermingsvergoeding in de zin van artikel 16 van de wet van 19 maart 1991, zijnde het lopende loon dat overeenstemt met de duur van vier jaar. Gelet op de nog niet beslechte betwisting omtrent o.m. de bepaling van het commissieloon, verklaren partijen ons in deze stand vrede te nemen met de provisionele begroting van de beschermingsvergoeding, zoals door de eerste rechter toegepast. Wat de intresten betreft, werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 door de wetgever bekrachtigd via de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008). Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen slechts kunnen berekend worden op de netto bedragen,daar het ontslag dateert van 24 mei 2005, zijnde voor 1 juli
- Het recht op de beschermingsvergoeding van artikel 16 van de wet van 19 maart 1991 ontstaat immers op het ogenblik van het ontslag (Cass., 22 april 1982, JTT 1982,295; Cass. 17 november 1980, JTT 1982, 296).
- Rechtsmisbruik. Beide partijen roepen wederzijds rechtsmisbruik in. De N.V. Zep Belgium meent dat de heer V.G. met rechtsmisbruik een beschermingsvergoeding vordert, daar hij door zijn gedrag heeft aangetoond dat hij de arbeidsovereenkomst niet verder wil uitvoeren. De heer V.G. van zijn kant meent dat het ontslag met rechtsmisbruik is gegeven, omdat het een represaille is voor het beroep dat hij heeft aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 29 oktober 2004; hij tekent incidenteel beroep aan tegen het afwijzen van dit onderdeel van zijn vordering. Er kan hier geen rechtsmisbruik worden weerhouden, noch in de ene, noch in de andere zin. Immers, de heer V.G. heeft de opzeggingstermijn uitgewerkt en dit was ook zijn uitdrukkelijke bedoeling, zoals blijkt uit het officieel schrijven van zijn raadsman van 9 augustus 2005, zodat de N.V. Zep Belgium niet kan voorhouden en ook niet aantoont dat betrokkene zijn arbeidsovereenkomst niet verder zou hebben willen uitvoeren. Uit artikel 14 van de wet van 19 maart 1991 volgt dat de werknemer de reïntegratie "kan" aanvragen, zodat de heer V.G. hiertoe niet verplicht was, en dit volgt ook uit artikel 16 van deze wet, dat in een sanctie voorziet voor de hypothese dat de reïntegratie niet wordt gevraagd; men kan het de heer V.G. dan ook niet kwalijk nemen dat hij deze mogelijkheid niet gebruikt heeft. Evenmin kan men rechtsmisbruik afleiden uit het feit dat de heer V.G. zijn opzeggingstermijn uitwerkt overeenkomstig de wet en zinnens was om op 1 juni 2008 op pensioen te gaan. Bovendien is de ratio legis van de beschermingsvergoeding niet enkel de bescherming van het individu, doch ook de bescherming van het mandaat en van het overlegorgaan, zodat de N.V. Zep Belgium ten onrechte rechtsmisbruik zoekt in de voorgehouden afwezigheid van concrete en persoonlijke schade bij de heer V.G.. Evenmin kan er in hoofde van de N.V. Zep Belgium rechtsmisbruik weerhouden worden; ten onrechte beschouwt de heer V.G. zijn ontslag als een represaille zonder economische noodzaak en hij ziet hiervan de bevestiging in de toelichting in de beroepsconclusies. In de bedoelde passage wordt enkel naar voren gebracht dat de verdere professionele samenwerking in een positieve en rustige sfeer niet meer mogelijk was en dit kan voor de werkgever wel degelijk een reden voor ontslag zijn, daar ze uitdrukkelijk verwijst naar de geschiktheid van de werknemer om constructief samen te werken; de heer V.G. toont niet aan dat vanuit deze perceptie van de werkgever het ontslag kennelijk onredelijk gegeven werd; het enkele feit dat er een procedure omtrent de loonafspraken hangende was en bleef, is hierbij irrelevant, omdat dit reeds gedurende meer dan twee jaar het geval was op het moment van het ontslag. X X X Het hoofdberoep is dan ook enkel gegrond wat betreft de aanrekening van de wettelijke intresten vanaf 1 juli 2005 en van de gerechtelijke intresten, die allen op het nettobedrag dienen te gebeuren en het incidenteel beroep is ongegrond; het hof trekt de zaak aan zich wat betreft de definitieve begroting van de beschermingsvergoeding OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk, doch enkel gegrond op het punt van de aanrekening van de intresten vanaf 1 juli 2005; Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, behalve wat betreft de aanrekening van de wettelijke intresten vanaf 1 juli 2005 en van de gerechtelijke intresten op het brutobedrag; wijzigt het vonnis op dit punt en veroordeelt de N.V. Zep Belgium tot betaling van deze intresten op het nettobedrag; Trekt de zaak aan zich wat betreft de definitieve begroting van de beschermingsvergoeding en verzendt de zaak op dit punt naar de bijzondere rol in afwachting van de beslechting van het geschil betreffende de verloning. Houdt de kosten van het hoger beroep aan. Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De heer Ch. LAURIERS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. Ch. LAURIERS. A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 10 oktober 2008 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081010.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div