← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081010.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081010.6 Rolnummer: 50.051 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-02-05 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 18:04 Fiche 1 Wanneer een bediende voorde begroting van de in acht te nemen opzeggingstermijn een gedeelte van de anciënniteit wil laten gelden voor een periode dat hij onder het statuut van zelfstandige heeft gewerkt, moet hij aantonen dat het om schij nzelfstandigheid gaat. Gelet op de leer van de kwalificatiearresten moet degene, die de schijnzelfstandigheid inroept, de elementen aanbrengen die de conventionele kwalificatie uitsluiten; dit houdt in dat de bediende moet aanduiden onder welke voorwaarden en door wie het gezag werd uitgeoefend. Hiertoe volstaat dus niet dat zij verwijst naar het feit dat zij hetzelfde werk heeft uitgevoerd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 37 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II CN art.

  1. Eveneens gerangschikt onder II CN art. 82 §
  2. Fiche 2 Wanneer een bediende voorde begroting van de in acht te nemen opzeggingstermijn een gedeelte van de anciënniteit wil laten gelden voor een periode dat hij onder het statuut van zelfstandige heeft gewerkt, moet hij aantonen dat het om schij nzelfstandigheid gaat. Gelet op de leer van de kwalificatiearresten moet degene, die de schijnzelfstandigheid inroept, de elementen aanbrengen die de conventionele kwalificatie uitsluiten; dit houdt in dat de bediende moet aanduiden onder welke voorwaarden en door wie het gezag werd uitgeoefend. Hiertoe volstaat dus niet dat zij verwijst naar het feit dat zij hetzelfde werk heeft uitgevoerd UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82,§3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II CN art. 82 §
  3. Eveneens gerangschikt onder II CN art.
  4. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 10 OKTOBER
  5. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Mevrouw G. V.D.B., Appellante, vertegenwoordigd door Mter Ch. Verhaeghe, advocaat te 1050 Brussel; Tegen : DE N.V. WIFAC, met zetel gevestigd te 2800 Mechelen, Wayenborgstraat, 13, ondernemingsnummer 0873.297.334, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter A. Vermoortele loco Mter M. Ballon, advocaat te 2000 Antwerpen; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op 8 mei 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 12 juli 2007; - de besluiten, synthesebesluiten en aanvullende synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 11 oktober 2007, 20 december 2007 en 17 januari 2008; - de besluiten en de aanvullende en synthesebesluiten voor appellante, neergelegd ter griffie op 19 november 2007 en 28 december 2007; - de bundel met stukken neergelegd ter griffie van dit Hof door appellante op 27 augustus 2008; - de bundel met stukken neergelegd ter griffie van dit Hof door geïntimeerde op 29 augustus 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 12 september 2008, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x I. RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING. Op 1 september 1985 kwam mevrouw V.D.B. als bediende - secretaresse in dienst van de N.V. Semco, de rechtsvoorganger van de N.V. Wifac. Vanaf 1994 tot 1 april 1998 is mevrouw V.D.B. bij de N.V. Semco blijven werken maar in de hoedanigheid van zelfstandige. Sedert 1 april 1998 wordt zij terug als bediende tewerkgesteld, althans zo blijkt uit de gegevens van het sociaal secretariaat. Op 26 maart 1999 verkopen de aandeelhouders van de N.V. Semco, waaronder mevrouw V.D.B., de aandelen van de N.V. aan de N.V. Wifac; in de lijst van de overgenomen personeelsleden komt mevrouw V.D.B. niet voor, wat de N.V. Wifac doet twijfelen of er sinds 1 april 1998 wel een ononderbroken anciënniteit is in hoofde van mevrouw V.D.B.. Niettemin aanvaardt ze de anciënniteit vanaf die datum. Per 1 januari 2003 gebeurt er een overdracht van onderneming in de zin van de C.A.O. 32 bis en wordt de arbeidsovereenkomst van mevrouw V.D.B. overgenomen (zie schrijven 4 december 2002 - stuk 2 mevrouw V.D.B.). Bij schrijven van 27 september 2004 van de N.V. Wifac wordt de arbeidsovereenkomst van mevrouw V.D.B. verbroken met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 6 maanden; deze vergoeding werd berekend uitgaande van een anciënniteit ingaande op 1 april 1998, daar de N.V. Semco een tewerkstellingattest heeft afgeleverd, waarin een tewerkstelling bevestigd werd van 1 april 1998 tot 31 december 2002 (zie stuk 4 mevrouw V.D.B.). Op 20 april 2005 stelde de vakorganisatie van mevrouw V.D.B. de N.V. Wifac in gebreke in betaling van een opzeggingsvergoeding van 19 maanden, onder aftrok van de uitbetaalde vergoeding voor 6 maanden met verwijzing naar een anciënniteit ingaande op 1 september 1985; na een aantal herinneringsbrieven laat de N.V. weten dat volgens het sociaal secretariaat er slechts een indiensttreding was vanaf 1 april
  6. Partijen kwamen dus niet tot overeenstemming en op 13 juli 2005 dagvaardde mevrouw V.D.B. de N.V. Wifac in betaling van een opzeggingsvergoeding van euro 29.562,96 en in afgifte van de overeenstemmende sociale documenten. Na een tussenvonnis van 6 oktober 2006, waarbij de arbeidsrechtbank een loopbaanuittreksel opvroeg, werd de vordering van mevrouw V.D.B. bij eindvonnis van 8 mei 2007 afgewezen als zijnde ongegrond, omdat er geen bewijs was van de tewerkstelling als bediende in de periode tussen 1994 en 1 april 1998, noch dat er in die periode zou gewerkt zijn als schijnzelfstandige. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 12 juli 2007, tekende mevrouw V.D.B. hoger beroep aan en hernam zij haar oorspronkelijke vordering.
  7. BEOORDELING Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Mevrouw V.D.B. erkent op pagina 5 van haar aanvullende en syntheseberoepsconclusie dat zij gedurende de periode 1994 tot 1998 haar job heeft uitgeoefend onder een ander statuut, met name het zelfstandigenstatuut, maar zij houdt voor dat dit onder druk gebeurde en dat er sprake was van schijnzelfstandigheid, omdat zij geheel hetzelfde werk gedaan heeft als voorheen en volgens een zelfde uurrooster, volgens een zelfde verloning. Waar mevrouw V.D.B. zelf aangeeft dat zij tewerkgesteld was in het zelfstandigenstatuut, dient uitgegaan te worden van deze kwalificatie. Wanneer de partijen hun overeenkomst hebben gekwalificeerd, mag de feitenrechter die kwalificatie niet wijzigen, indien de elementen, die onderworpen worden aan zijn beoordeling, de conventionele kwalificatie niet uitsluiten; dit volgt uit de zogenaamde kwalificatiearresten van het Hof van Cassatie, waaronder Cass., 23 februari 2002, J.T.T. 2003, 271; Cass., 28 april 2003, J.T.T. 2003, 261; Cass., 8 december 2003, J.T.T. 2004, 122; Cass., 3 mei 2004, R.W. 2004- 05, 1220; Cass., 6 december 2004, NJW 2005, 95, 21; Cass., 20 maart 2006, www; cass.be, Cass., 22 mei 2006, www. Cass.be; Cass., 12 juli 2006 www.cass.be., Cass., 29 oktober 2007, S.2005.0123.N www.cass.be. Taken die aanvankelijk in ondergeschikt verband als werknemer voor de werkgever werden uitgevoerd, kunnen nadien door de vroegere werknemer in diens opdracht als zelfstandige en zonder enige gezagsrelatie worden uitgevoerd ( Cass., 27 november 2006, NJW 2007, 413), maar daarvoor is natuurlijk wel nodig dat deze taken zonder enige aanwijzing van gezag worden gepresteerd. Gelet echter op de leer van de kwalificatiearresten moet degene, die de schijnzelfstandigheid inroept, dan wel de elementen aanbrengen die de conventionele kwalificatie uitsluiten; dit houdt in dat mevrouw V.D.B. moet aanduiden onder welke voorwaarden en door wie het gezag werd uitgeoefend. Hiertoe volstaat dus niet dat zij verwijst naar het feit dat zij hetzelfde werk heeft uitgevoerd ( vgl. Cass. 27 november 2006); bovendien bewijst mevrouw V.D.B. dit ook niet, want de folder uit 1995 duidt enkel een contactpersoon aan en de circulaire van 2001 heeft geen betrekking op de periode als zelfstandige. Ook de maandelijkse overschrijvingsbewijzen tonen alleen de betaling van een maandelijks bedrag aan, maar zij bewijzen niet dat er een loon werd betaald; mevrouw V.D.B. kan ook geen enkele loonfiche voor de betrokken periode voortbrengen. Ook omtrent haar uurrooster brengt mevrouw V.D.B. geen stukken voor, maar een vast uurrooster op zich sluit een kwalificatie als zelfstandige daarom nog niet uit. De schaarse feitelijke elementen hebben dan ook geen relevantie voor de zoektocht naar een mogelijke gezagsverhouding, daar mevrouw V.D.B. geen enkel element aanbrengt onder wiens feitelijk en hiërarchisch gezag zij dan wel zou hebben gefunctioneerd; mevrouw V.D.B. brengt dan ook voor de betrokken periode geen elementen aan die de kwalificatie als zelfstandige uitsluiten. Bij haar ontslag op 27 september 2004 was er dus geen anciënniteit in aanmerking te nemen voor de periode van 1 september 1985 tot 27 september 2004 en deze anciënniteit kan maar gelden vanaf 1 april 1998; de periode daarvoor werkte zij als zelfstandige en was zij niet in dienst bij de rechtsvoorganger van de N.V. Wifac. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407). Mevrouw V.D.B. had derhalve een anciënniteit van zes jaar en vijf maanden; zij had de leeftijd van 40 jaar en 10 maanden (° 16 november 1963); haar functie was deze van bediende secretaresse. Haar jaarloon bedraagt: - 1.933,99 x 13,92 = euro 26.921,14 - Groepsverzekering 25,52 x 12 = euro 306,24 Totaal euro 27.227,38 Rekeninghoudend met deze elementen, kan de opzeggingstermijn billijkerwijze worden bepaald op 8 maanden en ze heeft dan ook recht op: euro 27.227,38 x 8/12 = euro 18.151,59 - uitbetaalde opzeggingsvergoeding euro 13.583,09 blijft euro 4.568,50 Wat de intresten betreft, werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 door de wetgever bekrachtigd via de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008). Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen slechts kunnen berekend worden op de netto bedragen,daar het ontslag dateert van 27.09.
  8. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Vernietigt het bestreden vonnis, En opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond Veroordeelt de N.V. Wifac tot betaling aan mevrouw V.D.B. van een opzeggingsvergoeding van euro 4.568,50 bruto, te verminderen met de sociale zekerheidsafhoudingen en de bedrijfsvoorheffing en te vermeerderen met de wettelijke intresten op het netto vanaf 27 september 2004 en met gerechtelijke intresten; Compenseert de gerechtskosten en veroordeelt elk van de partijen tot de helft van de gerechtskosten, deze begroot aan de zijde van mevrouw V.D.B. op dagvaardingskosten 113,54 euro , rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg op 218,64 euro en rechtsplegingsvergoeding hoger beroep op 297,54 euro en aan de zijde van de N.V. Wifac op rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank euro 218,64 en rechtsplegingingsvergoeding hoger beroep ( basisvergoeding) euro 2000 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De heer Ch. LAURIERS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. Ch. LAURIERS. A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 10 oktober 2008 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081010.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.