id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 20 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081020.13 Rolnummer: 50.053 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-07-29 Raadplegingen: 155 - laatst gezien 2026-07-02 18:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche Er is sprake van een overgang van onderneming wanneer een overgedragen entiteit haar identiteit behoudt. Inzake een bedrijfsrestaurant maakt niet het personeelsbestand, maar wel de ruimtes, water, energie, kleine en grote keukenuitrusting en klantenkring de economische identiteit uit. Het is voor een overdracht niet vereist dat er rechtstreekse contractuele verhoudingen bestaan tussen de overnemer en de verkrijger of dat de onderneming die de cateri ng-activiteit uitbaat, eigenaar wordt van de werkruimte en van de uitrusting. De overnemer verbreekt op onrechtmatige wijze de arbeidsovereenkomst door te weigeren de over te nemen werkneemster tewerk te stelen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsraad - Nationale arbeidsraad - W. 29 mei 1952 - Werking - art. 4 -10 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - NATIONALE ARBEIDSRAAD - Conventionele overdracht van onderneming - Begrip « overdracht » - Catering-activiteit - Ontslag door overnemer. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-05-1952 - 5bis - 01 ELI link Pub nr 1952052902 Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 32bis - 07-06-1985 - 7 - 31 Link Justel databank 19850607-31 Nota: Gepubliceerd in JTT 2009, p. 138. Gerangschikt onder IV D art. 5bis (CAO nr. 38bis van 7.06.1985, art. 7). Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2009(138-140) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 OKTOBER 2008. 5DE KAMER Arbeidscontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak : N.V. BELGOCATERING, met maatschappelijke zetel gevestigd te 9300 AALST, Wijngaardveld 16. Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. L. DE SCHRIJVER, advocaat te Gent. Tegen : 1. B. , wonende te [xxx]. Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. R. SWENNEN, advocaat te Zellik. 2. N.V. ARAMARK, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1160 BRUSSEL, M. Charlantstraat 53. Geïntimeerde op hoofdberoep, appellante en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr B. WITTAMER en Mr P. DE SOETE, advocaten te Brussel. 3. N.V. SIEMENS, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1070 BRUSSEL, Marie Curiesquare 30. Geïntimeerde op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr A. CRAUWELS looc Mr T. CLAEYS, advocaat te Brussel. 4. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Werk, met beleidscel gelegen te 1000 BRUSSEL, Koningsstraat 180, en waarvan de kantoren van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg gevestigd zijn te 1070 BRUSSEL, Ernest Blerotstraat 1. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr N. DE MEYER loco Mr M. VAN REYBROUCK, advocaat te Brussel. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Brussel op 6 april 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 12 juli 2007; - de besluiten en synthesebesluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 29 september 2008 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken. 1. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING 1. B., oorspronkelijk eiseres, is op 14 februari 2000 in dienst getreden van de nv Aramark, als deeltijds arbeidster. Zij was tewerkgesteld in de bedrijfslokalen van de nv Siemens, die Aramark belastte met de bereiding en de bediening van de maaltijden en drank in haar ondernemingsrestaurant. Op 13 februari 2004 heeft de nv Siemens een einde gesteld aan de overeenkomst met de nv Aramark met ingang op 31 mei 2004. Vanaf die datum werd de bereiding en de bediening van de maaltijden en drank toevertrouwd aan de nv Belgocatering. Op 10 maart 2004 heeft de nv Aramark aan de nv Belgocatering de lijst medegedeeld van het personeel dat volgens haar, overeenkomstig de cao nr. 32 bis van 7 juni 1985, diende overgenomen te worden door de nv Belgocatering. Deze overname werd door de nv Belgocatering geweigerd. Omdat zij van oordeel was dat overeenkomstig de bepalingen van de cao 32 bis de nv Belgocatering verplicht was haar arbeidsovereenkomst over te nemen, heeft mevrouw B. zich op 1 juni 2004 op de werkplaats aangeboden teneinde haar werkzaamheden voort te zetten voor rekening van de nv Belgocatering. De toegang werd haar geweigerd. Teneinde mevrouw B. toe te laten beroep te doen op de werkloosheidsreglementering heeft de nv Aramark haar een formulier C 4 afgeleverd, waarin echter uitdrukkelijk vermeld werd dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg was van de houding van de nv Belgocatering. 2. Mevrouw B. heeft bij exploot van 25 maart 2005 en 4 april 2005 dagvaarding uitgebracht lastens de nv Belgocatering, de nv Aramark, de nv Siemens en de Belgische Staat. Zij vorderde veroordeling van nv Belgocatering tot betaling van een bedrag van 1.1121,00 euro als verbrekingsvergoeding, de som van 4.858,00 euro als schadevergoeding wegens het niet respecteren van een cao van 3 december 2002, afgesloten op paritair vlak, de som van 4.858,00 euro als schadevergoeding wegens willekeurig ontslag en de som van 1.000,00 euro wegens het niet respecteren van de cao nr.32 bis. In ondergeschikte orde vroeg zij de veroordeling van de nv Aramark voor wat betreft de verbrekingsvergoeding, de vergoeding wegens willekeurig ontslag en de forfaitaire schadevergoeding voor het niet respecteren van de cao van 3 december 2002. Ten aanzien van de nv Siemens vorderde mevrouw B. een bedrag van 1.000,00 euro wegens het niet respecteren van de cao nr. 32 bis. Van de Belgische Staat vroeg zij tenslotte, in ondergeschikte orde, de veroordeling tot de betaling van het bedrag van 4.858,00 euro wegens het niet respecteren van de cao van 3 december 2002. De nv Aramark heeft voor de eerste rechter gevraagd dat de nv Belgocatering haar zou vrijwaren van iedere veroordeling die ten haren laste zou uitgesproken worden. 3. Bij vonnis van 6 april 2007 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vorderingen ten aanzien van de nv Belgocatering principieel gegrond verklaard voor wat betreft de gevorderde verbrekingsvergoeding en afgewezen voor wat betreft de gevorderde schadevergoeding wegens het niet respecteren van de cao van 3 december 2002. De andere onderdelen van de vordering werden naar de rol verzonden teneinde partijen toe te laten nader te besluiten, zowel over het recht op de gevorderde vergoedingen, als over de berekening van de gevorderde sommen. De vorderingen tegen de nv Aramark, de nv Siemens en de Belgische staat werden ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De vordering in vrijwaring van de nv Aramark werd zonder voorwerp verklaard. 4. Bij verzoekschrift van 12 juli 2007 heeft de nv Belgocatering hoger beroep aangetekend. Mevrouw B. heeft incidenteel hoger beroep aangetekend en vraagt de toekenning van het geheel van de vorderingen zoals zij die in eerste aanleg in hoofdorde of in ondergeschikte orde had gesteld. Zij vraagt ook dat de nv Belgocatering zou veroordeeld worden tot het geheel van de kosten van de beroepsinstantie en dus ook tot de kosten die betrekking hebben op de vorderingen tegen andere partijen Mevrouw B. vraagt verder, in de hypothese dat de nv Belgocatering niet tot deze bedragen veroordeeld wordt, de veroordeling van de nv Aramark tot betaling van een vergoeding wegens abusief ontslag en tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding van zes maanden wegens de miskenning van de cao van 3 december 2002. De nv Aramark stelt incidenteel hoger beroep in en vraagt de vrijwaring door de nv Belgocatering van alle sommen waartoe zij zou veroordeeld worden. Ter zitting heeft mevrouw B. verklaard dat zij afstand doet van haar vordering tegen de Belgische staat. De Belgische staat heeft verklaard dat zij deze afstand aanvaardt maar heeft de veroordeling gevraagd van mevrouw B. tot de kosten. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoofdberoep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte van het vonnis voorgelegd zodat het beroep tijdig werd ingesteld. De incidentele beroepen zijn eveneens ontvankelijk. III. BEOORDELING. 1. Het hoofdberoep van de nv Belgocatering. 1. De nv Belgocatering is van oordeel dat het geheel van de tegen haar gestelde vorderingen door de eerste rechter had dienen afgewezen te worden. Zij stelt dat de eerste rechter ten onrechte toepassing gemaakt heeft van de cao nr. 32 bis vermits er in de omstandigheden van de zaak geen sprake geweest is van een overdracht van onderneming in de zin van de cao 32 bis en van de Europese richtlijnen 77/187 van 14 februari 1977 en 2001/2003 van 12 maart 2001. Zij argumenteert dat, ingevolge de uitdrukkelijke wil van de nv Siemens, er geen continuïteit was van de cateringdiensten zoals die voorheen door de nv Aramark werden uitgebaat. Zij stelt dat de nieuwe toewijzing van de uitbating het gevolg was van de duidelijke onvrede van de nv Siemens over de kwaliteit van de diensten van de nv Aramark en dat zij als contractspartij uitgekozen werd omdat zij een eigen onderneming, met een eigen kwaliteit, prijs, en innoverend karakter had uitgebouwd. Deze bijzondere omstandigheden en de wil van de opdrachtgever zouden tot gevolg hebben dat er geen sprake kan zijn van een overgang van onderneming krachtens overeenkomst. In ondergeschikte orde vraagt de nv Belgocatering dat het Arbeidshof een nieuwe prejudiciële vraag zou stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. 2. Overeenkomstig art.1
- a)van de richtlijn 2001/23, die de richtlijn 77/187 vervangen heeft, is deze richtlijn van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen op een andere ondernemer, tengevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie. Overeenkomstig artikel 1
- b)wordt als overgang beschouwd "de overgang met het oog op de voortzetting van de al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt waaronder een geheel van georganiseerde middelen wordt verstaan." Overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn gaan de rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, door deze overgang over op de verkrijger. De nieuwe richtlijn 2001/23, en met name de geactualiseerde definitie van het begrip overgang van onderneming, werd in het Belgisch recht ingevoegd door de cao nr. 32 quinquies van 13 maart 2002, algemeen verbindend verklaard bij Koninklijk Besluit van 14 maart 2002, dat artikel 6 van de cao nr. 32 bis van 7 juni 1985 aanvult met een bepaling die de inhoud van artikel 1
- b)van de richtlijn 2001/23 overneemt. Overeenkomstig artikel 7 van de cao 32 bis gaan de rechten en verplichtingen, welke voor de vervreemder voortvloeien uit op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomsten, door deze overgang op de verkrijger over. 3. Indien de arresten van het Hof van Justitie, in antwoord op prejudiciële vragen als dusdanig de Belgische rechter niet binden, is deze er wel toe gehouden het nationaal recht uit te leggen in functie van de toepasselijke richtlijnen, op straffe van miskenning van de verplichtingen die voortvloeien uit het E.E.G. verdrag (Cass. 2.12.1996, Arr. Cass.1996, 470). De arresten van het Hof van Justitie vormen derhalve de richtsnoer bij uitstek voor de interpretatie van het begrip ‘overgang van onderneming' zoals opgenomen in artikel 1
- b)van de richtlijn en artikel 6 van de cao nr.32 bis (zoals aangepast door de cao 32 quinquies). In een arrest van 20.11.2003 (Abler ) ( R.W. 200'-2005, 825 met noot J. Peeters; J.T.T. 2000, p.120) heeft het Hof Van Justitie in een zaak die, wat betreft de feiten nagenoeg gelijkaardig is met de voorliggende zaak, zijn interpretatie, zoals die reeds in vroegere arresten minstens impliciet aanwezig was, vastgelegd en verfijnd. Het Hof besluit (nr.43) : "Mitsdien moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord dat art. 1 van richtlijn 77/187 aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing is op situaties waarin een opdrachtgever die het volledige beheer van de catering voor een ziekenhuis bij overeenkomst aan een eerste ondernemer had toevertrouwd, deze overeenkomst opzegt en voor dezelfde dienstverlening een nieuwe overeenkomst sluit met een tweede ondernemer, wanneer deze tweede ondernemer gebruik maakt van essentiële materiële activa die voorheen door de eerste ondernemer werden gebruikt en door de opdrachtgever achtereenvolgens aan elk van beiden ter beschikking werden gesteld, ook al zou de tweede ondernemer te kennen hebben gegeven dat hij niet van plan is het personeel van de eerste ondernemer over te nemen". Om tot deze conclusie te komen steunt het Hof op volgende elementen : De richtlijn 77/187 heeft tot doel, ook bij verandering van eigenaar, de continuïteit van de in het raam van een economische eenheid bestaande arbeidsverhoudingen te waarborgen. Voor de vraag of er sprake is van een overgang in de zin van de richtlijn, is derhalve een beslissend criterium of de identiteit van de betrokken eenheid bewaard blijft, wat met name blijkt uit het feit dat de exploitatie ervan in feite wordt voortgezet of hervat. (nr.29). Bij de beoordeling van de vraag of de overname van personeel een wezenlijk bestanddeel is van een overdracht van onderneming dient de nationale rechter rekening te houden met de aard van de betrokken onderneming of vestiging. Het belang dat moet worden gehecht aan de diverse criteria die bepalen of er sprake is van een overgang verschilt noodzakelijkerwijze naargelang van de uitgeoefende activiteit en zelfs van de productiewijze of de bedrijfsvoering in de betrokken onderneming, vestiging of onderdelen daarvan (nr.33-35). Catering kan niet beschouwd worden als een activiteit waarvoor arbeidskrachten de voornaamste factor zijn, aangezien daarvoor heel wat uitrusting noodzakelijk is. Toegespitst op de behandelde zaak stelt het Hof van Justitie vast dat de overnemer de voor de betrokken activiteiten benodigde materiële activa, zoals ruimten, water, energie alsook de kleine en grote keukenuitrusting had overgenomen. Bovendien bestond de uitdrukkelijke en essentiële verplichting de maaltijden in de ziekenhuiskeuken te bereiden en dus de materiële activa over te nemen. De overdracht van de door het ziekenhuis ter beschikking gestelde ruimten en uitrusting, die absoluut noodzakelijk is voor de bereiding en de verstrekking van de maaltijden aan de patiënten en personeelsleden van het ziekenhuis, is in die omstandigheden voldoende om van een overgang van een economische eenheid te spreken, zeker als het duidelijk is dat de nieuwe opdrachtnemer onvermijdelijk vrijwel de gehele klantenkring van zijn voorganger heeft overgenomen aangezien deze klanten geen ander cateringbedrijf kunnen kiezen (nr.36). In een dergelijke context is, opdat er sprake zou zijn van een overgang van een eenheid met behoud van haar identiteit, niet van wezenlijk belang dat de overnemer het personeel overneemt. Een andere oplossing zou strijdig zijn met de finaliteit van de richtlijn die erin bestaat de arbeidsovereenkomsten van de werknemers van de vervreemder te behouden zelfs tegen de wil van de verkrijger (nr. 37). Opdat er overgang van onderneming zou zijn is niet vereist dat er rechtstreeks contractuele verhoudingen bestaan tussen de overnemer en de verkrijger : de contractuele band kan tot stand komen door tussenkomt van een derde, bvb.de eigenaar of de verhuurder (nr.39). Zonder belang is dat de onderneming waarin de catering wordt uitgebaat eigenaar blijft van de werkruimte en van de uitrusting : de richtlijn is van toepassing zodra er in het raam van de contractuele betrekkingen een wijziging optreedt in de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming exploiteert en die uit dien hoofde werkgeversverplichtingen heeft tegenover de werknemer die in de onderneming zijn aangesteld (nr.40-42). 4. De aangehaalde overwegingen en de conclusie van het Hof van Justitie, die het arbeidshof tot de zijne maakt, maken een antwoord uit op de grieven die appellante aanvoert ten aanzien van het bestreden vonnis. Of er sprake is van een continuïteit in de onderneming, vraag die door de Nationale rechter dient te worden beantwoord, hangt af van de vraag of de identiteit van de betrokken eenheid bewaard blijft, wat met name blijkt uit het feit dat de exploitatie ervan in feite wordt voortgezet of hervat. Dit was in casu het geval. De omstandigheid dat de nv Siemens uitdrukkelijk een ‘discontinuïteit" zou gewenst hebben in de exploitatie weegt niet op tegen de feitelijke vaststelling, die door appellante niet tegengesproken wordt, dat er een overname geweest is van de materiële middelen waarmee de exploitatie werd uitgevoerd (ruimten en uitrusting), overname die absoluut noodzakelijk was voor de bereiding en de verstrekking van de maaltijden, en dat de identiteit van de betrokken eenheid verder bewaard bleef doordat de overnemer onvermijdelijk de gehele klantenkring van zijn voorganger overnam (personeel van de nv Siemens). De aanvoering van appellante dat zij een "specifieke economische activiteit met haar organisatie, haar knowhow, haar personeel, haar bedrijfsmiddelen en haar materiaal" zou aangebracht hebben wordt, is op geen enkele manier gestaafd. Appellante beperkt zich tot een aantal beweringen in besluiten maar ligt geen enkel stuk voor dat deze beweringen kan schragen. Er is ook geen aanleiding om een nieuwe prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. In zoverre de vraagstelling betrekking heeft op het element dat Siemens zou gevraagd hebben dat de catering met ander personeel zou worden uitgebaat, is reeds door het Hof van Justitie opgemerkt in zijn overweging nr. 37, dat de wil van de partijen, in dat geval van de overnemer, niet bepalend kan zijn om te oordelen of er sprake is van een overdracht van onderneming, vermits de doelstelling van de richtlijn er precies in bestaat de arbeidsovereenkomsten van de werknemers van de vervreemder te behouden. Partijen kunnen aldus niet de toepassing van de richtlijn uitsluiten door de keuze te maken het personeel niet over te dragen. Ook de partij nv Siemens kon niet door haar wil de toepassing van de richtlijn uitsluiten. In zoverre de vraagstelling betrekking heeft op de specifieke wijze waarop Belgocatering de cateringdienst zou verzorgen, verwijst het arbeidshof naar zijn overweging dat Belgocatering in het geheel niet bewijst dat zij de catering op een zeer specifieke wijze zou uitbaten die niet vergelijkbaar is met de vroegere uitbating. Voor het overige verwijst het hof naar de zeer volledige motivering van de eerste rechter waarbij het zich volledig aansluit. 5. De eerste rechter heeft derhalve terecht geoordeeld dat er sprake was van een overdracht van overneming, wat als gevolg had dat de arbeidsovereenkomst van mevrouw B. van rechtswege was overgedragen aan de nv Belgocatering en dat bijgevolg de nv Belgocatering, door de weigering mevrouw B. vanaf 1 juni 2004 tewerk te stellen, diens overeenkomst verbroken heeft. De eerste rechter heeft voor de begroting van sommige vorderingen van mevrouw B. de zaak naar de algemene rol verwezen. Ingevolge het devolutief karakter van het hoger beroep en het incidenteel beroep van mevrouw B. dient het hof over deze vorderingen uitspraak te doen, waarvoor op dit ogenblik overigens de dienstige gegevens voorliggen. 5.1. De gevorderde verbrekingsvergoeding. Mevrouw B. becijfert in haar besluiten de gevorderde verbrekingsvergoeding met verwijzing naar het toepasselijk uurloon (dat ook vermeld wordt op het C 4 formulier, het aantal uren per werkweek en de gevorderde termijn. De vordering is aldus voldoende gestaafd en kan bij gebreke van concrete betwisting door de nv Belgocatering toegekend worden voor het gevorderde bedrag van 1.121,00 euro bruto. De nv Belgocatering dient eveneens veroordeeld te worden tot afgifte van de wettelijke sociale en fiscale documenten met betrekking tot de toegekende verbrekingsvergoeding. Er zijn vooralsnog onvoldoende elementen om aan te nemen dat de nv Belgocatering, indien zij berust in het tussengekomen vonnis, in gebreke zou blijven deze sociale documenten af te leveren zodanig dat er geen aanleiding toe is, op dit ogenblik, om een dwangsom op te leggen. 5.2. De vergoeding wegens willekeurig ontslag. 5.2.1. Mevrouw B. vordert in toepassing van art. 63 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten een vergoeding wegens willekeurig ontslag, overeenstemmende met het loon van zes maanden. Zij stelt dat de nv Belgocatering geen redenen aanhaalt van persoonlijke aard of van economische aard waarop het ontslag zou kunnen gesteund zijn. De nv Belgocatering stelt daartegenover dat het ontslag niet willekeurig kan zijn omdat het gesteund is op een beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Dendermonde van 21 mei 2004. Zij stelt verder dat zij een prijsofferte gemaakt heeft op basis van de kostprijs van haar eigen personeel en dat zij toch niet kon verplicht worden om haar eigen personeel te ontslaan om dan eiseres in dienst te houden. 5.2.2. Overeenkomstig artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten wordt onder willekeurige ontslag verstaan, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodzakelijkheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst. Bij betwisting behoort het aan de werkgever het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen redenen. De werkgever, die een voor onbepaalde tijd aangeworven werkman op willekeurige wijze ontslaat, dient een vergoeding te betalen die overeenstemt met het loon van zes maanden. 5.2.3. De beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Dendermonde, waarnaar de nv Belgocatering verwijst, is gewezen in het kader van een procedure ingeleid door de nv Aramark tegen de nv Belgocatering, waarbij de nv Aramark vorderde dat de nv Belgocatering zou verplicht worden, op straffe van dwangsom, het personeel dat zij op 1 juni 2004 op de site van de nv Siemens te werk stelde, over te nemen. De voorzitter van de arbeidsrechtbank heeft deze vordering niet toelaatbaar geacht omdat aan de vereiste van hoogdringendheid niet was voldaan. De beslissing van de voorzitter van de arbeidsrechtbank kan aldus geen enkele grondslag geven aan de beslissing van de nv Belgocatering om het personeel niet over te nemen. In ieder geval zou deze beslissing, indien ze wel over de rechten van de partijen uitspraak zou gedaan hebben, de rechter ten gronde niet binden in toepassing van artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek. De nv Belgocatering houdt niet voor dat het ontslag gesteund is op het gedrag of de geschiktheid van mevrouw B.. De nv Belgocatering brengt geen voldoende elementen aan om aan te tonen dat het ontslag steunt op economische noodwendigheden. Indien zij in haar prijsofferte aan de nv Siemens uitgegaan is van de hypothese dat zij het bestaande personeel niet diende over te nemen, dan is dit een vergissing die haar alleen aanrekenbaar is. Zij kon en mocht niet ontwetend zijn over de wettelijke verplichtingen, zoals die voor haar voortvloeien uit de toepassing van de cao nr. 32 bis en uit de Europese richtlijnen. De nv Belgocatering toont ook geenszins aan dat zij voor het alternatief geplaatst werd hetzij het bestaande personeel over te nemen hetzij eigen personeel te ontslaan. Wanneer een cateringbedrijf een offerte indient voor de uitbating van een nieuwe cateringactiviteit kan er in de regel en behoudens bijzondere omstandigheden (zoals het verlies van een andere activiteit), niet van uitgegaan worden dat zij reeds personeel aangeworven heeft of in dienst heeft, nog voor de uitbating aan haar is toevertrouwd. Overigens blijkt uit stuk 3 van het dossier van de na Aramark dat onmiddellijk na de toewijzing van de opdracht, de nv Belgocatering een personeelsadvertentie heeft laten plaatsen voor twee keukenhulpen, twee koffiedames en 3 afwassers voor vestigingen te Huizingen te Brussel centrum, dit wil zeggen op de plaatsen waar de nv Siemens een bedrijfsrestaurant had. Verder blijkt uit de stukken 17, 18, 19 en 20 van de nv Aramark dat de nv Belgocatering personeelsleden van de nv Aramark, die voorheen werkten in het bedrijfsrestaurant van Siemens, een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden heeft (hetgeen overigens door de nv Belgocatering niet wordt tegengesproken). De nv Belgocatering, die niet aantoont dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van mevrouw B. steunt op haar gedrag of geschiktheid of op de noodwendigheden van de onderneming, dient derhalve veroordeeld te worden tot de door art. 63 van de wet 3 juli 1978 voorziene schadevergoeding overeenstemmend met het loon van 6 maanden. De vordering, waarvan het bedrag voldoende becijferd is en niet concreet betwist wordt, kan worden toegewezen. 5.3.De schadevergoeding wegens schending van de cao 3 december 2002. Mevrouw B. stelde voor de eerste rechter eveneens een vordering in op grond van een cao van 3 december 2002 afgesloten in het bevoegde Paritair Comité, waarin eveneens een verplichting tot overname van het personeel voorzien wordt en waarin een forfaitaire schadevergoeding van 6 maanden wordt voorzien per niet overgenomen werknemer, indien de overnemer zijn verplichtingen niet nakomt. De eerste rechter heeft terecht, en op basis van motieven die niet tegengesproken worden, geoordeeld dat deze cao geen toepassing vindt op de nv Belgocatering omdat deze cao niet algemeen verbindend verklaard was en Belgocatering niet aangesloten was bij een werkgeversorganisatie die partij was in de overeenkomst. De eerste rechter heeft dan ook terecht dit onderdeel van de vordering afgewezen. Het incidenteel beroep van mevrouw B. dient als ongegrond afgewezen te worden. 5.4. De morele schadevergoeding wegens de niet naleving van de cao nr. 32 bis. Mevrouw B. vorderde voor de eerste rechter ook een morele schadevergoeding van 1.000,00 euro gegrond op het feit dat de nv Belgocatering op bewuste wijze de bescherming van de cao nr. 32 bis zou miskend hebben. Mevrouw B. toont echter geenszins aan dat zij door de miskenning van de cao nr. 32 bis een morele schade geleden heeft. Zij heeft een schade geleden ingevolge de beëindiging van de arbeidsovereenkomst doch deze schade is gedekt door de verbrekingsvergoeding (in deze de beschermingsvergoeding) die haar toekomt en die forfaitair alle schade dekt, ook de morele, die het gevolg is van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (Cass.26.09.2005, s04.176N Htpp:/juridat.just.fgov.be). Dit onderdeel van de vordering is dan ook niet gegrond. 5.5. De intresten. De nv Belgocatering vraagt dat de intresten op de toegekende sommen enkel berekend worden op de overeenstemmende nettobedragen. Zij stelt dat het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 nietig is omdat het werd uitgevaardigd zonder dat het voorafgaandelijk advies werd ingewonnen van de Raad van State. Ter zitting vraagt zij dat het hof de uitspraak over de omvang van het recht op intresten zou voorbehouden, in afwachting van het antwoord op een prejudiciële vraag die inmiddels aan het Grondwettelijk Hof gesteld is. Overeenkomstig artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, tot wijziging van artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, wordt de rente op het loon berekend vooraleer de in artikel 23 van de wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Overeenkomstig artikel 90 van de wet van 26 juni 2002 heeft de nieuwe wet uitwerking op de door de Koning te bepalen datum. Overeenkomstig artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 treden de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juli 2002 in werking op 1 juli 2005. Volgens artikel 2 van hetzelfde Koninklijk Besluit heeft artikel 1 betrekking op het loon waarop het recht op betaling ontstaat na 1 juli 2005. Het recht op het loon, tot betaling waarvan de nv Belgocatering veroordeeld wordt, is ontstaan vóór 1 juli 2005, zodat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in deze geen toepassing vindt. De vraag naar de eventuele nietigheid van het Koninklijk Besluit is aldus niet relevant, net zo min als het antwoord op de prejudiciële vraag die aan het Grondwettelijk Hof gesteld is en die betrekking heeft op de situatie die zich voordoet, nadat de wet van 26 juni 2002 toepasselijk werd. Overigens werd aan de betwistingen over de wette-lijkheid van het Koninklijk Besluit een einde gesteld door artikel 69 van de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen, dat bepaalt : "Het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen wordt bekrachtigd." Art. 70 van dezelfde wet bepaalt dat artikel 69 uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2005. Vóór de wijziging van artikel 10 van de wet van 12 april 1965 dient er van uit gegaan te worden dat de werknemer slechts intresten kan vorderen op de sommen waarvoor hij over een effectieve vordering ten laste van de werkgever beschikt. Cass.7.04.2003,htpp:/juridat.just.fgov.be). 2. De vorderingen ten aanzien van nv Aramark. Vermits het hof tot de bevinding gekomen is dat ingevolge de cao nr. 32 bis de arbeidsovereenkomst van mevrouw B. van rechtswege overgedragen werd aan de nv Belgocatering en dat het Belgocatering is die onrechtmatig een einde gesteld heeft aan de arbeidsovereenkomst, kan mevrouw B. geen aanspraak maken op een vergoeding lastens de nv Aramark voor haar ontslag. Vermits de nv Aramark mevrouw B. niet ontslagen heeft (de C4 werd enkel opgesteld onder voorbehoud met de bedoeling mevrouw B. toe laten beroep te doen op de werkloosheidsverzekering) heeft zij mevrouw B. ook niet willekeurig kunnen ontslaan. De ingeroepen cao van 3 december 2002 voorziet enkel in een forfaitaire schadevergoeding ten aanzien van de onderneming die weigert de werknemers over te nemen bij overdracht van de onderneming. Deze cao biedt dan ook geen enkele grondslag voor de vordering van mevrouw B. ten aanzien van de nv Aramark. De oorspronkelijke vorderingen van mevrouw B. waren dus ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter dient bevestigd te worden en het incidenteel beroep van mevrouw B. dient afgewezen te worden. 3. De vordering ten aanzien van de nv Siemens. Volgens mevrouw B. zou de nv Siemens medeplichtig geweest zijn aan de niet naleving door nv Belgocatering van de verplichtingen voortvloeiend uit de cao nr. 32 bis. Zij stelt dat de nv Siemens een fout begaan heeft door de overeenkomst af te sluiten met een vennootschap waarvan zij wist dat zij de cao nr. 32 bis niet wenste na te leven. De nv Siemens zou verder onrechtstreeks bijgedragen hebben tot het ontslag van mevrouw B. door, in de gunningcriteria voor het toekennen van de uitbating, slechts een secundair belang toe te kennen aan het al dan niet respecteren van de cao nr. 32 bis. De nv Siemens betwist dat zij de nv Belgocatering er toe zou aangezet hebben de cao nr. 32 bis niet te respecteren door in de gunningcriteria weinig belang te hechten aan de naleving van de cao 32 bis. Zij stelt dat op dit gunningcriterium Belgocatering in werkelijkheid minder punten gekregen heeft dan de andere kandidaten en dat de gunning enkel te wijten is aan het feit dat op andere punten de nv Belgocatering betere resultaten zou behaald hebben. De verplichting om bij overgang van onderneming het personeel van de overgedragen onderneming over te nemen berust bij de overnemer en niet bij de vennootschap die beslist de exploitatie van de cateringactiviteit aan een andere vennootschap toe te kennen. De nv Siemens had derhalve geen enkele verplichting om in de gunningcriteria het respecteren van de cao nr. 32 bis als evaluatiecriterium op te nemen. Door dit toch te doen, zij het als een minder belangrijk criterium, illustreerde zij integendeel haar positieve wens dat de nieuwe uitbater de verplichtingen, zoals die volgden uit de cao 32 bis, zou respecteren. Aan de nv Siemens kan aldus geen fout verweten worden. Overigens en ten overvloede dient vastgesteld te worden dat mevrouw B. niet aantoont dat zij een schade geleden heeft die onderscheiden is van degene die gedekt is door de toegekende verbrekingsvergoeding (in casu beschermingsvergoeding). De vordering van mevrouw B. was aldus ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter dient bevestigt te worden en het incidenteel beroep van mevrouw B. afgewezen. 4. De vordering tegen de Belgische staat. Mevrouw B. heeft ter zitting afstand gedaan van deze vordering. Deze afstand van vordering werd door de Belgische Staat aanvaard. Mevrouw B. dient veroordeeld te worden tot de kosten van het geding. 5. De vordering in vrijwaring van de nv Aramark. Vermits alle vorderingen ten aanzien van de nv Aramark als ongegrond afgewezen werden is de vordering in vrijwaring zonder voorwerp. 6. De kosten. 1. Mevrouw B. vraagt dat de nv Belgocatering zou veroordeeld worden tot de kosten van de procedures die zij ingeleid heeft tegen de andere partijen. Overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder vonnis of arrest de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, tenzij bijzondere wetten het anders bepalen. Mevrouw B. is de in het ongelijk gestelde partij ten aanzien van de nv Aramark, de nv Siemens en de Belgische Staat. Omgekeerd is de nv Belgocatering ten aanzien van deze partijen geen in het ongelijk gestelde partij. Er zijn ook geen redenen om in toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, dat voor de toepassing van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek als een bijzondere wet kan beschouwd worden, de nv Belgocatering tot de kosten te veroordelen. Mevrouw B. heeft in haar uitsluitend belang, en minstens gedeeltelijk met het oog op het bekomen van aparte veroordelingen, andere partijen in het geding betrokken. Zij dient de kosten van deze gedingen zelf te dragen. Het vonnis van de eerste rechter dient op dit punt dan ook bevestigd te worden. 2. Eenzelfde oplossing moet gelden voor de kosten van het hoger beroep. Tussen mevrouw B. en de nv Belgocatering worden de kosten van het hoger beroep omgeslagen in de verhouding 3/4e ten laste van de nv Belgocatering en 1/4e ten laste van mevrouw B. 3. Ook de nv Aramark vraagt dat de nv Belgocatering zou veroordeeld worden tot alle kosten van het geding. Deze vraag is om de uiteengezette redenen ongegrond. De nv Aramark vraagt ook enkel de veroordeling van de nv Belgocatering tot de kosten en niet van Mevrouw B., zodat geen rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep aan haar kan toegekend worden. 4. Het nieuwe artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het ingevoerd werd door de wet van 21 april 2007 op de verhaalbaarheid van de erelonen van de advocaten, is van toepassing op de zaken die hangend waren op het ogenblik van haar inwerkingtreding op 1 januari 2008 (art. 13 van de wet). Het vindt geen toepassing op de procedures voor de arbeidsrechtbank, waarin een eindvonnis was tussengekomen voor de invoegetreding van de nieuwe wet. Ten onrechte aldus vordert de Belgische Staat een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg, berekend in toepassing van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot uitvoering van de wet van 21 april 2007. OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; 1. Veroordeelt de nv Belgocatering tot betaling aan mevrouw B. van : de som van euro 1.121,00 als verbrekingsvergoeding; de som van euro 4.858,00 als vergoeding wegens willekeurig ontslag beide sommen te vermeerderen met de wettelijke intresten op het overeenstemmend nettobedrag vanaf 1 juni 2004; Veroordeelt de nv Belgocatering tot afgifte van de wettelijke sociale en fiscale documenten met betrekking tot deze som; Wijst het meer gevorderde af; 2. Verklaart het incidenteel beroep van mevrouw B. ten aanzien van de nv Aramark en ten aanzien van de nv Siemens ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis, ook voor wat betreft de kosten; 3. Geeft akte aan mevrouw B. van haar afstand van vordering ten aanzien van de Belgische staat; Veroordeelt haar tot de kosten van het beroep; 4. Verklaart het incidenteel beroep van de nv Aramark tegen de nv Belgocatering zonder voorwerp; Veroordeelt de nv Belgocatering tot de kosten van de procedure in eerste aanleg ten aanzien van mevrouw B. en begroot deze in haren hoofde op 1/4e van de dagvaardingskosten of euro 84,30 en euro 214,18 rechtsplegingsvergoeding; Veroordeelt de nv Belgocatering tot 3/4e van de kosten van het hoger beroep en mevrouw B. tot 1/4e van de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van beide partijen op euro 1.100,00; Veroordeelt mevrouw B. tot de kosten van het hoger beroep t.a.v. de nv Siemens, begroot op euro 400,00 en t.a.v. de Belgische Staat, begroot op euro 1.100,00; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 20 oktober 2008 en ondertekend door : De Heren : F. KENIS : Raadsheer, E. MAGNUS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, D. VANHAGENDOREN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Griffier, E. MAGNUS D. VANHAGENDOREN D. DE RAEDT F. KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081020.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div