← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081024.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 24 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081024.11 Rolnummer: 48.483 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-11-13 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 18:10 Fiche Voor de toepassing van een algemeen verbindend verklaarde CAO moet de rechter dezelfde interpretatieregels volgen als voor de toepassing van een verordening van de uitvoerende macht. Hij moet de draagwijdte van de CAO zelf achterhalen. Wanneer men in artikel 3 van de CAO van 21 mei 2001 van het paritair comité voor de gezondheidsdiensten het toepassingsgebied omschrijft als «het verplegend, verzorgend personeel dat effectief verplegende en verzorgende taken uitoefent», dan dienen de personen, die erkend zijn ingevolge artikel 54bis van het KB nr. 78 van 10 november 1967, hierin te worden begrepen, daar ze, ook al hebben ze geen verpleegkundig diploma, bij overgangsmaatregel gemachtigd worden om aan verpleging te doen, terwijl hun aanvraag inhoudt dat ze ook effectief deze taken uitoefenen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - C.A.O.-wet - 5 december 1968 - Collectieve arbeidsovereenkomsten - Algemeen Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - PARITAIRE COMITES - Collectieve arbeidsovereenkomsten - Interpretatie. Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 21-05-2001 - 3 - 39 Link Justel databank 20010521-39 Nota: Gerangschikt onder IV C - CPC 330 - CAO 21.05.2001, art. 3. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 OKTOBER 2008. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE V.Z.W. PROVINCIALAAT BROEDERS VAN LIEFDE, met zetel gevestigd te 9000 Gent, Stropstraat, 119, ondernemingsnummer 0406.633.304, Appellante, vertegenwoordigd door Mter J. Vande Moortel, advocaat te 9000 Gent; Tegen : De Heer A. J., wonende te [xxx], Geïntimeerde, verschijnend in persoon, bijgestaan door Mter K. Timmermans, advocaat te 300 Leuven; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven (Eerste kamer B) op 3 maart 2005; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 3 april 2006; - de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 2 oktober 2006 en 28 december 2006; - de besluiten en synthesebesluiten van appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 31 oktober 2006 en 22 juni 2007; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 2 oktober 2006, - de bundel met stukken neergelegd door appellante partij ter griffie op 27 augustus 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 19 september 2008, waarna de debatten gesloten werden. x x x 1. DE FEITEN EN RECHTSPLEGING De heer J. A. kwam op 1 maart 1986 als maatschappelijk werker bij het Universitair Psychiatrisch Centrum Sint Kamillus te Bierbeek in dienst van de V.Z.W. Provincialaat Broeders van Liefde. In artikel 14 van de geschreven arbeidsovereenkomst van 10 januari 1986 voorziet men de volgende bijzondere voorwaarde : paramedici werken in wisselend ploegensysteem met een beurtrol voor de zon - en feestdagdiensten evenals voor de nachtdiensten. Verder wordt overeengekomen dat de werknemer kan tewerkgesteld worden zowel in het psycho - sociaal centrum als in het psychiatrisch centrum Sint Kamillus te Bierbeek. Op 28 april 1989 wordt deze arbeidsovereenkomst hernieuwd en wordt opnieuw bepaald dat de paramedici werken in een wisselend ploegensysteem met een beurtrol voor de zon - en feestdagendiensten. In toepassing van artikel 54bis van het K.B. nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies ( hierna genoemd K.B. 78), kent de Nederlandstalige geneeskundige commissie van Brabant hem het voordeel toe om werkzaamheden behorend tot de geneeskunde uit te oefenen overeenkomstig een bijgevoegde verklaring, waarin medische handelingen worden vermeld met betrekking tot behandelingen van huid en zintuigen, medicamenteuze toedieningen, voedsel en vochttoediening, hygiëne, fysische beveiliging en diagnose. Op 21 mei 2001 wordt in het paritair comité voor de gezondheidsdiensten een C.A.O. afgesloten met betrekking tot de vrijstelling van arbeidsprestaties in het kader van de einde loopbaanproblematiek. Volgens artikel 3 vallen volgende personeelsleden onder het toepassingsgebied van deze C.A.O.: - het verplegend, verzorgend personeel dat effectief verplegende en verzorgende taken uitoefent, - het verplegend en verzorgend personeel dat hen omkadert - het gelijkgesteld personeel. De heer J. wenst te genieten van de voordelen van deze C.A.O. en het is niet betwist dat hij niet behoort tot het omkaderend verplegend en verzorgend personeel, noch tot het gelijkgesteld personeel, maar hij houdt wel voor dat hij gelet op zijn erkenning ingevolge artikel 54bis van het KB 78 behoort tot het verplegend of verzorgend personeel dat effectief verplegende en verzorgende taken uitoefent. Omtrent deze vraag bestond er een aanhoudende discussie tussen appellante en de vakorganisaties en op 24 februari 2004 dagvaardt de heer J. zijn werkgever in betaling van de premies ingevolge deze C.A.O. ten bedrage van euro 7.135,83 voor de periode van 1 augustus 2001 tot 31 december 2003, vermeerderd met het vakantiegeld hierop, en tot toekenning van het recht op de vrijstelling vanaf 1 januari 2004, in ondergeschikte orde tot het bekomen van een schadevergoeding gelijk aan deze bedragen. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Leuven van 3 maart 2005 wordt geoordeeld dat de heer J. valt onder de categorie verplegend/verzorgend personeel die dergelijke taken ook effectief uitoefende, zodat de C.A.O. van 21 mei 2001 op hem van toepassing wordt verklaard; zijn vordering wordt ontvankelijk en gegrond verklaard voor de gevraagde premies van euro 7.135,83 over de periode van 1 augustus 2001 tot 31 december 2003, terwijl hem voorbehoud wordt verleend voor de periode vanaf 1 januari 2004 en dit onderdeel naar de bijzondere rol wordt verzonden. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 3 april 2006, tekent de V.Z.W. Provincialaat Broeders van Liefde hoger beroep aan en betwist de oorspronkelijke vordering van de heer J.. 2 . BEOORDELING Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 1. Interpretatie van een algemeen verbindend verklaarde C.A.O. De C.A.O. van 21 mei 2001 betreffende de vrijstelling van arbeidsprestaties in het kader van de einde loopbaanproblematiek, afgesloten in het paritair comité voor de gezondheidsdiensten ( PC 305) werd algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 14 januari 2002 ( B. S. 19 januari 2002). Voor de toepassing van een algemeen verbindend verklaarde C.A.O. moet de rechter dezelfde interpretatieregels volgen als voor de toepassing van een verordening van de uitvoerende macht. Hij moet de draagwijdte van de C.A.O. zelf achterhalen. Daarvoor mag hij natuurlijk rekening houden met de bedoeling van degenen die de regeling tot stand hebben gebracht, ten deze de organisaties die de C.A.O. hebben gesloten. Maar men mag de wil van de partijen niet laten prevaleren boven de draagwijdte van de C.A.O. zelf. Een door de partijen gegeven commentaar bij een algemeen verbindend verklaarde C.A.O. kan de rechter behulpzaam zijn bij de interpretatie, zonder dat deze uitlegging zich als bindend aan de rechter kan opdringen. ( Conclusie advocaat - generaal H. Lenaerts bij Cass., 14 april 1980, R.W. 1980 -1981, 112, nr. 15). Een achteraf gegeven uitlegging van de partijen kan echter nooit zover gaan dat hij afwijkt van hetgeen zij werkelijk overeengekomen zijn toen zij de C.A.O. hebben aangegaan ( zelfde conclusie, 15). Partijen hebben discussie in hoeverre een erkenning in het kader van artikel 54bis van het K.B. 78 inhoudt dat men behoort tot het verplegend, verzorgend personeel dat effectief verplegende en verzorgende taken uitoefent, waardoor men onder het toepassingsgebied valt van artikel 3 van de C.A.O. van 21 mei 2001. Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat deze omschrijving niet zo duidelijk is dat ze geen interpretatie behoeft. Uit de tekst van artikel 3 volgt dat men verplegend of verzorgend personeel beoogt, maar dat dit personeel ook effectief verplegende en verzorgende taken moet uitoefenen. Voor de vaststelling van de activiteiten die begrepen zijn onder de "verpleegkunde", is de wetgever op een tweeledige wijze te werk gegaan : enerzijds, werd in artikel 21quater §1 van het K.B. 78 een algemene omschrijving gegeven van de verpleegkunde; anderzijds, verleent artikel 21quater §2 , de Koning de bevoegdheid de lijst van de in paragraaf 1,

  1. b)van dat artikel bedoelde technische verpleegkundige prestaties, alsook de uitvoeringsmodaliteiten en de vereiste kwalificatievoorwaarden, vast te stellen; hiertoe werd het K.B. van 18 juni 1990 genomen (Gr. H. 183/2002, 11 december 2002, B.2.3.). Artikel 54bis van het K.B. 78 voorziet hierbij in een overgangsregeling (Gr. H. 183/2002, 11 december 2002, B.1.4.), die wenste rekening te houden met de situatie van de personen die, voor de nieuwe reglementering, de verpleegkunde uitoefenden zonder in het bezit te zijn van het vereiste diploma; dit overgangsartikel luidt: "§1. De personen die niet voldoen aan de in artikel 21quater gestelde bekwaamheidseisen, maar die op de datum van 1 september 1990 sinds minstens drie jaar tewerkgesteld geweest zijn in een verzorgingsinstelling ... mogen dezelfde werkzaamheden blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van de verpleegkunde die zulke prestaties uitvoeren. §2. Op straffe van verlies van het voordeel verleend bij de bepaling van §1 van dit artikel, moeten zij zich bij de bevoegde geneeskundige commissie bekendmaken binnen de termijn en op de wijze bepaald door de Koning; bij deze gelegenheid vermelden zij de werkzaamheden waarvoor ze het voordeel van verkregen rechten inroepen." In de arresten van het Grondwettelijk Hof nr. 154/2002 van 6 november 2002 en 183/2002 van 11 december 2002 werd geoordeeld dat deze bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het van de personen die niet voldoen aan de bekwaamheidseisen van artikel 21quater vereist dat zij op 1 september 1990 gedurende minstens drie jaar in een verzorgingsinstelling tewerkgesteld zijn; in het arrest 154/2002 wordt hieraan toegevoegd dat het artikel 54bis geen schending inhoudt, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat de personen die het voordeel ervan aanvragen, op het tijdstip van hun aanvraag nog steeds de werkzaamheden uitvoeren waarvoor zij op het voordeel aanspraak maken. Uit deze arresten van het Grondwettelijk Hof kan dus afgeleid worden dat de zogenaamde artikel 54bissers bij overgangsmaatregel gelijkgesteld worden met de verpleegkundigen, maar dat zij dit voordeel slechts kunnen vragen op voorwaarde dat ze ook de aangeduide verpleegkundige werkzaamheden uitvoeren. Het artikel 54bis wordt uitgevoerd door het K.B. van 8 september 1993, dat voorziet dat de aanvrager de uitgevoerde werkzaamheden moet aanduiden op een geëigend model, maar deze verklaring moet voor waar en echt worden verklaard door de verpleegkundig-verantwoordelijke van de verzorgingsinstelling waar de zorgen aan de patiënten worden verricht (artikel 4 c van het K.B. van 8 september 1993); de waarachtigheid van de uitgevoerde prestaties wordt dan ook gecertificeerd door de verantwoordelijke van de instelling. Wanneer men in artikel 3 van de C.A.O. van 21 mei 2001 het toepassingsgebied omschrijft als het verplegend, verzorgend personeel dat effectief verplegende en verzorgende taken uitoefent, dan dienen de zogenaamde artikel 54bissers hierin te worden begrepen, daar ze, ook al hebben ze geen verpleegkundig diploma, bij overgangsmaatregel gemachtigd worden om aan verpleging te doen, terwijl hun aanvraag inhoudt dat ze ook effectief deze taken uitoefenen. Deze interpretatie wordt bevestigd door de werkgroep die in verband met de toepassing van de C.A.O. van 21 mei 2001 werd opgericht en waarvan de bevindingen werden goedgekeurd in de notulen van de voltallige vergadering van het Paritair Comité voor de Gezondheidsdiensten van 18 november 2002; op p. 8 onder
  2. f)van deze notulen wordt de vraag gesteld of de sociaal assistenten verzorgenden zijn in de psychiatrie, waarop bevestigend wordt geantwoord; de sociaal assistenten worden hier onderscheiden van paramedici als kinesisten, ergotherapeuten, logopedisten, psychologen ..., die niet als verzorgenden, maar wel als gelijkgestelden onder het toepassingsgebied van de C.A.O. kunnen vallen. Op dezelfde bladzijde wordt onder
  3. g)gevraagd of de 54bissers, die van dit statuut gebruikmaken en een verzorgende taak hebben, onder het toepassingsgebied vallen en ook hierop wordt bevestigend geantwoord; een gelijkaardig antwoord vinden we op vraag 1 blz. 1. Op het einde van dit verslag wordt aangegeven dat antwoorden die niet duidelijk zijn, omdat de vragen nog niet opgelost zijn of in beraad bleven, met een grote streep in de marge worden aangeduid, wat niet het geval is bij de hierboven aangehaalde antwoorden. Ook al zijn deze commentaren opgesteld na het afsluiten van de C.A.O., toch bevestigen zij de mening van de sociale partners, die de C.A.O. hebben aangegaan en dit commentaar is niet in strijd met de tekst van artikel 3. Bovendien werd ook door de Minister van Sociale Zaken en door zijn adviseur-generaal bevestigd dat de artikel 54bissers in de psychiatrische ziekenhuizen kunnen toegevoegd worden aan het verpleegkundig en verzorgend personeel; het V. V. I. merkt hierbij terecht op dat deze minister geen bevoegdheid heeft om zich uit te spreken over het toepassingsgebied van de C.A.O., maar het is wel zo dat deze minister de bevoegdheid heeft om dit te doen wat betreft de toepassing van artikel 54bis van het K.B. 78. In de nieuwe C.A.O. van 26 oktober 2005 wordt het toepassingsgebied anders omschreven dan in de C.A.O. van 2001 en hierin wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van de zogenaamde artikel 54bissers; gelet op de verschillende omschrijving, is dit echter zonder belang voor de interpretatie van de C.A.O. van 21 mei 2001. 2. Toepassing Uit de beslissing van de Nederlandstalige geneeskundige commissie van Brabant van 12 mei 2000 volgt dat aan de heer J. A. in toepassing van artikel 54bis van het K.B. 78 het voordeel van verkregen rechten werd toegekend om de werkzaamheden behorende tot de verpleegkunde uit te oefenen. Deze beslissing stelt uitdrukkelijk dat de heer J. hierdoor niet gemachtigd wordt om de titel te dragen van gekwalificeerd beoefenaar van de verpleegkunde; dit is evident, omdat artikel 54bis van het K.B. 78 juist een afwijking bij overgangsmaatregel inhoudt voor diegenen die niet over het diploma van verpleegkundige beschikken. In artikel 3 van de C.A.O. van 21 mei 2001 wordt ook niet gesproken over gediplomeerde verpleegkundigen of verzorgenden, maar wel over het verplegend, verzorgend personeel dat effectief verplegende en verzorgende taken uitoefent. Uit de lijst van de handelingen waarvoor de heer J. het voordeel van de verworven rechten verkreeg, volgt verder dat hij wel degelijk effectief verplegende en verzorgende taken uitoefent. Deze lijst wordt opgesteld in samenwerking met de verpleegkundige verantwoordelijke van appellante. De effectieve uitvoering van de in de lijst vermelde taken kan dan ook niet worden ontkend en artikel 3 van de C.A.O. stelt niet als voorwaarde dat deze taken tot het primaire takenpakket van de heer J. dienen te behoren; aldus is het feit dat in het organigram van de afdeling van de heer J. ook een verpleegkundige is opgenomen, niet relevant. Het is evenmin relevant dat in de arbeidsovereenkomst de heer J. wordt aangeduid als paramedicus, terwijl dit niet overeenkomt met de lijst van de beroepen die door de Koning zijn aangeduid in toepassing van artikel 22bis van het K.B. 78; de heer J. genoot immers het voordeel van artikel 54bis. Evenmin dient bovenvermelde uitlegging van artikel 3 van de C.A.O. tot een willekeurige en een ongeoorloofde discriminatie te leiden, daar juist de uniforme toepassing van artikel 3 geen aanleiding zal geven tot ongelijkheid. De heer J. heeft derhalve recht op de premies, die ingevolge de C.A.O. verschuldigd zijn en die door hem werden begroot op euro 7.135,83 voor de periode van 1 augustus 2001 tot 31 december 2003; op deze becijfering wordt door appellante geen kritiek gegeven. Tevens staat vast dat de heer J. met ingang van 1 januari 2004 geen vrijstelling van prestaties heeft bekomen, zodat hij voor de periode vanaf 1 januari 2004 een bijkomende premie, minstens een schadevergoeding van euro 9.956,28 vordert; ook op deze becijfering wordt door appellante geen kritiek gegeven. De heer J. breidt ten slotte zijn vordering uit en vraagt dat het Hof op basis van de C.A.O. van mei 2001 een uitspraak zou doen over zijn rechten op de betaling van een premie voor de toekomst; deze uitbreiding is onontvankelijk, daar hij aldus een vordering ‘ad futurum' stelt, waarvoor hij geen reeds verkregen en dadelijk belang heeft. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, zij het op andere gronden en trekt de zaak aan zich om het vonnis verder uit te werken, wat betreft de periode vanaf 1 januari 2004; Veroordeelt voor de periode vanaf 1 januari 2004 appellante tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag van euro 9.956,28., te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten. Veroordeelt appellante tot afgifte van de sociale en fiscale bescheiden voor de toegekende bedragen. Wijst het meer gevorderde af. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, deze begroot aan de zijde van appellante op rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 218,64 en rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 1.100,00 hetzij een totaal van euro 1.318,64 en aan de zijde van geïntimeerde op dagvaardingskosten euro 103,85 en rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. euro 1.100 ,00 hetzij een totaal van euro 1.203,85 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, De heer S. VAN DER HOEVEN, Adjunct-griffier. L. LENAERTS, S. VAN DER HOEVEN. L. REYBROECK.. A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 24 oktober 2008 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door de heer S. VAN DER HOEVEN, Adjunct-griffier. L. LENAERTS S. VAN DER HOEVEN. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081024.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.