← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081024.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 24 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081024.5 Rolnummer: 49.896 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-11-13 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 18:11 Fiche 1 Een arbeidsovereenkomst kan vóór het begin van uitvoering beëindigd worden met een opzeggingstermijn die aanvangt voordat de overeenkomst normaal zou ingaan. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Opzegging vóór begin van uitvoering. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II CN art.

  1. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder IV B art. 5bis (CAO nr. 38, NAR van 5.12.1983, art. 3). Fiche 2 De kosten van examens en onderzoeken, verricht in het raam van een selectieprocedure, zijn voor rekening van de werkgever, indien hij daartoe de opdracht heeft gegeven, zodat deze niet kunnen teruggevorderd worden van een bediende, die voor het begin van uitvoering een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsraad - Nationale arbeidsraad - W. 29 mei 1952 - Werking - art. 4 -10 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - NATIONALE ARBEIDSRAAD - COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST NAR nr 38 Wettelijke bepalingen: Wet - 29-05-1952 - 5bis - 01 ELI link Pub nr 1952052902 Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 38 - 05-12-1983 - 3 - 01 Link Justel databank 19831205-01 Nota: Gerangschikt onder IV B art. 5bis (CAO nr. 38, NAR van 5.12.1983, art. 3). Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II CN art.
  2. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 OKTOBER
  3. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V.O.F. VANDERMARLIERE Luc, met zetel gevestigd te 3300 Tienen, Goossensvest, 36, ingeschreven onder K.B.O. nr. 0474.351.180, Appellante, vertegenwoordigd door Mter P. De Cleyn, advocaat te 3000 Leuven; Tegen : Mevrouw C. H., wonende te [xxx], Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter Föhrer loco Mter Ph. Warnants, advocaat te 3500 Hasselt; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven (Eerste kamer B) op 5 april 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 30 mei 2007; - de besluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 19 februari 2008;: - de besluiten van appellante neergelegd ter griffie op 23 juni 2008, - de bundel met stukken neergelegd door appellante partij ter griffie op 3 september 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 19 september 2008, waarna de debatten gesloten werden. x x x
  4. FEITEN EN RECHTSPLEGING Op 21 april 2005 ondertekenden de partijen een arbeidsovereenkomst, waarbij mevrouw H. door de V.O.F. Vandermarliere werd aangenomen als voltijds bediende (administratief medewerkster) vanaf 1 oktober 2005 tegen een bruto bezoldiging van euro 1500 per maand. Mevrouw H. was op dat ogenblik nog tewerkgesteld bij een andere werkgever, waar ze niet tevreden was omwille van de rivaliteit met een collega; deze laatste besliste echter om op 1 september 2005 dit werk te verlaten en omdat aldus haar probleem was opgelost, overwoog mevrouw H. om op dit werk te blijven. Toen de heer Vandermarliere hiervan iets opving, bevroeg hij mevrouw H. omtrent haar intenties bij e-mail van 19 augustus
  5. Mevrouw H. antwoordde bij e-mail van 20 augustus dat zij dit onder vier ogen nader wilde toelichten, maar dat zij het jammer zou vinden als zij nu zou moeten vertrekken bij haar toenmalige werkgever en dat zij zich wilde verontschuldigen voor haar keuze, die de heer Vandermarliere zou teleurstellen; aansluitend beëindigde zij de voorgenomen arbeidsovereenkomst bij aangetekende brief van 24 augustus 2005 met een opzeggingstermijn van 1,5 maanden, ingaande op 1 september
  6. Toen zij op 3 oktober 2005 niet verscheen op het gerechtsdeurwaarderskantoor L. Vandermarliere, liet deze aan mevrouw H. weten dat hij een verdere afwezigheid als éénzijdige contractbreuk zou beschouwen. Bij aangetekende brief van 9 november 2005 vroeg hij een opzeggingsvergoeding voor de periode van 1 oktober 2005 tot 15 oktober 2005 of euro 712,50; mevrouw H. haalde de aangetekende brieven echter niet af. De V.O.F. Vandermarliere dagvaardde mevrouw H. op 6 februari 2006 in betaling van de opzeggingsvergoeding van euro 712,50 en in terugbetaling van de wervings- en selectiekosten van euro 4.184,
  7. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Leuven van 5 april 2007 werd deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard, omdat mevrouw H. de arbeidsovereenkomst reeds met haar e-mail van 20 augustus 2005 verbroken had en zij de V. O. F. ruimschoots tijdig verwittigde, terwijl er in de wet geen bijzondere regel voorzien is voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst voor het begin van uitvoering; de vraag tot betaling van de kosten van werving en selectie werd in strijd geacht met artikel 3 van de C.A.O. 38 bis van 6 december
  8. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 30 mei 2007, tekende de V. O. F. hoger beroep aan en hernam zij haar oorspronkelijke vordering.
  9. BEOORDELING Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.
  10. De opzeggingsvergoeding In de e-mail van mevrouw H. van 20 augustus 2005 gebruikt zij weliswaar het woord "verbreken" van de arbeidsovereenkomst, maar dit moet in zijn gehele context worden gezien, waar mevrouw H. haar situatie wil bespreken met de heer Vandermarliere, waarvoor ze zelfs een afspraak voorstelt. Deze afspraak is uiteindelijk niet kunnen doorgaan en zij heeft dan op 24 augustus 2005 haar aangetekende opzeggingsbrief verzonden; het is in de gegeven context slechts op dat ogenblik dat ze een uitdrukkelijke ontslaghandeling (met opzegging) heeft gesteld. Ze bepaalde de opzeggingstermijn op 1,5 maanden, ingaande op 1 september 2005, zijnde voor de tussen partijen overeengekomen begindatum van de arbeidsovereenkomst. Deze situatie is gelijkaardig aan de feiten, die ten grondslag lagen aan het cassatiearrest van 26 september 1994 (J.T.T. 1994, 472); het Hof van Cassatie oordeelde, en het hof sluit zich daarbij aan, dat geen enkele wetsbepaling vereist dat de opzegging gegeven wordt wanneer de uitvoering van de overeenkomst begonnen is of dat de overeenkomst uitgevoerd zou worden tijdens de opzeggingstermijn die verstrijkt voordat de partijen contractueel tot uitvoering zijn verplicht. Hieruit kan afgeleid worden dat een overeenkomst voor het begin van uitvoering kan beëindigd worden met een opzeggingstermijn, die aanvangt voordat de overeenkomst normaal zou ingaan. (vgl. I. PLETS, Beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor het begin van uitvoering van de arbeidsovereenkomst en tijdens de opzegtermijn, T.S.R. 1998, 556, nr. 15). Maar doordat mevrouw H. haar opzeggingstermijn van 1,5 maanden laat ingaan op 1 september 2005, diende zij alleszins van 1 oktober tot 15 oktober 2005 haar opzegging te presteren, wat zij niet gedaan heeft en waardoor zij uitdrukkelijk de wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft uitgedrukt; terecht heeft de werkgever dan ook de contractbreuk vastgesteld, zodat mevrouw H. de gevorderde opzeggingsvergoeding van 15 dagen, begroot op euro 712,50, verschuldigd is; het hoger beroep is op dit punt gegrond.
  11. De schadevergoeding wegens selectie en rekruteringskosten Uit de stukken 10 en 11 van appellant, m.n. de facturen van ADMB Select, blijkt dat appellant de rekruterings- en selectiekosten wil terugvorderen, die betrekking hebben op de aanwerving van mevrouw H.. Artikel 3 van de C.A.O. 38 N.A.R. van 5 december 1983 bepaalt : "de kosten van examens en onderzoeken, verricht in het raam van een selectieprocedure, zijn voor rekening van de werkgever, indien hij daartoe de opdracht heeft gegeven." De commentaar bij dit artikel zegt : "dit artikel strekt ertoe te vermijden dat de sollicitant zelf de examens en onderzoeken, die binnen het kader van de selectieprocedure worden verricht, zou moeten bekostigen. Het gaat hierbij meer bepaald om testen en onderzoeken, die in opdracht van de werkgever, door deskundigen worden uitgevoerd." Terecht heeft de eerste rechter dan ook dit onderdeel van de vordering van appellante ongegrond verklaard. Tevergeefs wil appellante nog heil vinden in het argument als zou deze vordering de schade vergoeden die het gevolg zou zijn van een onrechtmatige daad van mevrouw H.; hierbij houdt appellante in wezen voor dat het ontslag onrechtmatig is door de selectiekosten; in het Belgisch arbeidsrecht is er echter ontslagvrijheid voor beide partijen; bovendien heeft een opzeggingsvergoeding een forfaitair karakter en dekt de volledige schade die door het ontslag wordt veroorzaakt. (Cass., 7 mei 2001, J.T.T. 2001, 410). Op dit punt is het hoger beroep dan ook alleszins ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het betreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante gedeeltelijk gegrond en veroordeelt mevrouw C. H. tot betaling aan de V. O. F. Luc Vandermarliere van een bedrag van euro 712,50,te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 3 oktober 2005 en de gerechtelijke intresten Wijst het meer gevorderde af. Compenseert de gerechtskosten en veroordeelt mevrouw C. H. tot 1/6 en de V. O. F. Luc Vandermarliere tot 5/6 van de kosten van beide aanleggen,deze aan de zijde van appellant begroot op dagvaarding euro 119,94 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 218,64 rechtsplegingsvergoeding beroep euro 650,00 totaal euro 988,58 En aan de zijde van geïntimeerde op rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 218,64 rechtsplegingsvergoeding beroep euro 650,00 totaal euro 868,64 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, De heer S. VAN DER HOEVEN, Adjunct-griffier. L. LENAERTS, S. VAN DER HOEVEN. L. REYBROECK.. A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 24 oktober 2008 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door de heer S. VAN DER HOEVEN, Adjunct-griffier. L. LENAERTS S. VAN DER HOEVEN. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081024.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.