← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081028.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 28 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081028.13 Rolnummer: 50.235 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-07-29 Raadplegingen: 213 - laatst gezien 2026-07-02 18:11 Versie(s): Vertaling FR Fiche Zodra de arbeidsovereenkomst is beëindigd, kunnen partijen geldig een dading sluiten over de rechten en plichten die uit die overeenkomst voortvloeien. Een dading is een wederkerig overeenkomst tussen partijen die wederzijdse toegevingen doen om een geschil te beëindigen of te voorkomen. Het is niet noodzakelijk dat de toegevingen die partijen doen, uitdrukkelijk in de tekst van de dading worden opgenomen. Het toelaten van het verder gebruik van de bedrijfswagen gedurende een aantal maanden, kan als een toegeving worden beschouwd. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Dading Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - Einde van de arbeidsovereenkomst - Dading - Definitie - Toegevingen. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2044 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Nota: Gepubliceerd in JTT 2009, p.

  1. Gerangschikt onder I B art.
  2. Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2009(137-138) Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ACHT. 3e KAMER bediendecontract op tegenspraak gedeeltelijk definitief en heropening van de debatten In de zaak : R. , wonende te [xxx], appellant, vertegenwoordigd door meester R. Swennen, advocaat te Zellik, tegen : UNISYS BELGIUM, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1130 Brussel, Bourgetlaan 20, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester S. Cockx in eigen naam en loco meester P. Maerten, beiden advocaat te Brussel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 12 juli 2007, waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 11 september 2007; -de conclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 16 november
  3. - de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 30 september 2008, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden. * * * RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING R. is op 19 maart 2001 in dienst getreden van de nv Unisys Belgium (hierna de vennootschap genoemd) met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Bij schrijven van 30 september 2003 beëindigde de vennootschap de arbeidsovereenkomst met een opzeggingsvergoeding gelijk aan drie maanden loon. Op 10 oktober 2003 ondertekenden partijen een dading waarin het volgende werd overeengekomen: -de betaling van een opzeggingsvergoeding van 34.112,42 euro gelijk aan anderhalve maand loon -de betaling van een uitwinningsvergoeding van 29.239 euro bruto; -de commissies voor de periode juni 2003 tot december 2003 zouden worden betaald in januari 2004; -de firmawagen zou ten laatste op 31 december 2003 worden ingeleverd; -er zou outplacement worden toegekend voor 60 uur met een waarde van 3.500 euro; -geheimhoudingsclausule. Bij e-mail van 7 november 2003 stelde de heer R. dat er een misverstand was omtrent de betaling van een bedrag met betrekking tot de verkoop van goederen in
  4. Bij e-mail van 18 november 2003 antwoordde de vennootschap dat overeenkomstig de afgesloten dading alleen nog commissies verschuldigd waren voor de periode juli tot december
  5. Op 6 februari 2004 leverde de heer R. zijn wagen in en werd er op 4 plaatsen schade vastgesteld. Voor deze vier schadegevallen en voor een schadegeval van 2002 werd een bedrag van 619,75 euro (5 maal een franchise van 123,95 euro) ingehouden overeenkomstig de car policy. Bij e-mail van 15 maart 2004 betwistte de heer R. de berekeningswijze van de commissielonen voor de maanden juli tot december 2003 en de inhouding van 619,75 euro. Hij vorderde terugbetaling van de waarborg van 372 euro. Bij e-mail van 18 maart 2004 verantwoordde de vennootschap haar betaling van de commissielonen en de inhouding voor de schade aan de wagen en kondigde de terugbetaling van de waarborg aan. Op 23 augustus 2004 stelde de heer R. de vennootschap in gebreke tot betaling van het saldo commissie semester 2003, een bonus voor de in 2002 gedane verkopen voor de periode oktober tot en met december, het ingehouden bedrag voor de schade aan de wagen, de schadevergoeding op basis van het gesloten concurrentiebeding en de wettelijke en gerechtelijke intresten. Bij schrijven van 6 september 2004 verwees de vennootschap naar de tussen partijen afgesloten dading. Bij dagvaarding van 24 september 2004 vorderde de heer R. de veroordeling van de vennootschap tot betaling van : -1 euro provisioneel op een eis geschat op 5.000 euro als commissies voor de periode van 1 juli 2003 tot en met 31 december 2003; -5.086 euro als bonus verschuldigd voor de verkoop van 3 ES 7000 systemen voor de periode oktober 2002 tot december 2002; -619,75 euro wegens onterechte inhouding voor schade aan het voertuig; -29.239,22 euro als schadevergoeding op grond van het niet-concurrentiebeding; te vermeerderen met de wettelijke intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Hij vorderde tevens de afgifte van de sociale en fiscale documenten binnen de 10 dagen na het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 25 euro per dag en per ontbrekend document. In ondergeschikte orde vorderde hij de aanstelling van een deskundige met als opdracht de berekening te maken van de nog verschuldigde commissielonen voor de periode 1 juli 2003 tot en met 31 december
  6. Met het bestreden vonnis verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk, doch ongegrond. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP De heer R. is het niet eens met de uitspraak van de arbeidsrechtbank. Hij vordert dat het hof deze zou vernietigen en zijn oorspronkelijke vordering zou inwilligen. De nv Unisys verzoekt dat de vordering van de heer R. ongegrond zou worden verklaard en dat hij tot de kosten van het geding zou worden veroordeeld. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Nu geen betekeningsakte wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep, dat regelmatig is naar vorm, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.Ten Gronde De betwisting betreft in de eerste plaats de geldigheid van de zogeheten dading door partijen afgesloten op 10-10-
  7. De heer R. houdt voor dat de overeenkomst niet als dading kan gekwalificeerd worden wegens het ontbreken van de constitutieve bestanddelen ervan nu er geen wederzijdse toegevingen werden gedaan. Volgens hem blijkt helemaal niet welke toegevingen de vennootschap zou hebben gedaan. Voor het overige betoogt hij dat een afstand van rechten strikt moet worden uitgelegd en dat hij helemaal geen afstand heeft gedaan van de aanspraken die in voorliggend geding worden geformuleerd. De vennootschap meent dat de geldigheid van de dadingsovereenkomst niet ernstig kan worden betwist zodat de vordering van de heer R. ongegrond is. Een dading is een wederkerige overeenkomst tussen partijen die wederzijds toegevingen doen om een geschil te beëindigen of te voorkomen. (Cass. 19-9-2001 Pass. 2001, I, 1420; Cass. 18-5-95, Pass. 1995, I, 519). Het hof is van oordeel dat uit art. 1 en 8 van de overeenkomst kan worden afgeleid dat het de bedoeling was van partijen een bestaande of latere betwisting m.b.t. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te voorkomen of op te lossen. Art 1 vermeldt: "Teneinde een mogelijke betwisting over de grootte van de opzeggingsvergoeding te vermijden, hebben partijen overlegd en gaan zij akkoord door middel van een dading overeenkomstig art. 2044 van het burgerlijk wetboek een eind te stellen aan hun eventuele betwisting." Art 8 bepaalt:"Deze overeenkomst geldt als dading overeenkomstig art 2044 BW;beide partijen zien er onherroepelijk van af om de andere partij voor het gerecht te dagen voor welke reden dan ook, die enig verband zou hebben met het verbreken van de arbeidsovereenkomst of met de arbeidsrelaties die tussen partijen bestonden, of met de verrekening van commissies op voorwaarde dat alle verbintenissen waarvan sprake in onderhavige overeenkomst worden voldaan." Het is niet noodzakelijk dat de toegevingen die partijen doen uitdrukkelijk in de tekst van de dading worden opgenomen, zoals appellant voorhoudt. De vennootschap stelt dat de toegeving er van haar kant in bestond het gebruik van de bedrijfswagen nog een aantal maanden toe te staan en een langere termijn in aanmerking te nemen voor de berekening van de opzegvergoeding dan de wettelijke minimumtermijn. Gelet op de regel van art 82, § 3, WAO met betrekking tot de passende opzeggingstermijn voor bedienden met een loon boven het in dat artikel betaalde grensbedrag en de gangbare rechtspraak daarover kan de toegekende extra vergoeding gelijk aan een halve maand loon bezwaarlijk als een toegeving gelden. Het toelaten van het verder gebruik van de bedrijfswagen gedurende een aantal maanden kan echter wel als zodanig worden beschouwd. Het hof is derhalve van oordeel dat de overeenkomst als een dading kan worden gekwalificeerd. Deze werd gesloten tien dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Zodra de arbeidsovereenkomst is beëindigd kunnen partijen geldig een dading sluiten over de rechten en plichten die uit die overeenkomst voortvloeien. (A.Van Oevelen, "Afstand van recht en rechtsverwerking" in Actuele problemen van het arbeidsrecht 4 nr 37; Van Ommeslaghe, "Rechtsverwerking en afstand van recht", TPR '80 nr 11 p. 750). Bij de beëindiging van de gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer vervalt de bescherming die de werknemer als zwakke contractpartij genoot. De heer R. roept geen wilsgebrek in dat aanleiding zou kunnen geven tot vernietiging van de dading. Het hof treedt derhalve de beslissing van de arbeidsrechtbank bij dat de dadingsovereenkomst volledig geldig werd afgesloten. De vennootschap merkt terecht op dat een dading tussen partijen kracht van gewijsde heeft in hoogste aanleg en men er niet kan tegen opkomen uit hoofde van dwaling omtrent het recht of uit hoofde van benadeling, zoals bepaald in art. 2051 Burgerlijk Wetboek. . De heer R. houdt voor dat zelfs indien de dading als geldig wordt aanvaard rekening moet worden gehouden met art. 8 waarin gesteld werd dat er een dading werd afgesloten op voorwaarde dat aan alle verbintenissen waarvan sprake in de overeenkomst werd voldaan. De heer R. meent dat zulk niet het geval is nu de vennootschap niet is overgegaan tot betaling van de verschuldigde commissie voor de periode van 1-7- tot 31-12-
  8. Het hof is van oordeel dat de daarin opgenomen voorwaarden, gelet op het geheel van de tekst, inhouden dat wel een procedure kon aanhangig worden gemaakt met het oog op het afdwingen van de aangegane verbintenissen zonder dat evenwel de volledige dading daardoor op de helling komt te staan. Art. 8 van de overeenkomst is in duidelijke bewoordingen gesteld en kan niet worden afgedaan als een stijlformule. De heer R. heeft die dading na overleg en bedenktijd ondertekend en kan er derhalve niet op terugkomen. De vennootschap merkt terecht op dat de bepalingen van de overeenkomst die partijen zijn aangegaan hen tot wet strekken in toepassing van art. 1134 Burgerlijk Wetboek. Gevolgen voor de vorderingen van de heer R.. - de heer R. vordert nog een bonus op de verkoop van 3 "ES 7000" systemen voor de periode oktober tot december
  9. Hij verduidelijkt dat de bedoeling van die bonus was de verkoop tijdens het laatste kwartaal op te drijven. Gelet op de algemene bewoordingen van art. 8 van de dading, waarmee de heer R. heeft ingestemd, kan hij die vordering niet meer instellen. -de heer R. vordert terugbetaling van ten onrechte ingehouden bedragen die betrekking hebben op de firmawagen, zich daarbij beroepend op art. 18 van de WAO. Het betreft het forfaitaire bedrag van de franchise t.b.v. 123,95 euro voor elk schadegeval. Het betreft een totaal bedrag van 619,75 euro voor vijf schadegevallen. Het betrof een vervang-firmawagen die hij op 18-9-2003 in ontvangst heeft genomen. In de dading werd daaromtrent het volgende bepaald: "Wat het inleveren van de firmawagen betreft, zal er van uw laatste gepresteerde maand een waarborg ten bedrag van 372 euro netto worden afgehouden. Indien er geen schade aan de wagen vastgesteld wordt door de leasingmaatschappij, zal dit bedrag u integraal teruggestort worden." Bij de teruggave van de wagen werden 4 pro-forma vaststellingen gedaan i.v.m. schade op verschillende plaatsen van de wagen die bezwaarlijk door één schadegeval konden veroorzaakt zijn. De heer R. verklaarde dat de wagen zich in dezelfde staat bevond als toen hij hem ontvangen had en dat er slechts lichte krassen waren. De vennootschap wijst erop dat hij bij het in ontvangst nemen van de wagen heeft bevestigd dat hij deze in perfecte staat had ontvangen. In tegenstelling tot wat de heer R. voorhoudt is het bedrag van de vrijstelling wel degelijk in art 2 van de car policy vermeld. Gelet op die bijzonderheden is het hof van oordeel dat 4 X het franchisebedrag kon worden ingehouden doch niet voor het schadegeval in 2002 met betrekking tot een vorig voertuig nu dit in de dading niet aan bod komt. De vordering van de heer R. komt op dit punt wel gegrond voor. -de heer R. vordert een vergoeding in uitvoering van het concurrentiebeding. Aangezien dit onderwerp in de dading niet werd besproken meent hij dat daarvan geen afstand werd gedaan. Bovendien stelt hij dat hij op 10-10-2003 nog helemaal niet kon weten of de vennootschap afstand deed van het concurrentiebeding. Zij beschikte immers over 15 dagen na de beëindiging van de overeenkomst om daarover standpunt in te nemen. Bovendien stelt hij dat er nooit een verzaking van de vennootschap aan het beding is geweest. Volgens hem is daartoe een positieve daad van de werkgever vereist en kan dit niet worden afgeleid uit de niet betaling van de vergoeding. Door de ondertekening van de dading heeft de heer R. impliciet afstand gedaan van de vergoeding op grond van het concurrentiebeding, voor zover het van toepassing zou zijn, nu partijen ervan hebben afgezien een procedure aan te vatten "voor welke reden dan ook, die enig verband zou hebben met het verbreken van de arbeidsovereenkomst of met de arbeidsrelaties die tussen partijen bestonden, of met de verrekening van commissies op voorwaarde dat alle verbintenissen waarvan sprake in onderhavige overeenkomst worden voldaan." Dit hield trouwens eveneens in dat de vennootschap er zich niet op zou hebben kunnen beroepen zodat zij minstens impliciet aan de toepassing van het beding heeft verzaakt. De vennootschap onderlijnt dat het concurrentiebeding van een handelsvertegenwoordiger bovendien niet geldt bij ontslag vanwege de werkgever zonder dringende reden. De heer R. betwist zijn hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger, doch toont niet aan dat die hoedanigheid op hem niet van toepassing is. Het blijkt duidelijk dat hij klanten bezocht en commissieloon ontving op de verkoop en bovendien werd hem een uitwinningsvergoeding uitbetaald. -De heer R. meent dat het commissieloon voor de periode juli tot en met 31-12-2003 niet correct werd berekend. Die berekening was bij het afsluiten van de dading nog niet gemaakt en kon derhalve nog aanleiding geven tot betwisting. De heer R. ontving vanwege de vennootschap voor die periode een bedrag van 5.362 euro. Hij meent dat dit bedrag geen rekening houdt met de verkopers Briesen en Segers. In een e-mail van 15-3-2004 merkte hij op dat het uitbetaalde bedrag minder dan 1/3de bedroeg van wat hij tijdens de periode januari tot juni ontving (16.567) terwijl statistisch de meeste verkopen in het 4de kwartaal gebeuren. Hij vermoedde dat geen rekening was gehouden met de verkoop die Briesen, Schroyen en Segers in die periode gerealiseerd hadden De vennootschap antwoordde daarop op 18-3-2004: "in bijlage je werkboek waarop de afrekening werd gebaseerd. Ik kan aleen maar zeggen dat dit met Marc Lambotte werd geverifieerd." In zijn ingebrekestelling maakte hij aanspraak op commissie op de bestellingen aan bvb. ING, Rombouts, Swift en House Accounts. Die kennelijk, volgens zijn verzoekschrift de verkopers Briesen en Segers betreffen. Hij vraagt zich af waarom de afrekening enkel melding maakt van de verkopers De Meulenaar en Van Hoecke en niet van de andere verkopers. Hij acht de voorgelegde documenten onduidelijk en bovendien in strijd met de taalwetgeving waarbij hij echter niet aangeeft welke taalwetgeving hij bedoelt. De vennootschap heeft haar exploitatiezetel in Brussel en de bepalingen van het Nederlands Taaldecreet van 19 juli 1973 zijn op haar niet van toepassing, zodat de daarin voorziene nietigheidssanctie niet geldt. De vennootschap wijst erop dat haar afrekening, stukken 9 en 10 van de heer R. een bedrag aan orders bevat van 707.712,30 dat betrekking heeft op de verkopers De Meulenaar en Van Hoecke doch dat daarnaast nog een bedrag aan orders 1.308.651,40 euro bevat dat betrekking heeft op de andere verkopers. De heer R. weerlegt die argumentatie niet. De voorgelegde stukken stellen het hof niet in staat na te gaan of de verschuldigde commissies correct werden uitbetaald. Een heropening der debatten komt dan ook noodzakelijk voor. De vennootschap wordt verzocht de toegepaste regeling duidelijk uiteen te zetten en verder alle stukken voor te leggen waarop de berekening wordt gesteund. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Rechtsprekend op tegenspraak. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel
  10. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en zeer gedeeltelijk gegrond in volgende mate Hervormt het bestreden vonnis. Veroordeelt de nv Unisys tot betaling van een bedrag van 123 euro als onterecht ingehouden bedrag als franchise op de wagen, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten; Vooraleer uitspraak te doen over de afrekening van de commissies voor de periode juli tot december 2003 Beveelt de heropening der debatten Nodigt de vennootschap ertoe uit uitleg te verschaffen over de door haar toegepaste commissieregeling en alle dienstige stukken voor te leggen voor de berekening van het commissieloon dat de heer R. toekomt. Zegt dat de partijen hun conclusies hieromtrent zullen toesturen aan elkaar en neerleggen ter griffie op uiterlijk: -26 januari 2009 door de geïntimeerde; -27 april 2009 door de appellant; -27 juli 2009 door de geïntimeerde. Stelt de zaak vast voor de heropening van de debatten op de zitting van 13 oktober 2009 om 14u
  11. Verklaart het hoger beroep van de heer R. met betrekking tot de andere onderdelen ongegrond Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen door de derde kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: G. Balis, kamervoorzitter; M. Wampers, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende; S. Van der hoeven: adjunct- griffier. Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt dit arrest niet ondertekend door de raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, Peter Kessels, die aan de beraadslaging heeft deelgenomen, doch die wettig verhinderd is om het arrest te ondertekenen. G. Balis S. Van der hoeven M. Wampers En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op achtentwintig oktober tweeduizend en acht door : G. Balis kamervoorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven: adjunct-griffier. G. Balis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081028.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.