id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081106.24 Rolnummer: 45.696 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-10-13 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 18:16 Fiche Of de rechter, na een administratieve beslissing vernietigd te hebben, zich in de plaats kan stellen van de directeur van de Rijksdienst van Arbeidsvoorziening en uitspraak dient te doen over het recht op werkloosheidsuitkeringen, hangt af van de aard van de bestreden beslissing. Indien het gaat om een werkelijke administratieve sanctie, dan is het voorwerp van de betwisting voor de rechtbank de gegrondheid van de sanctie als dusdanig of de rechtmatigheid van de gevolgde procedure. Indien de regelmatigheid van de gevoerde procedure niet aan de orde is kan de rechter de bestreden administratieve beslissing en dus de sanctie beoordelen. Indien echter vastgesteld wordt dat de bestreden administratieve sanctie nietig is, kan de rechter zich niet in de plaats stellen van de overheid die deze beslissing genomen heeft. Anders is de oplossing wanneer de rechter gevraagd wordt uitspraak te doen over een administratieve beslissing die de beoordeling van het recht op werkloosheidsuitkeringen als dusdanig tot voorwerp heeft. Het werkelijk voorwerp van de vordering is in dat geval de erkenning van het recht op een bepaalde sociale zekerheidsprestatie. In dat geval kan de rechter, na de bestreden beslissing vernietigd te hebben, het recht op de sociale zekerheidprestatie maar toekennen indien hij vaststelt dat de betrokkene aan alle daartoe gestelde toekenningsvoorwaarden voldoet. Wanneer de werkloze tijdelijk het recht op uitkeringen ontzegd wordt omdat hij niet onafhankelijk van zijn wil werkloos is gaat het niet om een sanctie maar wel om de beoordeling van één van de toekenningsvoorwaarden voor het recht op werkloosheidsuitkeringen. De rechter kan zich in dat geval in de plaats stellen van de directeur van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - Werkloosheidsreglementering - Sanctie - Toekenningsvoorwaarden. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 51 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 52 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 53 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N - K.B. van 25/11/1991, artt. 44 en 51 tot
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT. ZEVENDE KAMER Werkloosheid Tegensprekelijk Definitief Kennisgeving art. 580, 2° Ger. W. In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING (R.V.A.), Openbare instelling met zetel te 1000 Brussel, Keizerlaan, 7 Appellant, vertegenwoordigd door Mr. Ernest DE BOCK, advocaat te Vilvoorde; Tegen: M. , wonende te [xxx] Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Dhr D. Guldemont, syndicaal afgevaardigde met volmacht; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 20ste kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 8 juni 2004 (AR nr. 20001/01), vonnis ter kennis gebracht van appellant op 21 juni 2004; het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 14/7/2004; de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 3/12/2004; de besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof op 8/9/2006; het gezamenlijk verzoek tot vaststelling ontvangen ter griffie op 26/3/2008; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging en het Openbaar Ministerie in zijn advies ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2008, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- Geïntimeerde werd op 12 december 2000 door zijn werkgever ontslagen wegens dringende redenen, omwille van een vechtpartij die zich op het werk had voorgedaan en de agressieve houding die geïntimeerde daarbij had aangenomen. Na aanleiding van dit ontslag heeft appellant bij beslissing van 11 september 2001 geïntimeerde uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 18 mei 2001 gedurende een periode van 17 weken. Geïntimeerde heeft tegen deze uitsluiting beroep aangetekend bij de arbeidsrechtbank te Brussel.
- Bij vonnis van 8 juli 2004 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel, na vastgesteld te hebben dat zich in het administratief dossier geen PV van verhoor van geïntimeerde bevond noch het bewijs dat geïntimeerde daadwerkelijk was opgeroepen voor het verhoor, de bestreden administratieve beslissing vernietigd.
- Appellant heeft op 14 juli 2004 beroep ingesteld tegen dit vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het verzoekschrift is regelmatig naar de vorm. Het is neergelegd binnen de maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis (17 juni 2004, ontvangen op 21 juni 2004) en is aldus tijdig. III. BEOORDELING.
- Appellant betwist niet dat geen proces-verbaal van verhoor kan voorgelegd worden, dat derhalve niet bewezen is dat geïntimeerde in de gelegenheid gesteld werd gehoord te worden t.a.v. de voorgenomen beslissing, zoals opgelegd door art. 144 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en dat de eerste rechter derhalve terecht de administratieve beslissing vernietigd heeft. Volgens appellant had de eerste rechter echter, na de bestreden beslissing vernietigd te hebben, zelf het recht op uitkeringen dienen te toetsen aan de wettelijke voorwaarden en zich dus in de plaats moeten stellen van de directeur van de RVA.
- In graad van beroep kan appellant nog steeds niet het bewijs voorleggen dat geïntimeerde gehoord werd of behoorlijk opgeroepen werd vooraleer de bestreden administratieve beslissing genomen werd. De bestreden beslissing is aldus, zoals de eerste rechter terecht geoordeeld heeft, nietig, zonder dat moet nagegaan worden of door het niet naleven van de wettelijke voorwaarden geïntimeerde in zijn belangen geschaad is (Cass. 10.09.1984, Arr. Cass. 1984-1985, 51).
- Of de rechter, na de administratieve beslissing vernietigd te hebben, zich in de plaats kan stellen van de directeur van de Rijksdienst en uitspraak dient te doen over het recht op werkloosheidsuitkeringen, hangt af van de aard van de bestreden beslissing. Indien het gaat om een werkelijke administratieve sanctie, dan is het voorwerp van de betwisting voor de rechtbank de gegrondheid van de sanctie als dusdanig of de rechtmatigheid van de gevolgde procedure. Indien de regelmatigheid van de gevorderde procedure niet aan de orde is kan de rechter de bestreden administratieve beslissing en dus de sanctie beoordelen. Indien echter vastgesteld wordt dat de bestreden administratieve sanctie nietig is, kan de rechter zich niet in de plaats stellen van de overheid die deze beslissing genomen heeft. Hij spreekt zich immers in dat geval niet uit over het subjectieve recht van de sociaal verzekerde op een bepaalde uitkering (cfr. infra), maar stelt zich, door zo te handelen, in de plaats van de subjectieve beoordeling van de administratie over de opportuniteit en de hoegrootheid van de sanctie (cfr. J. Put, Administratieve sancties in het sociaal zekerheidsrecht, Die Keure, 1998, p. 474 e.v). Hij spreekt als het ware in dat geval een sanctie uit i.p.v. de administratie, wat zijn bevoegdheid te buiten gaat Anders is de oplossing wanneer de rechter gevraagd wordt uitspraak te doen over een administratieve beslissing die de beoordeling van het recht op werkloosheidsuitkeringen als dusdanig tot voorwerp heeft. Het werkelijk voorwerp van de vordering is in dat geval de erkenning van het recht op een bepaalde sociale zekerheidsprestatie. In dat geval kan de rechter, na de bestreden beslissing vernietigd te hebben, het recht op de sociale zekerheidprestatie maar toekennen indien hij vaststelt dat de betrokkene aan alle daartoe gestelde toekenningsvoorwaarden voldoet. (J. Put, geciteerde studie, p.473, Cass.26.05.1976, Arr. Cass.1976, p.1072). De rechter moet zich dan, na de bestreden beslissing vernietigd te hebben, uitspreken over het recht van de verzekerde op de prestatie i.f.v. de objectieve toekenningsvoorwaarden die in de wet voorzien zijn. (Cass.27.06.2005, Soc.Kron.2008, 88).
- De bestreden beslissing is genomen in toepassing van de artikelen 51, 52 en 53 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1999 houdende de werkloosheidsreglementering. Overeenkomstig artikel 44 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 is vereist dat de werkloze, opdat hij zou kunnen aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen, zonder arbeid en zonder loon is wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil. De artikelen 51 en volgende van het Koninklijk Besluit moduleren deze regel door de werkloze, die ingevolge omstandigheden afhankelijk van zijn wil werkloos wordt, slechts tijdelijk het recht op uitkeringen te ontzeggen. Aldus wordt geen sanctie uitgesproken maar enkel het recht op werkloosheidsuitkeringen bepaald in functie van één van de toepassingsvoorwaarden van de wet (cfr. Cass. 18.02.2002, J.T.T. 2002, 445, J. Put, geciteerde studie, p. 81 met verwijzing naar de ontwikkeling van de rechtspraak van het Hof van Cassatie en de conclusies van Advocaat-Generaal Lenaerts die aan de basis liggen van deze rechtspraak). De bestreden beslissing is dan ook in werkelijkheid geen sanctiebeslissing maar wel een beslissing over de toekenningsvoorwaarden op het recht op werkloosheidsuitkeringen. In die zin voert appellant terecht aan dat, na de vernietiging van de bestreden beslissing, de eerste rechter het recht op werkloosheidsuitkeringen had dienen te onderzoeken in toepassing van de artikelen 51 en volgende van het Koninklijk Besluit
- Overeenkomstig artikel 51 § 1 van dit Koninklijk Besluit kan de werknemer die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen. Als werkloosheidsomstandigheid afhankelijk van de wil van de werknemer wordt onder meer aanzien (art. 51 § 1, al. 2, 2 van het Koninklijk Besluit) het ontslag dat het gevolg is van een foutieve houding van de werknemer. In toepassing van artikel 52 § 1 van het Koninklijk Besluit kon aan eiser in dit geval het recht op uitkeringen ontzegd worden voor een periode van maximaal 52 weken. Op basis van het voorgelegde administratief dossier en de daarin opgenomen verklaringen van de collega's van geïntimeerde staat voor het hof voldoende vast dat het ontslag van geïntimeerde te wijten is aan zijn foutieve houding. Zelfs indien op basis van het dossier niet met zekerheid kan bepaald in welke omstandigheden de vechtpartij die aan de oorsprong ligt van het ontslag, heeft plaatsgevonden (er waren geen getuigen van de vechtpartij zelf), dan blijkt uit de voorgelegde verklaringen voldoende dat na vechtpartij, en nadat hij verzorgd was, geïntimeerde zich opnieuw agressief heeft opgesteld en zeer zware beledigingen heeft geuit ten aanzien van een werkmakker. Een werknemer verklaarde dat hij niet meer met geïntimeerde wenste te werken. De uitgesproken sanctie is echter volgens het hof buiten verhouding met de foutieve houding die aan eiser kan aangewreven worden. Het blijkt immers eveneens uit de verschillende verklaringen dat geïntimeerde zich enkel schuldig gemaakt heeft aan een verbale agressie en niet aan een fysieke agressie en dat bij vechtpartij hij het blijkbaar is die de klappen geïncasseerd heeft. De werkgever verklaart dat het om het eerste incident gaat van die aard met geïntimeerde en heeft uiteindelijk, in het kader van een minnelijke regeling aanvaard het ontslag om dringende redenen in te trekken en een verbrekingsvergoeding uit te betalen. Het hof herleidt de uitsluiting uit het recht op werkloosheidsuitkeringen tot een periode van 4 weken. OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Gehoord in zijn advies de heer Jean-Jacques André, Advocaat-generaal Rechtsprekende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt de bestreden beslissing in zoverre zij er zich toe beperkt de nietigheid van de administratieve beslissing uit te spreken. Opnieuw rechtdoende, Zegt dat geïntimeerde uit het recht op werkloosheidsuitkeringen uitgesloten is voor een periode van vier weken een aanvang nemend op 18 mei
- Veroordeelt overeenkomstig artikel 1017, al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek appellant tot de kosten van beide aanleggen, op dit ogenblik begroot op nul Euro. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 november tweeduizend en acht. Waren aanwezig: F. KENIS: Raadsheer. I. VAN DAMME: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. K. GACOMS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider. J-M. MICHIELS: Hoofdgriffier. J-M. MICHIELS. F. KENIS. I. VAN DAMME. K. GACOMS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081106.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div