← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081107.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081107.1 Rolnummer: 49.856 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-11-13 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 18:16 Fiche 1 De door de werkgever te bewijzen afwezigheid van nadeel moet beoordeeld worden op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ( Cass., 20 maart 2000, Soc. Kron. 2001, p. 246 met noot D. Ryckx). De werkgever kan bij brugpensioen van de handelsvertegenwoordiger de afwezigheid van nadeel inroepen, wanneer hij aantoont dat de handelsvertegenwoordiger voorafgaand aan de beëindiging van de overeenkomst ten overstaan van de werkgever de wens heeft uitgedrukt om dit brugpensioen op te nemen; dit vloeit logisch voort uit het feit dat er geen nadeel kan aanvaard worden, wanneer de handelsvertegenwoordiger zelf afziet van het verder valoriseren van het door hem aangebrachte cliënteel ( Cass., 14 september 1981, Soc. Kron. 1982, 444; Cass., 14 november 1994, Soc. Kron. 1995, p. 216). UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Handelsvertegenwoordigers Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - HANDELSVERTEGENWOORDIGERS - Uitwinningsvergoeding - Afwezigheid van nadeel - Brugpensioen. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 101 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II DN art.

  1. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I A art. 1022 (KB 26.10.2007) en I J N art.
  2. Fiches 2 - 3 In het arrest 185.315 van 10 juli 2008 heeft de Raad van State de vordering tot schorsing van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding ongegrond verklaard. Wanneer men voorhoudt dat de Koning geen bevoegdheid heeft om een KB uit te vaardigen omwille van een periode van lopende zaken, dan bedoelt men met 'lopende zaken' zowel de dringende als de lopende zaken (R.v.St. 18 december 2007, nr. 178.019); als lopende zaken worden beschouwd : zaken die de normale voortzetting zijn van een voor het ontslag van de regering regelmatig ingezette procedure, wat in concreto moet worden getoetst (R.v.St. 3 november 1997, nr. 69.331, overweging
  3. 3). Door enkel te verwijzen naar een aantal adviezen, die werden ingewonnen vóór het ontslag van de regering komt men te kort om in concreto aan te tonen dat de Koning buiten zijn bevoegdheid zou hebben gehandeld in een periode van lopende zaken door een regelmatig ingezette procedure abnormaal voort te zetten; de exceptie van illegaliteit is in de huidige stand niet in concreto bewezen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Tarief van de rechtsplegingsvergoeding.- Exceptie iillegaliteit wegens lopende zaken. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1022 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Koninklijk Besluit - 26-10-2007 - - - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Nota: Gerangschikt onder I A art. 1022 (KB van 26.10.2007). Eveneens gerangschikt onder I J N art.
  4. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II DN art.
  5. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Federale uitvoerende macht - Algemeen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GRONDWET - Exceptie illegaliteit wegens lopende zaken. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 108 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nota: Gerangschikt onder I J N art.
  6. Eveneens gerangschikt onder I A art. 1022 (KB van 26.10.2007). Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II DN art.
  7. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 NOVEMBER
  8. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: 1.DE BVBA DELEK BELGIUM voorheen genaamd DE BVBA TEXACO BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, Arnaud Fraiteurlaan, 25, met ondernemingsnummer 406.843.239
  9. DE N.V. CHEVRON BELGIUM, Vrijwillig verschijnende partij, met maatschappelijke zetel gevestigd te 9052 Zwijnaarde, Technologiepark Zwijnaarde, met ondernemingsnummer 403.093.396, Appellanten, vertegenwoordigd door Mter S. Lateur loco Mter A.Vanden Abeele, advocaat te 1170 Brussel. Tegen : De Heer V.D. P., wonende te [xxx], Geïntimeerde, verschijnend in persoon, bijgestaan door Mter H. Vanhorebeek, advocaat te 3000 Leuven; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op 19 maart 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 16 mei 2007; - de besluiten, aanvullende synthesebesluiten en tweede aanvullende synthesebesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 7 december 2007, 6 mei 2008 en 9 juli 2008; - de besluiten en aanvullende synthesebesluiten van appellanten neergelegd ter griffie, respectievelijk op 25 maart 2008 en 27 juni 2008; - de bundel met stukken neergelegd door appellante partijen ter griffie op 14 juli 2008; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 29 augustus 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de buitengewone openbare terechtzitting van 10 oktober 2008, waarna de debatten gesloten werden. x x x
  10. DE FEITEN EN RECHTSPLEGING. De heer P. V.D. kwam in dienst bij de N.V. Chevron Oil Belgium met ingang van 16 maart 1979 ingevolge een geschreven arbeidsovereenkomst voor bedienden van onbeperkte tijd; deze voorzag in een niet- concurrentiebeding en in de mogelijkheid van zijn overplaatsing van de binnendienst naar de buitendienst. De heer V.D. houdt voor dat hij in werkelijkheid als handelsvertegenwoordiger was tewerkgesteld, wat door de N.V. wordt betwist. Op 15 november 1999 zou er een bespreking geweest zijn met de werkgever en de werknemer over de mogelijkheid van conventioneel brugpensioen in toepassing van de C.A.O. nr. 17 van 19 december 1974 en de bedrijfs-C.A.O. van 22 oktober
  11. Op 6 december 1999 antwoordde de heer V.D. aan de werkgever dat hij akkoord zou kunnen gaan om dit brugpensioen te aanvaarden, maar hij voegde een aantal wijzigingen toe aan de voorgestelde overeenkomst, waaronder een bepaling waarbij hij aanspraak maakte op een uitwinningsvergoeding na het verstrijken van de opzeggingstermijn. Op 14 december 1999 beëindigde de werkgever de arbeidsovereenkomst met verwijzing naar deze besprekingen, met een opzeggingstermijn van 37 maanden ingaande op 1 januari 2000 en met verzoek om een verkorte opzeggingstermijn van 6 maanden te willen aanvaarden, voorzover de onderneming zou worden erkend als zijnde in herstructurering. Op 20 december 1999 reageerde de heer V.D. op deze ontslagbrief met de melding dat hij slechts akkoord ging met het voorgestelde brugpensioen op voorwaarde dat de door hem op 6 december 1999 voorgestelde wijzigingen zouden aanvaard worden. Op 27 januari 2000 werd tussen partijen een overeenkomst ondertekend, waarin de data en ontslaggegevens foutief werden vermeld, maar waarin partijen toch overeenkwamen om de opzeggingperiode te verkorten tot 15 maanden in de zin dat deze liep van 1 september 2002 tot 30 november 2003 en waarna de heer V.D. zou kunnen genieten van het conventioneel brugpensioen in toepassing van de C.A.O. nr. 17; de modaliteiten van dit brugpensioen werden eveneens in de overeenkomst opgenomen. Op 25 oktober 2004 dagvaardde de heer V.D. de N.V. Texaco Belgium in betaling van een uitwinningsvergoeding, door hem becijferd op euro 45.599,45 en hij vroeg tevens de afgifte van de aangepaste sociale en fiscale documenten, onder verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel van 19 maart 2007 werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard, behalve wat betreft de dwangsom in verband met de gevraagde sociale en fiscale documenten. Op 16 mei 2007 legde de bvba Texaco Belgium, thans genaamd Delek Belgium, een verzoekschrift tot hoger beroep neer, waarbij zij vroeg dat de oorspronkelijke vordering van de heer V.D. ongegrond zou worden verklaard. Hangende de beroepsprocedure op 29 juni 2007 werd er een overeenkomst afgesloten tussen appellante en de N.V. Chevron Belgium, waarbij deze laatste een deel van de activiteiten van de bvba overnam en tevens in de rechten en plichten van de bvba trad; ingevolge deze overeenkomst verschijnt de N.V. Chevron Belgium vrijwillig in deze beroepsprocedure; de heer V.D. vraagt dat beide vennootschappen in solidum zouden worden veroordeeld.
  12. BEOORDELING. In een bijzondere algemene vergadering van de N.V. Texaco Belgium van 29 november 2006 werd deze vennootschap met ingang van 1 januari 2007 omgezet naar een bvba; dit werd klaarblijkelijk niet meegedeeld aan de eerste rechter; de heer V.D. maakt geen bezwaar tegen het feit dat aldus het hoger beroep werd aangetekend door de bvba Texaco Belgium. Betrokkene aanvaardt tevens de vrijwillige tussenkomst van de N.V. Chevron Belgium, gelet op de inmiddels tussengekomen overeenkomst van 29 juni
  13. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.
  14. Is de heer V.D. handelsvertegenwoordiger? Enkel een handelsvertegenwoordiger kan een vordering instellen tot het bekomen van een uitwinningsvergoeding. In artikel 4 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt de activiteit van een handelsvertegenwoordiger omschreven als volgt : " de arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiger is de overeenkomst waarbij een werknemer, de handelsvertegenwoordiger, zich verbindt tegen loon cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken, verzekeringen uitgezonderd, onder het gezag, voor rekening en in naam van één of meer opdrachtgevers ". De vertegenwoordigingsactiviteit dient in hoofdzaak te worden uitgeoefend, wat volgt uit artikel 88 van de arbeidsovereenkomstenwet : Op de bepalingen van deze titel kan zich alleen beroepen de handelsvertegenwoordiger die in dienst wordt genomen om op bestendige wijze zijn beroep uit te oefenen, zelfs indien hij door zijn werkgever wordt belast met bijkomstig werk dat van andere aard is dan de handelsvertegenwoordiging. Dat voordeel wordt... niet verleend aan de bediende die er af en toe mede wordt belast, samen met zijn arbeid binnen de onderneming, stappen te doen bij de cliëntele. De werkgever betwist dat de heer V.D. hoofdzakelijk activiteiten van handelsvertegenwoordiging verrichtte. Terecht heeft de eerste rechter naar een groot aantal stukken verwezen, waaruit ook het arbeidshof kan afleiden dat de heer V.D. wel degelijk in hoofdzaak als handelsvertegenwoordiger was tewerkgesteld. Het hof weerhoudt aldus: - het overzicht van de werkzaamheden van de heer V.D. van juli 2002, waarin zijn taak opdeling als volgt wordt beschreven : 45% bezoeken van klanten en het verkopen van olieproducten 20% verstrekken van technische en commerciële ondersteuning 10% prospecteren en winnen aan klanten het is duidelijk dat deze opdeling één geheel vormt en dat de verschillende componenten in functie staan van het opsporen en bezoeken van cliënteel met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken. - het getuigschrift van 25 januari 1992, uitgaande van de Manager Human Resources Benelux, waarin bevestigd wordt dat de heer V.D. tewerkgesteld is als vertegenwoordiger voor onze producten. Tevens wordt er melding van gemaakt dat hij voor deze functie op zijn privaat adres kantoorruimte nodig heeft voor de uitvoering van zijn dagelijks werk. - het rapport van 22 april 2003, waarin als belangrijke taken worden vermeld : het bezoeken van klanten en het verkopen van olieproducten, het verstrekken van technische en commerciële ondersteuning en het prospecteren en winnen van klanten; ook hieruit blijkt dat de technische ondersteuning nauw verband houdt met het bewerken van de klanten. - het businessplan van 1990, waarin de verwachte klantenbezoeken van de heer V.D. worden omschreven ( 1000 per jaar, waaronder 700 prospectiebezoeken en 300 klantenbezoeken). - het overzicht van de klantenbezoeken van 17 september 1996 en 21 oktober
  15. Het recht op uitwinningsvergoeding. Artikel 101 van de arbeidsovereenkomstenwet kent aan de handelsvertegenwoordiger een recht op de uitwinningsvergoeding toe, indien aan vier voorwaarden cumulatief wordt voldaan : - de arbeidsovereenkomst werd beëindigd door de werkgever zonder dringende reden, - de handelsvertegenwoordiger heeft aan de werkgever een cliënteel aangebracht, - hij is langer dan een jaar tewerkgesteld als handelsvertegenwoordiger, - de werkgever toont niet aan dat de handelsvertegenwoordiger door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen nadeel heeft geleden. De werkgever houdt voor dat de heer V.D. geen nadeel heeft geleden door de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, want dat hij akkoord ging met het opnemen van brugpensioen. Het Hof van Cassatie heeft verduidelijkt dat de door de werkgever te bewijzen afwezigheid van nadeel moet beoordeeld worden op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ( Cass., 20 maart 2000, Soc. Kron. 2001,246 met noot D. Ryckx). Zoals D. Ryckx in zijn noot bij dit cassatiearrest uitlegt, kan de werkgever bij brugpensioen van de handelsvertegenwoordiger de afwezigheid van nadeel inroepen, wanneer hij aantoont dat de handelsvertegenwoordiger voorafgaand aan de beëindiging van de overeenkomst ten overstaan van de werkgever de wens heeft uitgedrukt om dit brugpensioen op te nemen; dit vloeit logisch voort uit het feit dat er geen nadeel kan aanvaard worden, wanneer de handelsvertegenwoordiger zelf afziet van het verder valoriseren van het door hem aangebrachte cliënteel ( Cass., 14 september 1981, Soc. Kron. 1982, 444; Cass., 14 november 1994, Soc. Kron. 1995, 216). Door de heer V.D. wordt niet betwist dat hij voorafgaandelijk aan zijn ontslag op 26 november 1999 een bespreking met zijn werkgever heeft gehad over mogelijk brugpensioen en ook uit de ontslagbrief zelf volgt dat de opzegging in dat perspectief werd gegeven. De omstandigheid dat omtrent de overeenkomst tot aanpassing van de opzeggingstermijn nog geen volledig akkoord bestond, doet geen afbreuk aan het feit dat het ontslag in het verlengde lag van de brugpensioenbespreking; ook het feit dat de heer V.D. in de onderhandelingen supplementair een uitwinningsvergoeding vroeg, toont niet aan dat hij de intentie had om zijn cliënteel verder te valoriseren, daar deze vraag een louter pecuniair oogmerk had; de uiteindelijke overeenkomst van 27 januari 2000 bevestigt dat het ontslag van 26 november 1999 volledig kadert in de brugpensioenwens. De opmerking van de heer V.D. dat hij onder druk zou gezet zijn om brugpensioen te nemen, is moeilijk te aanvaarden, daar uit de verschillende stappen in de onderhandelingen volgt dat hij hiervoor doelbewust heeft gekozen; hij betwist bovendien niet dat hij geen sollicitatieverlof heeft gevraagd en genomen. Ook de twee negatieve sollicitatieantwoorden zijn niet terzake dienend, daar ze van meer dan drie jaar na de ontslagbeslissing dateren. De werkgever toont dan ook aan dat de heer V.D. door de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst geen nadeel heeft geleden in verband met het verlies van cliënteel, daar deze beëindiging plaatsvond in het kader van de eerdere brugpensioenbespreking tussen partijen. Het hoger beroep is dan ook gegrond. Wat betreft de toe te passen rechtsplegingsvergoeding roept geïntimeerde de exceptie van illegaliteit in t.a.v. het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, doordat de Koning dit KB heeft uitgevaardigd op een ogenblik dat de regering ontslagnemend was en dus enkel bevoegd kon zijn voor lopende zaken. In het arrest 185.315 van 10 juli 2008 heeft de Raad van State de vordering tot schorsing van dit KB ongegrond verklaard. Wanneer men voorhoudt dat de Koning geen bevoegdheid heeft om een KB uit te vaardigen omwille van een periode van lopende zaken, dan bedoelt men met "lopende zaken" zowel de dringende als de lopende zaken (R.v.St. 18 december 2007, nr. 178.019); als lopende zaken worden beschouwd : zaken die de normale voortzetting zijn van een voor het ontslag van de regering regelmatig ingezette procedure, wat in concreto moet worden getoetst (R.v.St. 3 november 1997, nr. 69.331, overweging
  16. 3) In deze zaak verwijst geïntimeerde enkel naar een aantal adviezen, die werden ingewonnen voor het ontslag van de regering; aldus komt geïntimeerde te kort om in concreto aan te tonen dat de Koning buiten zijn bevoegdheid zou hebben gehandeld in een periode van lopende zaken door een regelmatig ingezette procedure abnormaal voort te zetten; de exceptie van illegaliteit is in de huidige stand niet in concreto bewezen. Artikel 1022 Ger. Wb. geeft aan geïntimeerde de mogelijkheid om aan de rechter een vermindering te vragen van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, waarbij de rechter niet lager mag gaan dan het minimumbedrag. Geïntimeerde beoogt de toepassing van de oude kostenregeling; gelet op artikel 1022 kan aan geïntimeerde het minimumbedrag worden toegekend omwille van zijn financiële draagkracht als bruggepensioneerde. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond, veroordeelt geïntimeerde tot de gerechtskosten van beide aanleggen, deze, voor zover als nodig, aan zijn zijde begroot op dagvaardingskosten euro 128,62 en rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 2500,00 totaal euro 2628,62 aan de zijde van appellante begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 2500, door het arbeidshof herleid tot euro 1.000 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, L. REYBROECK. A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 november 2008 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081107.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.