id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081107.3 Rolnummer: 50.240;50.261 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-11-13 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-02 18:16 Fiche 1 Het niet respecteren van de statutair bepaalde oproepingstermijn voor het bijeenroepen van de raad van bestuur maakt de oproeping niet nietig; noch de V.Z.W.-wet, noch de statuten voorzien een sanctie; er wordt geen belangenschade aangetoond en tijdens de vergadering werd ook geen enkele opmerking op dit punt geformuleerd (Gent, 25 maart 1999, A.J.T. 2000-01, p. 90 met noot G. BALLON). Er waren geen niet verontschuldigde afwezigheden en bij hun verontschuldigingen hebben de niet aanwezige leden geen enkel voorbehoud gemaakt. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERENIGINGEN - Belgische vzw - Werking Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - HANDELSRECHT - VZW-Wet - Termijn bijeenroeping raad van bestuur - Niet respecteren - (Niet) Nietigheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1921 - 6 - 01 ELI link Pub nr 1921062701 Nota: Gerangschikt onder I H (Wet 27.06.1921), art. 6 om praktische redenen. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II CN art.
- Fiche 2 De goede trouw in de verhouding werkgever-werknemer vereist dat, wanneer men in verband met een mogelijke zware fout een gefundeerde uitleg vraagt, men deze uitleg ook afwacht of minstens een eindtermijn stelt tegen wanneer de uitleg moeten gegeven zijn. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Ontslag - Goede trouw. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II CN art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I H (Wet 27.06.1921), art. 6 om praktische redenen. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 NOVEMBER
- 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaken : A.R. nr. 50.240 De Heer Prof. Dr. E. K., Appellant, vertegenwoordigd door Mter J. Kerremans, advocaat te 1200 Brussel; Tegen : DE V.Z.W. HET REGIONAAL ZIEKENHUIS HEILIG HART, met zetel gevestigd te 3000 Leuven, Naamsestraat, 105, ingeschreven in de Kruispuntbank der ondernemingen onder nummer 0412.939.886, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter P. Roosens, advocaat te 3000 Leuven; In aanwezigheid van : De Heer J. B., Tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Mter J. Bergé, advocaat te 3000 Leuven; A.R. nr. 50.261 DE V.Z.W. HET REGIONAAL ZIEKENHUIS HEILIG HART, met zetel gevestigd te 3000 Leuven, Naamsestraat, 105, ingeschreven in de Kruispuntbank der ondernemingen onder nummer 0412.939.886, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter P. Roosens, advocaat te 3000 Leuven; Tegen : De Heer J. B., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter J. Bergé, advocaat te 3000 Leuven; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven (1ste kamer B) op 21 juni 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 13 september 2007 in de zaak met A.R. nr. 50.240; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 20 september 2007 in de zaak met A.R. nr. 50.261; - de besluiten van partijen; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de buitengewone openbare terechtzitting van 10 oktober 2008, waarna de debatten gesloten werden. x x x
- DE FEITEN EN RECHTSPLEGING. De heer E. K. werd op 31 maart 1995 aangeworven als algemeen directeur - beheerder in de V.Z.W. Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart te Leuven, waar hij op 1 april 1995 in dienst kwam. Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst bepaalt : " De functie van algemeen directeur wordt gecombineerd met de functie van deeltijds hoofddocent aan de K. U. Leuven. Deze opdracht aan de K. U. Leuven wordt gelijkgesteld met één dag per week. De wedde vanuit het ziekenhuis wordt hiervoor met 20 % gereduceerd. De normale arbeidsduur is 38 uur ( hoofddocentschap inbegrepen), gespreid over vijf dagen in de week. Uit hoofde van zijn functie zal de werknemer echter bijkomend aanwezig zijn telkens de hoedanigheden dit vereisten, en dit zonder aanvullende vergoeding". In artikel 3 lezen we : Het bedrag van het loon is : -V.V.I.-barema algemeen directeur - schaal 201 Met overname van de huidige anciënniteit van 29 jaar = 337.446 bruto per maand ( index 117,19 spil). Dit bedrag wordt gereduceerd tot 80%. Deze reductie wordt verminderd of ongedaan gemaakt als betrokkene zijn hoofddocentschap vermindert tot minder dan één dag per week". In artikel 11 wordt nog uitdrukkelijk overeengekomen... - dat de werknemer bij het verstrijken van de proeftijd zijn verworven rechten behoudt onder meer op basis van de anciënniteit verworven aan de K.U. Leuven op gebied van sociale zekerheid en arbeidsrecht. Tussen 1999 en 2003 bekleedde hij de functie van kabinetschef van de minister van volksgezondheid en werd zijn arbeidsovereenkomst in gemeen overleg geschorst. De heer K. houdt voor dat zijn hoofddocentschap aan de K. U. Leuven reeds met ingang van 1 februari 1998 werd herleid tot minder dan één werkdag per week en na samenspraak met de directeur personeelszaken werd met ingang van 1 april 2004 op basis van artikel 3 van de arbeidsovereenkomst de jobtime en het loon verhoogd tot 100 %. Partijen zijn het erover eens dat er op dat ogenblik in het ziekenhuis nog geen remuneratiecomité bestond en dat er evenmin een procedure was voor de aanpassing van de loon- en arbeidstijdregeling. Wel heeft het hoofd personeelsdienst een formulier jobtimewijziging opgemaakt en ondertekend op 26 april
- Deze aanpassing staat ook te lezen in de begroting 2005 die voorgelegd werd aan de raad van bestuur van 17 februari 2005; de post bezoldigingen en sociale lasten maakt een uitdrukkelijk item van deze begroting uit; niet betwist wordt dat deze cijfers ook besproken werden op de ondernemingsraad. Als algemeen directeur kwam de heer K. in een spanningsveld met het geneesherenkorps rond het voorschrijfgedrag van geneesmiddelen en dit resulteerde in december 2004 in een evaluatie door de raad van bestuur, waarbij op 31 januari 2005 bijkomend een adjunct algemeen directeur werd aangesteld; volgens de voorzitter van de raad van bestuur zaten toen niet alle leden van de raad op dezelfde golflengte. Op 19 april 2005 verzond de bedrijfsrevisor - commissaris een vertrouwelijke nota aan het remuneratiecomité van het ziekenhuis in verband met de verhoging van het tewerkstellingspercentage van 80% (84,21% in de vijfdagenweek) naar 100% van de algemeen directeur, waarover zij werd geïnformeerd door een bestuurder van het ziekenhuis; de bedrijfsrevisor vond geen stavingdocument terug, omdat dit volgens het hoofd van de personeelsdienst op mondelinge instructie gebeurde. De voorzitter van de V.Z.W., de heer J. B., wenste dit voor te leggen aan het remuneratiecomité, maar bestuurder N. K.., tevens lid van het remuneratiecomité, e-mailde onmiddellijk dat zij gelet op de recente reacties binnen de raad van bestuur er geen tijd wilde laten over heen gaan en een standpunt wilde via een extra raad van bestuur. Ook zuster C. d.J. deelde dezelfde dag mee dat zij deze mening deelde. De heer B. organiseerde als voorzitter een spoedvergadering van de raad van bestuur op 21 april 2005; bij toepassing van artikel 11 §1,2° lid van de statuten dient de oproeping schriftelijk te gebeuren, tenminste acht dagen op voorhand en dient zij de dag, uur, plaats en agenda van de vergadering te vermelden. Er wordt aan de heer B. verweten dat hij deze bepaling niet in acht heeft genomen, meer bepaald wat betreft de termijn van acht dagen en de agenda; de uitnodiging voor de spoedvergadering van 21 april 2005 wordt niet voorgebracht. De voorzitter heeft de reden van de spoedvergadering toegelicht; er waren zeven bestuurders aanwezig, de overigen hadden zich verontschuldigd, klaarblijkelijk zonder voorbehoud te maken m.b.t. de termijn of de agenda; ook staande de vergadering werd over het spoedkarakter van de vergadering en over de agenda niet geïnterpelleerd. Naar aanleiding van de vraag van de bedrijfsrevisor, gaf de voorzitter lezing van de arbeidsovereenkomst van de heer K. Door het ontbreken van een schriftelijk akkoord van de voorzitter en/of van de raad van bestuur werd geoordeeld dat de heer K. alleen is opgetreden wat betreft de aanpassing van zijn arbeidstijd en wedde en men was van oordeel dat de arbeidsovereenkomst slechts de ‘mogelijkheid' van een aanpassing voorziet. Meerdere beheerders zijn daarenboven de mening toegedaan dat het alles behalve zeker zou geweest zijn dat de raad van bestuur zou zijn overgegaan tot 100 % remuneratie; het feit dat de leeropdrachten van de heer K. naar een zaterdag waren verschoven, hield volgens hen niet in dat hij beschikbaar was voor een fulltime vijfdagenweek. Daar deze feiten als zeer ernstig werden beschouwd, diende de voorzitter de nodige onderzoeksmaatregelen te nemen, bijkomend juridisch advies in te winnen over de zwaarwichtigheid van de feiten en een brief te schrijven aan de heer K., waarin o.m. gesteld werd dat zijn solo-optreden als een zware fout werd beschouwd, behoudens een gefundeerde uitleg, dat de toepassing van de 100% werd vernietigd tot nader onderzoek en dat hij hieromtrent tot onmiddellijke verantwoording werd verzocht. Op 22 april 2005 overhandigde de voorzitter een schrijven aan de heer K. met de mededeling dat de raad van bestuur had beslist de maatregel tot het ongedaan maken van de reductie van zijn jobtime te vernietigen en hem te verzoeken, indien hij dat wenste, een met redenen omklede nota op te stellen waarin hij de wijziging van zijn jobtime voorstelde en motiveerde en op grond waarvan de raad van bestuur dan een formele beslissing zou nemen. De heer K. verklaarde zich akkoord met de bewarende maatregel dat zijn jobtime en loon werd teruggezet naar 84,21% en hij ondertekende hiertoe een document, dat als startdatum 1 mei 2005 vermeldt. De voorzitter stelt dat hij mondeling juridisch advies had gevraagd omtrent de zwaarwichtigheid van een eventuele dringende reden aan een collega - jurist bij de K.U. Leuven, waarbij men hem tot voorzichtigheid had aangemaand; hij heeft aan de directeur personeelszaken van het ziekenhuis simulaties gevraagd omtrent een opzeggingsvergoeding voor de heer K.. Tevens had hij een nieuwe raad van bestuur gepland voor 3 mei 2005 te 12u. met als agenda : dossier directie. Inmiddels rees een nieuwe discussie tussen de heer K. en de geneesheren omtrent het voorschrijfgedrag. Op de vergadering van de raad van bestuur van 3 mei 2005 te 12 u. deden de beheerders afstand van de formaliteiten voorzien in artikel 11§1 van de statuten en gaf de voorzitter een korte toelichting omtrent de beheerderbijeenkomst van 21 april en gaf hij verslag van zijn onderhoud met de heer K.; omwille van het circuleren van teveel geruchten wenste hij zijn brief aan de heer K. niet voor te leggen, maar wel nam de vergadering kennis van nieuwe bezwarende feiten, zodat men oordeelde dat elke verdere vorm van samenwerking onmogelijk was geworden en dat men juridisch advies zou inwinnen voor een passende ontslagregeling. Opnieuw met afstand van de formaliteiten van termijn en agenda, kwam de raad van bestuur nogmaals samen op 3 mei 2005 te 17u. in aanwezigheid van de raadsman van de V.Z.W., doch aanvankelijk in afwezigheid van de voorzitter, wiens zorgvuldigheid en mandaat werden ter discussie gesteld, onder meer in verband met het niet volgen van de statutaire verplichtingen betreffende het samenroepen van de raad van bestuur op 21 april 2005 en i.v.m. het feit dat zijn brief van 22 april niet de weergave was van de beslissing van de vergadering van 21 april
- Na het horen van hoofdgeneesheer L. P. omtrent de samenwerking met de heer K. werd de heer B. geconfronteerd met de verwijten van de vergadering omtrent zijn voorzitterschap en nam hij ontslag, waarna de vergadering besliste tot het ontslag om dringende reden van de heer K. omwille van volgende zwaarwichtige feiten : 1) de onrechtmatige verrijking door een éénzijdige verhoging van het contractueel overeengekomen salaris van 80% naar 100% sedert 1 april 2004, 2) foutieve uitvoering van het akkoord met de voorzitters tot terugbetaling van de onrechtmatige ontvangen som, 3) lasterlijke aantijgingen en éénzijdig optreden die elke vertrouwelijke en loyale samenwerking onmogelijk maken. De beslissing tot ontslag om dringende reden werd aan de heer K. meegedeeld op 4 mei 2005 en de dringende reden werd toegelicht in een uitvoerig gemotiveerde brief van 6 mei
- De raadsman van de heer K. betwistte de tijdigheid en de motieven van het ontslag om dringende reden in een schrijven van 18 mei 2005 en vorderde een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 37 maanden, door hem becijferd op euro 593.063,38; achterstallig vertrekvakantiegeld, pro rata eindejaarspremie, loon mei 2005, achterstallig loon sedert 1 februari 1998, feestdagenloon, conventioneel brugpensioen, outplacement en rechtsmisbruik. De raadsman van de V.Z.W. zal deze brief op haar beurt tegenspreken in een schrijven van 29 juni 2005 en ze kondigde aan dat zij wegens onrechtmatig ontvangen loon een bedrag van euro 21.191,42 zou terugvorderen. Op 8 juni 2005 stelde de raadsman van de V.Z.W. haar voormalige voorzitter in gebreke en kondigde aan dat de V.Z.W. hem gebeurlijk zou dagvaarden in tussenkomst en vrijwaring, indien de heer K. zou overgaan tot het dagvaarden van de V.Z.W. Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart. De heer B. betwistte deze aantijgingen in een antwoordbrief van 30 juni 2005 en hij lichtte uitvoerig zijn handelwijze toe. Partijen kwamen op geen enkele wijze tot overeenstemming en op 4 juli 2005 dagvaardde de heer K. de VZW in betaling van : - een opzeggingsvergoeding van euro 501.139,66 - vertrekvakantiegeld 2005 van euro 21.580,32 - vertrekvakantiegeld 2006 van euro 7.663,64 - pro rata eindejaarspremie euro 1.106,79 - achterstallig loon vanaf 1 februari 1998 van euro 50.000 provisioneel - feestdagenloon 5 en 16 mei 2005 van euro 1.250,63 - vakantiegeld op feestdagenloon euro 191,85 - aanvullende vergoeding conventioneel pensioen euro 8.487,15 - schadevergoeding rechtsmisbruik euro 50.000 - afgifte sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom, alles te vermeerderen met intresten en kosten. De VZW Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart stelde een tegenvordering in terugbetaling van euro 21.008,16 nettoloon, te vermeerderen met intresten en kosten. Op 21 februari 2006 dagvaardde de V.Z.W. de heer J. B. in tussenkomst en vrijwaring teneinde deze te horen veroordelen tot het bedrag dat de V.Z.W. eventueel aan de heer K. zou verschuldigd zijn; bij tegenvordering vroeg de heer B. dat hem kwijting zou worden verleend voor zijn bestuursperiode en vroeg hij een schadevergoeding van euro 50.
- Bij vonnis van de arbeidsrechtbank Leuven van 21 juni 2007 werd de dringende reden aanvaard en werd de vordering van de heer K. ontvankelijk doch ongegrond verklaard met uitzondering van het vakantiegeld bij uitdiensttreding ten bedrage van euro 17.588,18 en euro 6.
- De tegenvordering van de V.Z.W. tot terugbetaling van het onverschuldigde loon werd ontvankelijk en gegrond verklaard. De vordering in tussenkomst en vrijwaring werd afgewezen als zijnde ongegrond. De tegenvordering van de heer B. wegens tergend en roekeloos geding werd gegrond verklaard ten belope van een morele schadevergoeding van euro 10.000; De sociale en fiscale documenten moeten worden afgeleverd in overeenstemming met het vonnis, maar zonder dat er aanleiding toe bestaat een dwangsom op te leggen. De gerechtskosten van de hoofdvordering werden ten laste van de heer K. gelegd en de gerechtskosten van de vordering in tussenkomst en vrijwaring ten laste van de V.Z.W. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 13 september 2007, tekent de heer K. beroep aan tegen dit vonnis en herneemt hij zijn oorspronkelijke vordering behalve wat betreft de aanvullende vergoeding conventioneel pensioen; tevens vraagt hij dat de tegenvordering van de V.Z.W. ongegrond zou worden verklaard. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 20 september 2007, tekent de V.Z.W. Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart hoger beroep aan tegen het vonnis wat betreft de afwijzing van de vordering in tussenkomst en vrijwaring en wat betreft de veroordeling van de VZW tot betaling van een schadevergoeding aan de heer B. van euro 10.
- BEOORDELING. De V.Z.W. en de heer B. maken melding van de betekening van het vonnis door laatstgenoemde aan eerstgenoemde op 22 augustus 2007, zodat de hogere beroepen alleszins tijdig werden ingesteld. Ze zijn regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan, wat overigens niet wordt betwist. Voor een goede rechtsbedeling dienen beide hogere beroepen te worden samengevoegd.
- De dringende reden Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Artikel 35, laatste lid, voegt hieraan toe dat de partij die een dringende reden inroept, het bewijs moet leveren dat zij deze termijn geëerbiedigd heeft. De kennisname van de feiten waarop het ontslag met dringende reden gesteund is, dient te gebeuren in hoofde van de persoon of het orgaan, bevoegd om tot ontslag over te gaan. De heer K. roept in dat de feiten al langer bekend waren aan de werkgever en dat de werkgever dus niet aantoont dat de drie werkdagentermijn gerespecteerd werd. Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn : - er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief (zie. W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 04-05, nr. 5249). Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren. Benevens het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder A.H. Brussel, 20.6.1980, T.S.R. 1981,41). Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter geven van een zwaarwichtig motief (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, J.T.T. 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, J.T.T. 1973, 212). 1.1 De drie werkdagentermijn. Het ontslag van de heer K. werd gegeven op 4 mei
- Het arbeidshof aanvaardt dat de kennisname van de in de ontslagbrief opgesomde feiten door de raad van bestuur, zijnde het bevoegde orgaan om tot ontslag van de heer K. over te gaan, slechts gebeurde op de rechtsgeldige vergadering van 3 mei
- Als ontslagreden wordt niet alleen ingeroepen de onrechtmatige verhoging van het loon en de niet terugbetaling ervan, doch ook de lasterlijke aantijgingen en het éénzijdig optreden, onder meer ten aanzien van het geneesherenkorps. Dit laatste verwijt steunde op de getuigenis van hoofdgeneesheer L. P. ter zitting van de raad van bestuur van 3 mei 2005 te 17u.; maar ook met betrekking tot de verwijten in verband met de onrechtmatige loonsverhoging en de niet terugbetaling ervan ondervroeg men ter zitting de ontslagen voorzitter, de heer B., over zijn onderhoud met de heer K. en over de inhoud van zijn schrijven van 22 april 2005 aan de algemeen directeur. Ten onrechte wil de heer K. voorhouden dat er al een voldoende zekerheid omtrent de feiten zou bestaan hebben op de vergadering van 21 april
- Op 21 april 2005 werd aan de voorzitter van de V.Z.W. uitdrukkelijk opgedragen om de nodige onderzoeksmaatregelen te nemen, bijkomend juridisch advies in te winnen over de zwaarwichtigheid van de feiten en een duidelijke brief te schrijven aan de heer K. waarin o.m. werd gesteld dat zijn handelen te beschouwen is als een zware fout behoudens een gefundeerde uitleg; in de brief van de voorzitter van 22 april 2005 wordt de heer K. dan ook uitgenodigd om een met redenen omklede nota op te stellen waarin u de wijziging aan uw jobtime voorstelt en motiveert; op grond van die gemotiveerde aanvraag zal de raad van bestuur een formele beslissing nemen. Het is dan ook duidelijk dat op 21 april 2005 niet alle noodzakelijke feitelijke gegevens aanwezig waren en verder onderzoek noodzakelijk werd geacht in functie van de te nemen beslissing. 1.
- Het bewijs van de ernstige tekortkoming De derde ontslagreden, m.n. de lasterlijke aantijgingen en het éénzijdig optreden, is vaag geformuleerd en verwijst niet naar concrete incidenten; vermoedelijk is het verwijt terug te brengen tot de gespannen verhouding die bestond tussen de algemeen directeur en het medisch korps, onder meer omwille van de belangentegenstelling rond het voorschrijfgedrag ( zie stukken 16 tot en met 22 van de heer K. en de stukken 12, 13, 28 en 29 van de V.Z.W.; uit de stukken 17 en 19 van de heer K. blijkt dat het ziekenhuis in de inspectierapporten van de visitatiecommissie en van het directoraat generaal geneesmiddelen ernstige opmerkingen kreeg over het niet in orde zijn van de voorschriften; uit de stukken 20 en 21 volgt dat er voor 19 mei 2005 een herinspectie in het vooruitzicht stond). Het is niet ongewoon dat er in zulke situatie al eens een onvertogen woord valt, zelfs tussen verstandige mensen, maar dit moet opgelost kunnen worden; een ontslag met dringende reden is hiervoor echter niet het geëigende middel, daar een dergelijk ontslag enkel mogelijk is bij een ernstige tekortkoming die de professionele samenwerking onmiddellijk onmogelijk maakt; hiervan wordt geen bewijs geleverd ook niet via de stukken 12 en 13 van het ziekenhuis, die uitgaan van de rechtstreeks betrokkenen en die een éénzijdige weergave zijn van de bestaande spanningen. De eerste en de tweede ontslagreden, respectievelijk het onrechtmatig verhogen van de eigen wedde van 84,21 procent naar 100 procent omwille van de herleiding van de prestaties in het kader van het hoofddocentschap enerzijds en de niet terugbetaling anderzijds, houden met mekaar verband. De raad van bestuur van de V.Z.W. neemt bij haar beslissing van 3 mei een zeer verward en tegenstrijdig standpunt in door enerzijds aan de heer K. te verwijten dat hij niet overgegaan is tot terugbetaling van een deel van zijn wedde voor de periode van 1 april 2004 tot 30 april 2005 en dit o.m. in strijd met wat gevraagd werd door de voorzitter van de V.Z.W. in de brief van 22 april 2005, terwijl anderzijds de raad zich distantieert van deze brief, o.m. omdat de brief geen juiste weergave zou zijn van wat beslist werd door de raad van bestuur op 21 april 2005, vergadering waarvan de raad van bestuur zich op 3 mei 2005 dan ook weer distantieert omwille van het niet naleven van de statuten. Ten onrechte zet de V.Z.W. een constructie op om haar eigen vergadering van 21 april 2005 als rechtsongeldig te zien doorgaan wegens het niet naleven van de statuten. Het niet respecteren van de statutair bepaalde oproepingstermijn voor het bijeenroepen van de raad van bestuur maakt de oproeping niet nietig; noch de V.Z.W.-wet, noch de statuten voorzien een sanctie; er wordt geen belangenschade aangetoond en tijdens de vergadering werd ook geen enkele opmerking op dit punt geformuleerd ( Gent, 25 maart 1999, A.J.T. 2000-01, 90 met noot G. BALLON). Er waren geen niet verontschuldigde afwezigheden en bij hun verontschuldigingen hebben de niet aanwezige leden geen enkel voorbehoud gemaakt. De raad van bestuur erkent in het verslag van 3 mei 2005 ( 17 u.) dat de feiten, zoals vermeld in het ontwerpverslag van de vergadering van 21 april, kloppen met de inhoud van de vergadering zoals die is verlopen; tevens erkent de V.Z.W. dat er op deze vergadering collegiale beslissingen konden worden genomen ( zie haar aanvullende conclusie - synthese conclusie 21 mei 2008, p. 13 §2). Er is dan ook geen enkele belangenschade, temeer daar de tweede ontslagreden gebaseerd is op de niet naleving van wat op 21 april 2005 beslist werd en waarvan de brief van de voorzitter van 22 april 2005 de neerslag diende te zijn. De V.Z.W. legt ook de oproepingsbrief van de vergadering van 21 april 2005 niet voor, zodat het ontbreken van de agenda niet kan gecontroleerd worden. Het arbeidshof ziet ook niet in hoe de voorzitter een foutieve uitvoering zou hebben gegeven aan de vergadering van 21 april 2005, wat hierna verder zal worden toegelicht. Terecht werd op de vergadering van 21 april 2005 geoordeeld dat er nader onderzoek noodzakelijk was omtrent de tijdsbesteding ingevolge het docentschap van de heer K. aan de KU Leuven; terecht werd hierover een gefundeerde uitleg verwacht, zonder dewelke men onvoldoende gegevens had om tot een ontslag om dringende reden te beslissen. Het arbeidshof weerhoudt dat : - ongeacht de bedenkingen van de V.Z.W. in verband met het zogenaamde rechtsongeldig karakter van de vergadering van 21 april 2005, de raad van bestuur in het verslag van 3 mei 2005 ( 17 u.) erkent dat de feiten, zoals vermeld in het ontwerpverslag van de vergadering van 21 april kloppen met de inhoud van de vergadering zoals die is verlopen; tevens wordt niet betwist dat er op de vergadering van 21 april 2005 collegiaal beslist werd; - in dit verslag van de vergadering van 21 april 2005 bijkomend onderzoek nodig wordt geacht en aan de voorzitter van de V.Z.W. gevraagd wordt m.b.t. tenlastelegging 1 een brief te schrijven aan de heer K. waarin o.m. wordt gesteld dat zijn handelen te beschouwen is als een zware fout, behoudens een gefundeerde uitleg; - de voorzitter van de V.Z.W. ingevolge dit mandaat op 22 april 2005 de heer K. schriftelijk uitnodigt een met redenen omklede nota op te stellen waarin hij de wijziging van zijn jobtime voorstelt en motiveert, op grond waarvan nadien een formele beslissing zal worden genomen; - de voorzitter van de V.Z.W. de vergaderingen van de raad van bestuur van 3 mei 2005 ( 12u. en 17u.) rapporteert over al het voorgaande en o.m. meedeelt dat hij van de heer M. K. nog geen antwoord had ontvangen, waarvan akte wordt genomen op 3 mei 2005; - de raad van bestuur op 3 mei 2005 te 17 u. beslist dat omwille van deze tenlastelegging elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk is en dat de heer K. wordt ontslagen met dringende reden. Aldus wordt langs de ene zijde het handelen van de heer K. gekwalificeerd als een zware fout behoudens een gefundeerde uitleg en beslist men collegiaal tot bijkomend onderzoek en wordt er langs de andere zijde op 3 mei 2005 beslist tot een dringende reden zonder de gevraagde uitleg af te wachten. In de gegeven omstandigheden was de door de werkgever gevraagde gefundeerde uitleg noodzakelijk om voldoende zekerheid te verkrijgen omtrent het bestaan van het feit en de omstandigheden die er een dringende reden kunnen van maken (vgl. Cass., 5 november 1990, R. W. 1990-91, 1124; Arbeidshof Brussel, 23 januari 1991, T.S.R. 1991, 120), zodat de V.Z.W. niet het bewijs levert van een voldoende zwaarwichtige reden om tot ontslag met dringende reden te kunnen overgaan. In het verslag van de vergadering van 21 april 2005 staat immers te lezen dat de heer K. zijn leeropdrachten naar een zaterdag heeft verschoven, zodat het zeer wel mogelijk is dat hij een fulltime vijfdagenweek van 38 uren voor de kliniek presteerde. De lezing (door bepaalde leden van de raad van bestuur) van de artikelen 2 en 3 van de arbeidsovereenkomst dat er nog een onderhandeling nodig was bij een reductie van het hoofddocentschap van de heer K., wordt door het arbeidshof niet gevolgd, daar deze reductie niet als mogelijkheid maar wel als voorwaarde wordt geformuleerd. Anders dan wordt voorgehouden in het ontwerp verslag van 21 april 2005, komt het woord kunnen in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst niet voor. Het woordje of in artikel 3 verwijst enkel naar een pro rata vermindering, indien er minder dan één dag per week gecumuleerd werd tussen de werkzaamheden aan de KU Leuven en de arbeidstijd in de kliniek. Dit neemt niet weg dat de heer K. bij het realiseren van deze voorwaarde zijn werkgever naar behoren had dienen in te lichten en gelet op zijn positie heeft hij een fout gemaakt door deze inlichting te beperken tot het hoofd personeelszaken, wiens meerdere hij was. In zijn verklaring bevestigt dr. De Weer dat de heer K. zich bewust was dat de manier waarop fout was, ook al werd de clausule in zijn contract correct toegepast. Hiertegenover staat dat er op het ogenblik van de weddenaanpassing geen regels waren omtrent het omgaan met de arbeidstijdaanpassingen en dat er ook geen remuneratiecomité bestond. Evenmin heeft de heer K. de aanpassing willen verbergen, daar er op de dienst personeelszaken wel een document aanwezig was en daar de weddenaanpassing ook ter tafel kwam in de raad van bestuur en in de ondernemingsraad bij de bespreking van de begroting. In deze omstandigheden had de raad van bestuur op 3 mei 2005 de noodzakelijke toelichting omtrent de juiste omstandigheden, te geven door de heer K., dienen af te wachten of hem een laatste instructie moeten geven tot het antwoorden binnen een bepaalde termijn. Deze feitelijke gegevens waren immers onontbeerlijk om een inzicht te bekomen in de aard en de ernst van de verweten tekortkoming; bij het ontbreken daaraan bewijst de V.Z.W. de zwaarwichtigheid van de dringende reden niet. Bovendien vereist de goede trouw in de verhouding werkgever-werknemer dat, wanneer men in verband met een mogelijke zware fout een gefundeerde uitleg vraagt, men deze uitleg ook afwacht of minstens een eindtermijn stelt tegen wanneer de uitleg moeten gegeven zijn. Het is duidelijk dat de terugzetting van de wedde van 100 procent naar 84,21 procent met ingang van 1 mei 2005 een bewarende maatregel was, gelet op de met redenen omklede nota die van de heer K. verwacht werd en waarna een formele beslissing zou genomen worden. De instemming van de heer K. met de terugbetaling van het teveel ontvangen loon sinds 1 april 2004 wordt door hem betwist; de voorzitter van de raad van bestuur deelde aan de raad mee dat de heer K. ingestemd had met deze terugbetaling; dit is nochtans in strijd met het door de heer K. ondertekende stuk, dat als startdatum 1 mei 2005 vermeldt; ook in de brief van de raadsman van de heer K. van 18 mei 2005 wordt gesteld dat met de terugbetaling niet meer bedoeld werd dan dat deze enkel betrekking zou hebben op de bewarende maatregel. Gelet op deze betwisting is de enkele melding van de voorzitter op de raad van bestuur van 3 mei 2005 onvoldoende bewijskrachtig om een tekortkoming in de zin van een dringende reden lastens de heer K. aan te tonen. Het ontslag om dringende reden kan niet worden weerhouden, daar het bewijs van een ernstige tekortkoming, die de samenwerking onmiddellijk onmogelijk maakte, niet voorlag.
- De eis in tussenkomst en vrijwaring ten aanzien van de voorzitter van de V.Z.W. en diens tegenvordering. Hierboven werd geoordeeld dat de raad van bestuur van de V.Z.W. zelf onverhoeds en ondoordacht gehandeld heeft in verband met het ontslag om dringende reden; dit gebeurde nadat de voorzitter van de V.Z.W. zijn ontslag had aangeboden omwille van de verwijten en tenlasteleggingen, die de raad van bestuur ten aanzien van hem formuleerde. De voorzitter had dus geen deel aan de beslissing in verband met het ontslag om dringende reden van de heer K., zodat de vordering in tussenkomst en vrijwaring ongegrond is. Op goede gronden heeft de eerste rechter geoordeeld dat de heer B. als voorzitter geen persoonlijke fout kan verweten worden, zodat zijn integriteit en goede naam ten onrechte werd beschadigd. De V.Z.W. brengt de uitnodiging voor de vergadering van de raad van bestuur van 21 april 2005 niet voor, zodat zij niet aantoont dat de statutaire bepalingen van artikel 11§1 niet zijn nageleefd; bovendien wenste de voorzitter het verzoek van de bedrijfsrevisor voor te leggen aan een remuneratiecomité, maar dit kon niet op de goedkeuring rekenen van de ondervoorzitter, zuster C.. D.J. en bestuurder K.., die de voorzitter aanspoorden een dringende vergadering van de raad van bestuur te organiseren. Op deze vergadering heeft de voorzitter kennis gegeven van het verslag van de bedrijfsrevisor en las hij de arbeidsovereenkomst van de heer K. voor; hij gaf aan akkoord te gaan met de voorgestelde werkwijze tot nader onderzoek en het schriftelijk interpelleren van de heer K.; het verwijt van een lakse houding, het laattijdig kennis geven van het verslag van de bedrijfsrevisor en het niet reageren op de vraag van mevrouw Van Deurzen is dan ook onterecht (zie verslag RvB 3 mei 2005 (17 u.) 2.3/4/5). Op de vergadering van de raad van bestuur van 3 mei 2005 ( 12u.) heeft de voorzitter de leden ingelicht omtrent zijn initiatieven naar de heer K. zonder zijn brief in kopie te overhandigen om te vermijden dat er onterechte geruchten zouden gaan circuleren. Op de vergadering van 21 april 2005 ontving hij een uitdrukkelijk mandaat om een brief te schrijven aan de heer K. en uit de kleine verschillen in verband met de formulering van de brief en het nadien opgestelde verslag kan niet afgeleid worden dat de voorzitter zijn mandaat niet zou zijn nagekomen; tevens was hij, gelet op het mandaat van de vergadering van 21 april, gerechtigd om deze brief alleen te ondertekenen, daar op grond van artikel 12 §3 van de statuten de raad van bestuur zijn bevoegdheid gedeeltelijk kan overdragen aan een bestuurder en zelfs aan een derde persoon die geen lid is van de vereniging. Bovendien volgt uit het ontwerpverslag van de spoedvergadering van 21 april 2005 dat de voorzitter en/of de raad van bestuur het werkgeversgezag ten aanzien van de heer K. konden uitoefenen en dit wordt ook bevestigd in de syntheseconclusie van de V.Z.W. van 21 mei 2008 op pagina 37; het verwijt dat de voorzitter de brief aan de heer K. alleen had ondertekend is in die optiek erg kunstmatig. Tevens heeft hij bij een collega-jurist bij de K.U. Leuven mondeling juridisch advies ingewonnen omtrent de haalbaarheid van een mogelijke dringende reden, waarbij men hem tot voorzichtigheid had aangemaand en heeft hij het hoofd van de personeelsdienst verschillende berekeningen in verband met een opzeggingsvergoeding laten opmaken. In die omstandigheden is de notulering in het verslag van de raad van bestuur van 3 mei 2005 ( 17u.) als zou de heer B. als algemeen directeur niet gehandeld hebben als een algemeen zorgvuldig voorzitter, maar dat hij is blijven stilzitten, zijn bevoegdheid te buiten is gegaan en dat hij gehandeld heeft zonder mandaat van de raad van bestuur eerrovend; bovendien wordt deze onterechte beschuldiging herhaaldelijk hernomen in de ontslagbrief van de heer K. en er betiteld als misleidend optreden; de heer B. werd op basis hiervan in gebreke gesteld en nadien gedagvaard. De schadevergoeding, zoals door de eerste rechter begroot, staat dan ook in een zeker oorzakelijk verband met de fout, die de V.Z.W. ten aanzien van haar voorzitter maakte. Het hoger beroep van de V.Z.W. is op dit punt ongegrond en de heer B. stelt geen incidenteel beroep in, daar hij de schadebegroting van de eerste rechter kan aanvaarden.
- De opzeggingsvergoeding. Aangezien de dringende reden niet kan worden aanvaard, heeft de heer K. recht op een opzeggingsvergoeding, die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). Het lopende loon waarop de opzeggingsvergoeding moet worden berekend, is het loon dat van toepassing is op het ogenblik van het ontslag. ( Cass., 6 september 1982, J.T.T. 1983,94). In akkoord met de heer K. was zijn lopend loon met ingang van 1 mei 2005 teruggezet naar 84,21 procent; rekening houdend hiermee heeft de heer K. recht op een jaarwedde van euro 141.280,07, zoals terecht door de V.Z.W. becijferd. Mits een juiste evaluatie te geven aan de anciënniteit, met inbegrip van de conventioneel toegekende anciënniteit (art. 11 van de arbeidsovereenkomst), hetzij 31,50 jaar, aan de leeftijd, hetzij 59,16 jaar, de functie, hetzij algemeen directeur en de wedde, hetzij euro 141.280,07, heeft de heer K. recht op een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 32 maanden, of euro 376.746,
- Misbruik van ontslagrecht. Naast de opzeggingsvergoeding vraagt de heer K. dat de V.Z.W. zou veroordeeld worden tot betaling van een vergoeding van euro 50.000 ex aequo et bono wegens misbruik van ontslagrecht. Het feit dat een dringende reden niet weerhouden wordt, brengt niet meteen mee dat het ontslag aangetast is door rechtsmisbruik ( Arbeidshof Brussel, 21 juni 1993, J.T.T. 1994,82; Arbeidshof Gent, 10 december 1976, R.W. 1976-77, 2225; Arbeidshof Luik ,7 december 1995, Soc. Kron. 1997, 140; Arbeidshof Bergen,,15 juli 1999, JTT 2000, 379). De opzeggingsvergoeding heeft een forfaitair karakter en dekt de volledige schade die door het ontslag werd veroorzaakt, zowel de materiële als de morele schade ( Cass., 7 mei 2001, J.T.T. 2001, 410). Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, m.a.w. voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden (Cass., 26 september 2005, Soc. Kron. 2006,69). De heer K. heeft zelf een formele fout begaan door zijn arbeidstijd- en weddeaanpassing enkel te bespreken met het hoofd personeelszaken; hij toont niet aan dat de ruchtbaarheid, die naar buiten uit aan zijn ontslag werd gegeven, het gevolg is van enig initiatief van de V.Z.W., die zelf om discretie gevraagd had. In die zin is zijn vordering m.b.t. misbruik van ontslag ongegrond.
- Vertrekvakantiegeld, pro rata eindejaarspremie, achterstallig loon en feestdagenloon. De heer K. brengt geen kritiek uit op de becijfering van het vertrekvakantiegeld, zoals toegepast door het sociaal secretariaat van de V.Z.W. en zoals weerhouden door de eerste rechter. Ook de pro rata eindejaarspremie werd door het sociaal secretariaat van de V.Z.W. correct becijferd op euro 2.796,07 x 4/12 = euro 932,
- Ten onrechte vordert de heer K. achterstallig loon aan 100 % met ingang van 1 februari 1998, daar hij voor deze periode niet aantoont dat de noodzakelijke voorwaarde, vermeld in de artikelen 2 en 3 van zijn arbeidsovereenkomst, gerealiseerd was, met name de herleiding van zijn hoofddocentschap tot minder dan één dag per week, zodat hij in staat was zijn normale arbeidsduur van 38 uur in een vijfdagenweek voor de kliniek te presteren. Op grond van artikel 14 van het feestdagenbesluit van 18 april 1974 heeft de heer K. recht op betaling van het loon voor de feestdagen van 5 en 16 mei 2005; deze verplichting houdt enkel op, zodra de werknemer begint te arbeiden voor een nieuwe werkgever, wat niet het geval was. Dit feestdagenloon kan worden becijferd op de euro 8.545,34/21,66 x 2 = euro 789,
- het vakantiegeld hierop bedraagt euro 789,04 x 15,34% = euro 121,
- In verband met de opzeggingsvergoeding en de toegekende posten dienen de nodige fiscale en sociale documenten te worden afgeleverd, maar er wordt niet aangetoond dat deze afgifte zou moeten worden opgelegd onder verbeurte van een dwangsom.
- Terugbetaling loonverschil tussen 100% en 84,21% voor de periode van 1 april 2004 tot 30 april 2005 De V.Z.W. stelde een tegenvordering in terugbetaling van het loonverschil tussen 100% en 84,21% voor de periode van 1 april 2004 tot 30 april
- Hierboven werd vastgesteld dat niet aangetoond werd dat de heer K. akkoord ging met het terugzetten van zijn wedde naar 84,21 procent voor deze periode. De terugvordering van het onverschuldigd betaalde is aan twee voorwaarden onderworpen, enerzijds een betaling, anderzijds, het onverschuldigd karakter ervan ( Cass., 26 juni 1998, A. C. 1998, 334); het onverschuldigd karakter van de betaling wordt door de V.Z.W. niet bewezen. De V.Z.W. bewijst immers niet dat de heer K. zijn functie als algemeen directeur niet volledig uitvoerde omwille van zijn hoofddocentschap aan de K.U. Leuven; zoals hierboven in verband met de dringende reden besproken, heeft de V.Z.W. hieromtrent een onvolkomen onderzoek gedaan. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Voegt de hogere beroepen, ingeleid door de heer K. en door de V.Z.W. Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart, gekend onder de A.R. 50.240 en 50.261 samen; Verklaart het beroep van de heer K. ontvankelijk, en gedeeltelijk gegrond; Verklaart het beroep van de V.Z.W. Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het vonnis wat betreft de veroordeling tot betaling van het vakantiegeld bij uitdiensttreding ten bedrage van euro 17.588,18 en euro 6.643, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op het overeenstemmende netto; bevestigt het vonnis wat betreft de afwijzing van de vordering tot tussenkomst en vrijwaring en de veroordeling van de V.Z.W. Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart tot betaling aan de heer B. van een morele schadevergoeding van euro 10.000 en wat betreft de gerechtskosten van deze vordering in eerste aanleg Vernietigt het vonnis voor het overige en opnieuw recht doende, Verklaart de vordering van de heer K. ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond: Veroordeelt de V.Z.W. Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart tot betaling aan de heer K. van volgende bedragen : - opzeggingsvergoeding euro 376.746,84 - pro rata eindejaarspremie euro 932,02 - feestdagenloon euro 789,04 - het vakantiegeld hierop euro 121,04, te vermeerderen met de wettelijke intresten op het overeenstemmende netto vanaf 4 mei 2005 op de opzeggingsvergoeding, pro rata eindejaarspremie en het feestdagenloon en te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op het overeenstemmende netto vanaf 4 juli 2005 op al deze bedragen. Veroordeelt de V.Z.W. Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart tot afgifte aan de heer K. van de sociale en fiscale documenten wat betreft de toegekende bedragen, met inbegrip van een aangepaste C4-formulier. Wijst het meer gevorderde af. Verklaart de tegenvordering van de V.Z.W. Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart ontvankelijk doch ongegrond. Compenseert de gerechtskosten en veroordeelt de heer K. tot 1/3 en de V.Z.W. Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart tot 2/3 van de gerechtskosten in verband met hun vorderingen, deze aan de zijde van de heer K. voor beide aanleggen begroot op euro 1.354,40 en aan de zijde van de V.Z.W. begroot op euro 10.000; Veroordeelt de V.Z.W. Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart tot betaling aan de heer B. van de gerechtskosten in verband met het hoger beroep wat betreft haar vordering in tussenkomst en vrijwaring, deze aan de zijde van de heer B. begroot op euro 10.
- Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, L. REYBROECK. A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 november 2008 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081107.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div