id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 20 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081120.12 Rolnummer: 38.528 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-05 Raadplegingen: 147 - laatst gezien 2026-07-02 18:22 Fiches 1 - 3 In de mate dat men de beslissing tot terugvordering van een Landsbond als een volwaardige administratieve rechtshandeling beschouwt, dient men eveneens toepassing te maken van art. 159 van de grondwet dat de rechter oplegt de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten alleen toe te passen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. De toepassing ervan wordt niet beperkt door de omstandigheid dat, bij gebreke aan beroep, de onwettige administratieve handeling definitief is geworden. Wanneer een sociaal verzekerde op verzoek van de verzekeringsinstelling overgaat tot terugbetaling aan deze laatste van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die hem onverschuldigd zouden betaald geweest zijn, doch achteraf blijkt dat de terugvordering door de verzekeringsinstelling onterecht was, dan is de verjaringstermijn die van toepassing is op de vordering tot terugbetaling van de sociaal verzekerde niet de verjaring bedoeld in artikel 174 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 doch de verjaring bedoeld in artikel 2662bis van het burgerlijk wetboek, nu het voorwerp van de vordering niet de betaling is van prestaties van de ziekteverzekering maar wel de terugbetaling van een som die de sociaal verzekerde ten onrechte betaalde aan de verzekeringsinstelling. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GRONDWET - SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - niet bestreden beslissing tot terugvordering van de verzekeringsinstelling - rechtsmacht van de arbeidsgerechten - terugvordering van ten onrechte aan de verzekeringsinstelling teruggestorte bedragen in uitvoering van een niet gerechtvaardigde vraag tot terugbetaling. - verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 195 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nota: I J N art 159 Ook gerangschikt onder I B art 2262 bis en VII D N art 174 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Controle - geschillen - Verjaring Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - niet bestreden beslissing tot terugvordering van de verzekeringsinstelling - rechtsmacht van de arbeidsgerechten - terugvordering van ten onrechte aan de verzekeringsinstelling teruggestorte bedragen in uitvoering van een niet gerechtvaardigde vraag tot terugbetaling. - verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 174 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: VII DN art. 174 ook gerangschikt onder I B art 2262bis en IJN art.
- UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - niet bestreden beslissing tot terugvordering van de verzekeringsinstelling - rechtsmacht van de arbeidsgerechten - terugvordering van ten onrechte aan de verzekeringsinstelling teruggestorte bedragen in uitvoering van een niet gerechtvaardigde vraag tot terugbetaling. - verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2262bis - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Nota: I B art 2262bis Ook gernagschikt onder I B art 2262bis en VII DN art
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 NOVEMBER
- 7DE KAMER Not. 580 2° G.W. Ziekte- en invaliditeitsverzekering Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE LANDSBOND VAN LIBERALE MUTUALITEITEN, met kantoren gevestigd te 1050 BRUSSEL, Livornostraat
- Appellant, vertegenwoordigd door Mr K. AP-PELTANTS loco Mr S. VYVERMAN, advocaat te Strombeek-Bever. Tegen : V. M. D., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr S. JANSSENS, advocaat te Liedekerke. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 26 maart 1999; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 6 mei 1999; - de besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2008 waarna de debatten gesloten werden. De zaak werd overgemaakt aan het Openbaar Ministe-rie voor schriftelijk advies neer te leggen ter griffie van het Arbeidshof op uiterlijk 23 oktober
- Gelet op het schriftelijk advies van de heer J.J. ANDRE, Advocaat-generaal, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 22 oktober 2008, waarop de partijen niet meer wensen te repliceren. Gelet op de neergelegde stukken.
- DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING
- Bij verzoekschrift van 8 april 1998 vorderde de Landsbond van Liberale Mutualiteiten de veroordeling van de heer V. M. tot terugbetaling van een bedrag van 394,64 euro als ten onrechte betaalde arbeidsonge-schiktheidsuitkeringen. Dit bedrag was het saldo van een oorspronkelijke terugvordering van een bedrag van 890,43 euro die betrekking had op de periode van 6 februari 1997 tot en met 28 februari 1997, en waarop de heer V. M. reeds een bedrag van 495,79 euro in der minne terugbetaald had. De terugvordering steunde hierop dat de heer V. M. vanaf 5 februari 1997 het werk zou hervat hebben.
- Bij vonnis van 26 maart 1999, ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 8 april 1999, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de vordering van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten afgewe-zen. De Arbeidsrechtbank steunde daarbij op een schrijven van de werkgever van de heer V. M. waarin deze vermeldde dat er geen werkhervatting plaats-vond, maar dat wel de arbeidsovereenkomst op 24 fe-bruari 1997 verbroken werd met betaling van een ver-brekingsvergoeding. De Arbeidsrechtbank stelde daar-bij vast dat de heer V. M. reeds meer terugbetaald had dan hetgeen hij onverschuldigd ontvangen had voor de periode vanaf 24 februari
- Bij verzoekschrift van 5 mei 1999 heeft de Landsbond van Liberale Mutualiteiten hoger beroep ingesteld. De Landsbond van Liberale Mutualiteiten laat gelden dat er wel degelijk een werkhervatting plaatsvond op 5 februari 1997 en verwijst daarbij naar documenten die door de werkgever werden afgeleverd op het ogen-blik van de werkhervatting en naar aanleiding van de verbreking van de arbeidsovereenkomst (C4 document). In het verzoekschrift in hoger beroep wordt gesteld dat de heer V. M. dient veroordeeld te worden tot terugbetaling van een bedrag van 400,70 euro . Er wordt daarbij van uitgegaan dat enkel de uitkeringen van 5 tot 9 februari en die van 24 tot 28 februari onver-schuldigd waren. In besluiten, neergelegd op 9 april 2002, stelde de Landsbond va Liberale Mutualiteiten dat, gelet op de door de heer V. M. reeds terugbetaalde som, er een saldo in het voordeel was van de heer V. M. van 95,09 euro . Bij besluiten van 20 maart 2006 vraagt de Landsbond van Liberale Mutualiteiten echter de veroordeling van de heer V. M. tot betaling van een saldo van 345,23 euro . In deze berekening wordt ervan uitgegaan dat het geheel van de uitkeringen vanaf 6 februari 1997 onverschuldigd betaald zijn. Bij besluiten van 19 februari 2002 stelt de heer V. M. een tegenvordering in en vraagt hij de veroorde-ling van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten tot terugbetaling van een som van 273,19 euro . Hij vraagt verder de veroordeling van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten tot betaling van een schadevergoeding van 350,00 euro wegens tergend en roekeloos hoger be-roep. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Het is inge-steld binnen de maand na de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief, overeenkomstig art. 792 van het Gerechtelijk Wetboek en is aldus tijdig. III. BEOORDELING. Het hoofdberoep van de Landsbond van Liberale Mutua-liteiten.
- De door de Landsbond van Liberale Mutualiteiten voorgelegde stukken van de werkgever bevestigen in-derdaad dat er een werkhervatting gebeurde op 5 fe-bruari
- Deze stukken worden echter tegengesproken door een nieuwe attest van de werkgever van 7 juni 2002 waar-in deze uitdrukkelijk stelt dat in het attest van werkhervatting een administratieve fout begaan werd en dat er geen werkhervatting gebeurd is op 5 fe-bruari
- De werkgever voegt bij zijn schrijven een attest van arbeidsongeschiktheid dat hij op 28 januari 1997 ontving en dat een arbeidsongeschikt-heid bevestigde van 27 januari 1997 tot en met 9 fe-bruari
- De heer V. M. legt verder een op 10 februari 1997 opgesteld attest van zijn huisarts voor, waarin een werkonbekwaamheid van 10 februari 1997 tot en met 23 februari 1997 wordt bevestigd. In functie van deze documenten dient geoordeeld te worden dat er geen werkhervatting gebeurde op 5 fe-bruari 1997 en de heer V. M. derhalve het recht op uitkeringen behield tot en met 23 februari
- Enkel de uitkeringen, die betaald werden voor de pe-riode van 24 februari 1997 tot 28 februari 1997 zijn onverschuldigd omdat de werkgever voor deze periode de werkgever een verbrekingsvergoeding betaalde. Vermits de heer V. M. aldus reeds meer terugbetaald heeft dan hetgeen hij onverschuldigd ontvangen had, heeft de eerste rechter terecht de vordering van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten afgewezen.
- Ten onrechte roept de Landsbond van Liberale Mutua-liteiten in dat, vermits de heer V. M. geen beroep heeft aangetekend tegen zijn schrijven van 7 maart 1997, waarbij aan de heer V. M. medegedeeld werd dat hij onverschuldigde uitbetalingen ontvangen had, hij niet meer de mogelijkheid zou hebben om in het kader van een latere terugvorderingsbeslissing, het onverschuldigd karakter van de uitkeringen te be-twisten (toepassing art. 23 van de wet van 11 april 1995 houdende het Handvest van de Sociaal Verzeker-de). De ‘beslissing tot terugvordering' van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten is, in tegenstelling tot een beslissing tot toekenning of weigering van een prestatie, of beslissingen van een openbare instel-ling die over het voorrecht van tenuitvoerlegging beschikt, niet als dusdanig uitvoerbaar. De Lands-bond van Liberale Mutualiteiten dient zich, overeen-komstig artikel 164 van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, tot de arbeidsrechtbank te wenden ten einde een titel te bekomen om het onverschuldigd betaalde te kunnen te-rugvorderen. De taak van de Arbeidsrechtbank bestaat er in dat geval in de aanspraak van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten, het recht op terugvordering, te on-derzoeken i.f.v. de toepasselijke wetgeving. De Arbeidsrechtbank kan daarbij geen aanspraak of recht toekennen, die niet met de wet in overeenstem-ming zijn. Geen enkele wettelijke bepaling beperkt verder de bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank tot een onderzoek van de formele geldigheid van de te-rugvorderingsbeslissing. In de mate dat men overigens de beslissing tot te-rugvordering van een landsbond van mutualiteiten als een volwaardige administratieve rechtshandeling be-schouwt, dient men eveneens toepassing te maken van art. 159 van de Grondwet dat de rechter oplegt de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe te passen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Deze bepaling vindt eveneens toepassing op de individuele administratie-ve rechtshandelingen ( Cass.24.11.1988, Pas. 1988, 334). De toepassing ervan wordt niet beperkt door de omstandigheid dat, bij gebreke aan beroep, de onwet-tige administratieve handeling definitief is gewor-den. (Cass.21.04.1988, R.C.J.B.,1990,p. 402 met noot P.Quertainment en Pas.1998, I, 983 met de conclusies van advocaat-generaal Janssens de Bisthoven). ( cfr. ook J. Martens, "La charte de l'assuré social, le privilège du préalable et la décision administrative exécutoire", Soc. Kron. 2006, p. 574 e.v. met ver-dere verwijzingen en C.Desmecht: "L'article 159 de la Constitution : un article qui vous veut du bien", Tijdschrift voor Belgisch burgerlijk Recht, 2006,287 e.v.). De tegenvorderingen.
- De vordering tot terugbetaling van het onver-schuldigd betaalde. De Landsbond van Liberale Mutualiteiten stelt een tegenvordering in tot terugbetaling van een som van 495,79 euro (bedrag dat hij reeds terugbetaalde) - 222,60 euro (uitkeringen voor de periode van 24 tot 28 februari 1997) = 273,19 euro . In functie van de beoordeling van het hoofdberoep van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten is de vordering principieel gegrond. De vraag stelt zich of de tegenvordering, die inge-steld werd meer dan 2 jaar nadat de terugbetaling geschiedde, niet verjaard is in toepassing van arti-kel 174 van de gecoördineerde wetten van 14 juli
- Terecht wordt in het advies van het openbaar minis-terie gesteld dat het voorwerp van de vordering van de heer V. M. niet de betaling is van prestaties in de ziekteverzekering, (prestaties die de heer V. M. genoten heeft in de loop van de maand februari 1997), maar wel de terugbetaling van een som die de heer V. M. ten onrechte betaald heeft aan de Lands-bond van Liberale Mutualiteiten, in uitvoering van een niet gerechtvaardigde vraag tot terugbetaling. Op een dergelijke vordering is artikel 2662 bis van het burgerlijke Wetboek van toepassing, zoals gewij-zigd door de wet van 10 juni
- De terugvorde-ringstermijn bedraagt aldus 10 jaar. Gelet op het ogenblik van het instellen van de tegenvordering is deze tegenvordering niet verjaard.
- De vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Op basis van de elementen waarover de Landsbond van Liberale Mutualiteiten beschikte op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep was het instellen van een hoger beroep niet tergend of roekeloos. Het is slechts ingevolge de bijkomende informatie die door de werkgever in de loop van de beroepsprocedure werd aangebracht, dat het hoger beroep ongegrond is gebleken. Deze vordering is dan ook ongegrond. OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewij-zigd, inzonderheid op artikel 24; Gehoord in zijn eensluidend schriftelijk advies de heer J. J. ANDRE, Advocaat-generaal; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch onge-grond en bevestigt het bestreden vonnis; Verklaart de tegenvordering tot terugbetaling van de som van 273,19 euro ontvankelijk en gegrond; Veroordeelt de heer V. M. tot terugbetaling van de-ze som; Verklaart de tegenvordering tot betaling van de som van 350,00 euro ontvankelijk doch ongegrond; Veroordeelt de Landsbond van Liberale Mutualiteiten tot de kosten van het hoger beroep, door geïntimeer-de partij begroot op 145,78 euro ; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare te-rechtzitting van de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 20 november 2008 en ondertekend door : De Heren : F. KENIS : Raadsheer, I. VAN DAMME : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, K. GACOMS : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Grif¬fier, I. VAN DAMME K. GACOMS D. DE RAEDT F. KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081120.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div