id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 20 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:
§ 186
van het Duitse Wetboek Burgerlijk Procesrecht kan het te betekenen geschrift op de plaats van betekening worden achtergelaten wanneer de weigering tot ontvangstneming zonder wettelijke basis gebeurt. Indien de bestemmeling het exploot niet in ontvangst genomen heeft en de Duitse autoriteit het te betekenen geschrift niet heeft achtergelaten, kan daaruit afgeleid worden dat de weigering het exploot in ontvangst te nemen gerechtvaardigd was, indien uit het voorgelegde dossier geenszins blijkt dat ooit een Duitse vertaling van het dagvaardingsexploot gevoegd werd. Er is aldus geen rechtsgeldige betekening gebeurd van het dagvaardingsexploot. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Betekening Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - MULTILATERALE VERDRAGEN - OVEREENKOMST tussen de Belgische Regering en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, tot het vergemakkelijken van de rechtsbetrekkingen bij de toepassing van het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, ondertekend op 25 april 1959, te Brussel - Betekening in het buitenland (Duitsland). Bestemmeling die het exploot weigert: in ontvangst te nemen. Belgisch Duitse overeenkomst van 2e; april 1959 tot het vergemakkelijken van de rechtsbetrekkingen bij toepassing van het verdrag van 's-Gravenhage van 1 maart 1954.Verdrag van Den Haag van 5 november 1965 inzake de betekening in het buitenland. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 25-04-1959 - 5 - 04 Link Justel databank 19590425-04 Nota: Gerangschikt onder IX B (Overeenkomst 25/04/1959), art.
- Eveneens gerangschikt onder IX H (Verdrag 5/11/1965). UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Algemeen (bevoegdheid - rechtspleging - rechtsmiddelen strafgerechten) Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - RECHTSPLEGING EN BEVOEGDHEID - Gerechtelijk recht. Betekening in het buitenland (Duitsland). Bestemmeling die het exploot weigert: in ontvangst te nemen. Belgisch Duitse overeenkomst van 2e; april 1959 tot het vergemakkelijken van de rechtsbetrekkingen bij toepassing van het verdrag van 's-Gravenhage van 1 maart 1954.Verdrag van Den Haag van 5 november 1965 inzake de betekening in het buitenland. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 05-11-1965 - - - ** Link Justel databank 19651105-** Nota: Gerangschikt onder IX H (Verdrag 05/11/1965). Eveneens gerangschikt onder IX B (Overeenkomst 25/04/1959), art.
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT. 7e KAMER Bijdragen sociale zekerheid Tegensprekelijk Definitief In de zaak: WATERS GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 65760 ESCHBORN (Duitsland), Helfmannpark 10; Appellante, vertegenwoordigd door Mr. J. Hendrix, advocaat te Brussel; Tegen: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (RSZ), openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11 en met KBO nr. 0206.731.645; Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. M. Van Asch, advocaat te Vilvoorde; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en ondermeer op: - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 8e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 23 maart 2007 (AR nr 62338/94) waarvan geen betekeningsakte wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 13 juli 2007; - de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 10 oktober 2007 en 10 april 2008; - de besluiten en synthesebesluiten van appellante, ontvangen ter griffie op respectievelijk 6 maart 2008 en 4 juli 2008; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 11 september
- De debatten werden gesloten De debatten werden gesloten en de zaak werd medege¬deeld aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies uiterlijk op 9 oktober 2008 ter griffie neer te leggen. Aan partijen werd de mogelijkheid gegeven om daarop uiterlijk tegen 23 oktober 2008 te repliceren, waarna de zaak van rechtswege in beraad zou worden genomen voor uitspraak op 20 november
- - Gelet op het schriftelijk advies van het OM, neerge¬legd ter griffie op 7 oktober 2008; - Gelet op de repliekbesluiten vanwege appellante, ontvangen ter griffie op 23 oktober 2008; Geïntimeerde partij heeft niet gerepliceerd. I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- Geïntimeerde heeft bij exploot, overhandigd aan de heer Procureur des Konings te Brussel op 26 mei 1994, dagvaarding gegeven aan de GmbH Creon Software, rechtsvoorganger van appellante. De maatschappelijke zetel van deze firma was gevestigd in Duitsland. De dagvaarding werd gegeven om te verschijnen voor de arbeidsrechtbank te Brussel op 24 juni
- Geïntimeerde vorderde de veroordeling van appellante tot betaling van de sommen van 366.427,00 BF ( euro 9.083,49) en 201.768,00 BF ( euro 5.001,70), vermeerderd met de intresten en kosten. De heer Procureur des Konings te Brussel heeft, in toepassing van art. 1.1.1° de overeenkomst van 25 april 1959 tussen de regeringen van België en Duitsland met betrekking tot het vergemakkelijken van de rechtsbetrekkingen bij de toepassing van het verdrag van 1 maart 1954 van 's-Gravenhage betreffende de burgerlijke rechtsvordering, het exploot toegezonden aan het Duitse Ambtsgericht te Köningswinter op 27 mei 1994, waar het volgens de ontvangststempel op 13 juni 1994 ontvangen werd. Op 22 augustus 1994 heeft het Ambtsgericht de dagvaarding teruggezonden aan de heer Procureur des Koning met de vermelding dat de betrokkene de betekening niet kon uitgevoerd worden omdat de bestemmeling het exploot geweigerd had. Op de inleidende zitting van 24 juni 1994 werd, volgens het zittingsblad, de zaak gepleit doch in voortzetting gesteld op de zitting van 23 september
- Daarna werd ze in voortzetting gesteld op 14 oktober
- Op deze datum werd de zaak in beraad genomen en een verstekvonnis uitgesproken. Het blijkt niet dat de gedagvaarde partij opgeroepen werd voor de zittingen waarop de zaak in voortzetting gesteld werd.
- Het verstekvonnis werd niet binnen het jaar betekend. Geïntimeerde heeft dan, gelet op het tussengekomen verval zoals bepaald door artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, de zaak opnieuw opgeroepen voor de arbeidsrechtbank ter einde een vonnis te bekomen. Appellante werd voor deze zitting opgeroepen en is op deze zitting verschenen. Bij vonnis van 23 maart 2007 heeft de rechtbank geïntimeerde opnieuw veroordeeld tot betaling van de sommen van euro 9.083,49 en euro 5.001,70, te vermeerderen met de wettelijke intresten en de kosten.
- Appellante heeft op 13 juli 2007 hoger beroep aangetekend, zowel tegen het vonnis van 14 oktober 1994 als tegen het vonnis van 23 maart
- Zij stelt dat de vordering onontvankelijk is omdat het dagvaardingsexploot niet geldig betekend werd. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte van het vonnis voorgelegd zodat het beroep tijdig werd ingesteld. III. DE SAMENVOEGING. Appellant vraagt dat de huidige betwisting zou samengevoegd worden met de zaak ingeschreven onder algemene rol 50.028 omdat de gestelde rechtsvragen dezelfde zijn. Indien het juiste is dat in beide zaken vergelijkbare rechtsvragen aan de orde zijn, dan is de het Hof nochtans van oordeel dat er ook belangrijke verschillen zijn tussen beide zaken op basis van de procedure die in eerste aanleg gevolgd werd, de verschillende vraagstelling met betrekking tot de geldigheid van de betekening in functie van de voorgelegde documenten en de aanwezigheid van een incidenteel beroep in één van beide zaken. Een samenvoeging is in die omstandigheden niet in het belang van een goede rechtsbedeling. IV. BEOORDELING.
- Appellante is van oordeel dat de oorspronkelijke vordering onontvankelijk is omdat het betekeningexploot van de dagvaarding haar niet op rechtsgeldig de wijze ter hand werd gesteld. Zij benadrukt dat in toepassing van het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, afgesloten te 's-Gravenhage op 1 maart 1954, zoals vervangen door het Verdrag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van de gerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken, de kennisgeving bewezen moet worden door een attest dat de datum van afgifte aan de bestemmeling vaststelt. Geïntimeerde verwijst naar de Belgisch/Duitse overeenkomst van 25 april 1959 tot het vergemakkelijken van de rechtsbetrekkingen bij toepassing van het verdrag van s'-Gravenhage van 1 maart 1954 en leidt daaruit af dat de betekening rechtsgeldig gebeurt door het enkele feit dat het bevoegde Duitse Ambtsgericht het dagvaardingsexploot, dat hem toegezonden werd door de heer Procureur des Konings te Brussel, in ontvangst neemt.
- De Belgische/Duitse overeenkomst van 25 april 1959, waarnaar geïntimeerde verwijst is, gesloten in toepassing van het Verdrag van s'Gravenhage van 1 maart
- Artikel 5 van dit verdrag stelt dat het bewijs van mededeling van de dagvaarding bestaat uit een gedateerd ontvangstbewijs vanwege de gedaagde of uit een verklaring van de lokale autoriteit omtrent de dag dat de dagvaarding aan de bestemmeling werd betekend. Artikel 6 van het verdrag van Den Haag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke stukken (dat het verdrag van 1 maart 1954 vervangen heeft), bepaalt dat de betekening moet worden bewezen door een attest dat de datum van afgifte aan de bestemmeling vaststelt. De stelling van geïntimeerde, die weliswaar steunt op de vroegere cassatierechtspraak, dat de betekening zou gebeuren door ontvangst van het exploot door het Duitse Ambtsgericht, is dan ook niet in overeenstemming met de vermelde verdragen. (H. Van Houtte, "Het ogenblik van de betekening bij dagvaarding in het buitenland", T.B.H. 1996,815). In zijn arrest van 21 december 2007 (RABG, 2008,275 met noot B. Maes) heeft het Hof van Cassatie bevestigd dat de betekening slechts plaats vindt op het ogenblik dat het exploot aan de bestemmeling wordt afgegeven.
- Uit het attest afgeleverd door het Duitse Ambtsgericht van Köningswinter van 25 augustus 1994 blijkt dat de betekening niet kon uitgevoerd worden omdat de zaakvoerder van de vennootschap het exploot niet in ontvangst genomen heeft. De vraag is dan ook in de eerste plaats welk het gevolg is van deze niet inontvangstneming.
art. 5, al. 1 van het Verdrag van 15 november 1965 wordt de centrale autoriteit van de aangezochte staat belast met de betekening of de kennisgeving van het exploot of het doen betekenen of kennis geven daarvan, hetzij met inachtneming van de vorm die in de wetgeving van de aangezochte staten voorgeschreven is voor de betekening of kennisgeving van de stukken, hetzij met inachtneming van een bijzondere door de aanvrager verzochte vorm, op voorwaarde dat deze niet in strijd is met de wet van de aangezochte staat.
art. 5 al. 2 van het Verdrag kan het te betekenen stuk altijd worden afgegeven aan degene voor wie het bestemd is, zo deze het vrijwillig aanneemt.
art. 5 al.3 kan de centrale autoriteit verlangen dat het stuk wordt opgesteld of vertaald in de officiële of in één van de officiële staten van haar land.
§ 3
van de Duitse wet van 22 december 1977 tot uitvoering van het Verdrag van 15 november 1965 (Gesetz zur Ausführung des Haager Übereinkommens vom
- November 1965 über die Zustellung gerichtlicher und außergerichtlicher Schriftstücke im Auslandin Zivil- oder Handelssachen und des Haager Übereinkommens vom
- März 1970 über die Beweisaufnahme im Ausland in Zivil- oder handelssachen (http://www.bundesrecht.juris.de/bundesrecht/haag_bkag/gesamt.pdf) is een formele betekening slechts toelaatbaar indien het te betekenen geschrift in de Duitse taal is opgesteld of in deze taal is vertaald.
§186
van het Duitse Wetboek Burgerlijke Procesrecht (Zivilprozessordnung, http//www.gesetzesweb.de), kan het te betekenen geschrift op de plaats van betekening worden achtergelaten wanneer de weigering tot in ontvangstneming zonder wettelijke basis gebeurt. Daaruit volgt in de regel dat, indien de Duitse autoriteit mededeelt dat de betrokkene geweigerd heeft het exploot in ontvangst te nemen, daarvoor een wettelijke basis voorlag, zoniet zou de autoriteit het geschrift op de plaats van bestemming hebben achtergelaten. Uit de stukken die werden teruggezonden door het Ambtsgericht te Köningswinter blijkt dat het te betekenen dagvaardingsexploot niet in de Duitse taal gesteld was en dat er geen vertaling aan was toegevoegd. Er dient dan ook aangenomen te worden dat de reden waarom de rechtsvoorgangster van appellante de betekening geweigerd heeft gelegen was in het feit dat geen vertaling van het exploot was bijgevoegd. Weliswaar was de betekening,
art. 5 al. 2 van het Verdrag van 15 maart 1965 wellicht toch geldig geweest indien de rechtsvoorgangster van appellante het stuk vrijwillig aanvaard had (cfr. Cass. 18.05.1990, Arr. Cass. 1989-90,1192 dat wel betrekking had op een situatie waarin de het Verdrag van 1 maart 1954 nog van toepassing was), maar dit was, volgens de kennisgeving van het Ambtsgericht, niet het geval. Overigens was op het ogenblik van de betekening de datum van de inleidende zitting al voorbij. Er dient dan ook geoordeeld te worden dat de betekening van de dagvaarding niet rechtsgeldig gebeurd is en derhalve nietig is. Door deze nietigheid is appellante geschaad vermits zij zich niet op de inleidende zitting heeft kunnen verdedigen.
- Voorts dient, in de hypothese dat de betekening toch rechtsgeldig zou gebeurd zijn, samen met het openbaar ministerie gesteld te worden dat in ieder geval de termijnen voor dagvaarding, die door het Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid voorgeschreven zijn (art. 710, 862 § 1 en 867van het Gerechtelijk Wetboek) niet werden nageleefd. Voor een betekening in Duitsland bedraagt de wettelijke dagvaardingstermijn 8 + 15 dagen. Vermits de inleidende zitting plaatsvond op vrijdag 24 juni 1994 diende het exploot uiterlijk op 31 mei 2004 betekend te worden. Vermits uit de stukken blijkt dat de Duitse autoriteit het document slechts ontvangen heeft op 13 juni 1994, kan de dagvaardingstermijn niet gerespecteerd zijn. Weliswaar blijkt uit het dossier van de eerste rechter dat de zaak ook niet op de inleidende zitting werd behandeld en tweemaal werd uitgesteld, om dan in beraad genomen te worden op 14 oktober
- Het blijkt echter niet uit het dossier dat appellante in kennis werd gesteld van de datum van uitstel, zodat zij ook niet effectief haar belangen op een latere zitting heeft kunnen verdedigen. Overigens blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzittingen dat de zaak reeds gedeeltelijk gepleit werd op 24 juni
- Volledigheidshalve dient nog te worden vastgesteld dat de nietigheid, die voortvloeit uit het niet respecteren van de dagvaardingstermijnen, niet bedoeld wordt door art. 864 van het Gerechtelijk Wetboek (cfr. H. Boularbah, Le nouvel article 867 du Code Judiciaire, 1999, nr.10), zodat de nietigheid niet gedekt is door het vonnis van 23 maart 2007, dat op tegenspraak werd verwezen. Overigens stelt zich de vraag of, in het kader van de procedure, die ertoe strekt een nieuwe uitvoerbare titel te verkrijgen nadat een verstekvonnis vervallen is, nog een effectief verweer toegelaten is. Volgens de gevestigde de rechtspraak en rechtsleer is dit niet het geval, maar het Grondwettelijk Hof schijnt het tegenovergesteld te oordelen in zijn arrest van 19 maart 2008,(RABG, 2008, 657, en de noot van B. Maes, De raadsels van art. 806 Ger.w., p.661, die verwijst naar de klassieke opvattingen van rechtspraak en rechtsleer). Een dergelijk verweer zou overigens niet van aard geweest zijn de belangenschade van appellante op te heffen vermits, 13 jaar na de oorspronkelijk dagvaarding, appellante zich uiteraard niet meer op dezelfde wijze kon verdedigen tegen de dagvaarding.
- De oorspronkelijke vordering was dan ook onontvankelijk zodat de bestreden vonnissen vernietigd moeten worden. OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Gelet op het schriftelijk advies vanwege mevrouw S. Sablon, substituut-arbeidsauditeur, gedelegeerd aan het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Brussel, en neergelegd ter griffie op 7 oktober 2008; Rechtsprekende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Hervormt de bestreden vonnissen van 14 oktober 1994 en 23 maart 2007, Verklaart de oorspronkelijke vordering onontvankelijk. Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoofde van appellante op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 1.100,00 euro rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. KENIS: Raadsheer I. VAN DAMME: Raadsheer in sociale zaken als werkgever K. GACOMS: Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende L. COEN: Griffier L. COEN. F. KENIS. K. GACOMS. I. VAN DAMME. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel op twintig november tweeduizend en acht door F. Kenis, raadsheer en L. Coen, griffier. L. COEN. F. KENIS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081120.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div