← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081121.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 21 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081121.5 Rolnummer: 50.381 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-02-05 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-07-02 18:22 Fiche 1 Artikel 4, 3de lid van de arbeidsovereenkomstenwet, waarin bepaald wordt dat een handelsagent geen handelsvertegenwoordiger is, doet geen afbreuk aan het vermoeden van het tweede lid; dit volgt uitdrukkelijk uit de parlementaire voorbereiding van de handelsagentuurwet waarbij een amendement tot het opzij zetten van het vermoeden bij een handelsagentuur niet weerhouden werd, omdat de wetgever uitdrukkelijk de bescherming van de arbeidsovereenkomstenwet en meer bepaald het vermoeden van artikel 4, 2e lid wenste te behouden (ParI. St. Senaat, 1994-1995,355-3, verslag, p. 15-17). UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Handelsvertegenwoordigers Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - HANDELSVERTEGENWOORDIGERS. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II DN art.

  1. Ook gerangschikt onder V K IV art. 32 (KB 30/03/2000) en II AAN artt. 9, 10 en 10bis. Gepubliceerd in J.T.T. 2009, 136 Fiche 2 Bij het invoeren van het systeem van de startbaanovereenkomst door de Wet van 24 december 1999 werd deze overeenkomst niet beschouwd als een arbeidsovereenkomst op zich, maar veronderstelde men steeds een onderliggende arbeidsovereenkomst; om die reden dienden er twee overeenkomsten te worden opgemaakt : een arbeidsovereenkomst en een startbaanovereenkomst; deze laatste diende het model te volgen dat bepaald werd bij het K.B. van 30 maart 2000 (B.S. 27 januari 2000, 2de editie) en dat terug te vinden is in het erratum van het B.S. 1 april 2000). Met ingang van 1 januari 2004 werd het stelsel van de startbaanovereenkomst erg versoepeld door de Programmawet van 22 december 2003 (B.S. 31 december 2003, 1 ste editie) , o.m. door de wijziging van artikel 32 van de wet van 29 december 1999 in de zin dat de Koning geen model startbaanovereenkomst meer diende op te leggen (art. 8 wet 22 december 2003), waardoor ook art. 2sexies en art. 4 van het uitvoeringsbesluit van 30 maart 2003, opgeheven werden. Aldus volstond vanaf dan één overeenkomst. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Werkgelegenheid - Tewerkstelling - Beroepsopleiding - Tewerkstelling - Nationaal - Startbaan Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - STAGE VAN JONGEREN - Startbaanovereenkomst. Wettelijke bepalingen: Wet - 24-12-1999 - 32 - 43 ELI link Pub nr 2000012029 Koninklijk Besluit - 30-03-2000 - - - 31 ELI link Pub nr 2000012173 Nota: Gerangschikt onder V K IV art. 32 (KB 30/03/2000). Ook gerangschikt onder II AAN art. 4 en II AAN artt. 9, 10 en 10bis. Gepubliceerd in J.T.T. 2009, 136 Fiche 3 Artikel 9 bedoelt enkel dat de schriftelijke vaststelling van een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd moet worden gedaan voordat de uitvoering ervan een aanvang nam; die vaststelling mag plaatshebben tijdens de uitvoering van een vorige arbeidsovereenkomst tussen de partijen, zelfs voor onbepaalde tijd, voor zover deze vaststelling niet de wil van de werkgever verbergt om de dwingende bepalingen van de wet te omzeilen. Wanneer er vier opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd worden afgesloten, waarvan de eerste niet voldeed aan de minimumduur van artikel 10 bis §2 van de arbeidsovereenkomstenwet; kan men zich niet beroepen op de afwijkingsregeling van artikel lObis, zodat de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd op grond van artikel 10 moeten worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Soorten arbeidsovereenkomsten - Opeenvolgende Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Wet - 03-07-1978 - 10 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Wet - 03-07-1978 - 10bis - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN artt. 9, 10 en 10bis. Ook gerangschikt onder II DN art. 4 en V K IV art. 32 (KB 30/03/2000). Gepubliceerd in J.T.T. 2009, 136 Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2009, blz 136-137 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 NOVEMBER
  2. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE N.V. ECOWATER SYSTEMS EUROPE, met zetel gevestigd te 2250 Olen, Geelseweg, 56, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter J. Slootmans, advocaat te 1050 Brussel; Tegen : Mevrouw D. L., wonende te [xxx], Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mevr. I. Godts, syndicaal afgevaardigde, drager van volmacht; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven (1ste kamer B ) op de buitengewone openbare terechtzitting van 27 juli 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 8 november 2007; - de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 10 januari 2006 en 7 mei 2008; - de besluiten van appellante neergelegd ter griffie op 31 maart 2008; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 10 januari 2008; - de bundel met stukken neergelegd door appellante partij ter griffie op 22 oktober 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2008, waarna de debatten gesloten werden. x x x
  3. DE FEITEN EN RECHTSPLEGING. Op 2 juni 2003 ondertekenden de bvba Watrex (rechtsvoorganger van de N.V. Eco Water Systems Europe - hierna afgekort tot N.V. Eco Water) en mevrouw D. een overeenkomst voor een handelsagent, waarbij mevrouw D. belast werd met de prospectie van het in haar sector gevestigde cliënteel met het oog op de verkoop van de producten van de bvba Watrex. Op 27 juni 2003 ondertekenden de bvba Watrex en mevrouw D. een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor bepaalde tijd van 1 juli 2003 tot 4 september
  4. Op 1 juli 2003 ondertekenden partijen een startbaanovereenkomst van onbepaalde duur, beginnend op 1 juli
  5. De startbaanovereenkomst heeft een duur van 12 maanden; het betrof een startbaanovereenkomst zonder dat een gedeelte van het loon werd besteed aan de opleiding van de nieuwe werknemer. Op 3 september 2003 ondertekenden de bvba Watrex en mevrouw D. een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor bepaalde tijd van 5 september 2003 tot 6 december
  6. Op 4 december 2003 ondertekenden de bvba Watrex en mevrouw D. een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor bepaalde tijd van 7 december 2003 tot 6 maart
  7. Op 4 maart 2004 ondertekenden de bvba Watrex en mevrouw D. een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor bepaalde tijd van 7 maart 2004 tot 5 juni
  8. Op 30 juni 2004 werd aan mevrouw D. een attest van tewerkstelling overgemaakt, samen met een C4-formulier en vakantieattesten, waarop telkens vermeld staat dat zij in dienst was van 1 juli 2003 tot 4 juni 2004; op het C4-formulier wordt als oorzaak van de werkloosheid opgegeven : einde contract bep. duur. Bij schrijven van de vakorganisatie van mevrouw D. van 8 april 2005 wordt aan de bvba meegedeeld dat mevrouw D. officieel vanaf 1 juli 2003 tewerkgesteld was met een startbaanovereenkomst, maar dat zij in de praktijk reeds vroeger tewerkgesteld was, wat afgeleid wordt uit de bestelbons die in juni 2003 door haar werden opgemaakt; aldus werd een afrekening opgemaakt voor loon vanaf 28 mei 2003, een pro rata eindejaarspremie, een opzeggingsvergoeding, een uitwinningsvergoeding, achterstallige commissielonen en aangepast vakantiegeld. Op 3 mei 2005 antwoordde de raadsman van de onderneming aan de vakorganisatie dat mevrouw D. op 2 juni 2003 een overeenkomst voor een handelsagent had afgesloten en hij gaf daarbij de historiek van de vanaf 27 juni 2003 afgesloten arbeidsovereenkomsten en van de startbaanovereenkomst; op basis hiervan was er volgens de raadsman geen sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, maar werd de tewerkstelling geldig beëindigd door het einde van de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 5 juni 2004; aangezien de tewerkstelling minder dan één jaar bedroeg kon evenmin een uitwinningsvergoeding gevraagd worden, de vordering wegens achterstallige commissielonen werd betwist en met betrekking tot het vertrekvakantiegeld en de laatste loonafrekeningen werd een aanpassing aangekondigd. Hierdoor was de betwisting niet opgelost en op 18 mei 2005 dagvaardde mevrouw D. de N.V. Eco Water Systems Europe in betaling van : - loon mei euro 178,92 - loon juni 2003 euro 1.312,07 - saldo eindejaarspremie 2003 van euro 128,47 - opzeggingsvergoeding euro 10.595,82 - uitwinningsvergoeding euro 10.595,82 - commissielonen euro 18.554,77 onder aftrok van euro 1.657,45 netto - vakantiegeld op achterstallige commissielonen euro 2.846,30 - vakantiegeld bij uitdiensttreding euro 366,75 - parkeerkosten euro 29,30, bedragen te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op netto tevens werd afgifte gevraagd van aangepaste sociale en fiscale bescheiden. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Leuven van 27 juli 2007 werd deze vordering gedeeltelijk gegrond verklaard, met name wat betreft een opzeggingsvergoeding van 3 maanden of euro 5.460,50, een uitwinningsvergoeding van euro 5.460,50, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op netto en mits verrekening van een nettobedrag van euro 392,36; tevens werd de afgifte van de hiermee overeenstemmende sociale en fiscale bescheiden bevolen. De eerste rechter stelde dat mevrouw D. vanaf 2 juni 2003 tewerkgesteld was met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, op basis waarvan de weerhouden bedragen werden toegekend; de overige posten werden niet toegekend. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 8 november 2007, tekende de N.V. hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering van mevrouw D. volledig ongegrond zou worden verklaard. Mevrouw D. tekende incidenteel beroep aan met betrekking tot een saldo eindejaarspremie 2003 van euro 128,47 en een saldo vakantiegeld bij uitdiensttreding van euro 566,49; wat betreft de gerechtskosten vroeg zij dat het arbeidshof een prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof.
  9. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. Het arbeidshof zal eerst de vraag bespreken of de overeenkomst voor een handelsagent kan beschouwd worden als een handelsvertegenwoordigerovereenkomst; daarna zal het samengaan van de startbaanovereenkomst en de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden onderzocht. Op basis hiervan kunnen dan de vorderingen worden beoordeeld.
  10. Handelsagent of handelsvertegenwoordiger vanaf 2 juni 2003? Artikel 4 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt : " De arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers is de overeenkomst waarbij een werknemer, de handelsvertegenwoordiger, zich verbindt tegen loon cliëntèle op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken, verzekeringen uitgezonderd, onder het gezag, voor rekening en in naam van één of meer opdrachtgevers. Niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst ... wordt de overeenkomst gesloten tussen opdrachtgever en tussenpersoon, welke ook de benaming zij, beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Zijn naar luid van deze wet geen handelsvertegenwoordiger:... de handelsagent die met zijn opdrachtgever verbonden is door een aannemingsovereenkomst in de zin van de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst..." Het derde lid van deze bepaling doet geen afbreuk aan het vermoeden van het tweede lid; dit volgt uitdrukkelijk uit de parlementaire voorbereiding van de handelsagentuurwet waarbij een amendement tot het opzij zetten van het vermoeden bij een handelsagentuur niet weerhouden werd, omdat de wetgever uitdrukkelijk de bescherming van de arbeidsovereenkomstenwet en meer bepaald het vermoeden van artikel 4, 2e lid wenste te behouden (Parl. St. Senaat, 1994-1995, 355-3, verslag, p. 15-17). Bij het afsluiten van een handelsagentuurovereenkomst dienen de concrete uitvoeringsmodaliteiten van de handelsagentuur in overeenstemming te blijven met de contractuele bepalingen, die de afwezigheid van gezag vaststellen (P. DE KEYSER en N. BEAUFILS, Agence commerciale et représentation commerciale, JTT 1996, 3). In die zin heeft het Hof van Cassatie in zijn arrest van 17 mei 2004 (NjW 2004, 1347 met noot MDV) nogmaals benadrukt dat het vermoeden niet weerlegd wordt door de vaststelling dat de partijen hun overeenkomst als een zelfstandige agentuur hebben gekwalificeerd, omdat het tegenbewijs slechts volgt uit de omstandigheden van de werkelijke uitvoering die de gezagsverhouding uitsluiten (zie ook Cass., 15 oktober 1975, Arr. Cass. 1976, 207). De gemeenschappelijke bedoeling van de partijen volstaat dus niet om het wettelijk vermoeden te weerleggen, maar het komt aan de lastgever toe te bewijzen dat er concreet geen gezagsrelatie aanwezig is en dat er feitelijke elementen zijn die het bestaan van een arbeidsovereenkomst uitsluiten (Ph. LECLERCQ, Het statuut van de handelsvertegenwoordigers in Sociale Praktijkstudies, Kluwer, p. 30). Ten onrechte beperkt de N.V. zich dan ook tot een verwijzing naar de artikels van de overeenkomst voor handelsagent om het wettelijk vermoeden van artikel 4, 2 te weerleggen; ook de commissienota's, het concurrentiebeding en de fiscale fiche bewijzen niet dat de gezagsrelatie uitgesloten is. Uit de lijsten van de te contacteren klanten juni 2003 ( stuk 16 van mevrouw D.) kan zelfs eerder afgeleid worden dat betrokkene opdrachten ontving en nauwkeurig de naleving ervan notuleerde, ook de bestelbons ( haar stukken 17) worden op een zelfde wijze behandeld in de periode voor en na 1 juli
  11. Het wettelijk vermoeden is dan ook niet weerlegd, zodat de eerste rechter terecht het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers met ingang van 2 juni 2003 heeft aanvaard. Artikel
  12. 1 van de overeenkomst voor een handelsagent van 2 juni 2003 bepaalt dat deze overeenkomst werd afgesloten voor onbepaalde tijd; het is mogelijk een dergelijke overeenkomst in onderling akkoord tijdens haar uitvoering te vervangen door een overeenkomst voor een bepaalde tijd, zonder daarbij de formaliteiten te eerbiedigen die moeten nageleefd worden bij de éénzijdige beëindiging van een arbeidsovereenkomst ( Cass., 18 februari 1980, T.S.R. 1980,247). Partijen deden dit op 27 juni 2003 door een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd af te sluiten voor de periode van 1 juli 2003 tot en met 5 september
  13. Het samengaan van een startbaanovereenkomst met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. De N.V. Eco Water wil de zaken voorstellen alsof de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 27 juni 2003 reeds enkele dagen later op 1 juli 2003 omgezet werd in een startbaanovereenkomst. Een startbaanovereenkomst is mogelijk ingevolge hoofdstuk VIII van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid. Mits de jonge werkzoekende in het bezit is van een startbaankaart, afgeleverd door de R.V.A., kan een werkgever met hem een startbaanovereenkomst afsluiten, waardoor de werknemer tijdens de overeenkomst sollicitatieverlof kan krijgen en waardoor hij tevens met een verkorte opzeggingstermijn de tewerkstelling kan beëindigen indien hij een andere baan heeft gevonden; de werkgevers zijn verplicht, a rato van 3%, jongeren in dienst te nemen in het kader van een startbaanovereenkomst, maar bij laaggeschoolden of erg laaggeschoolden kunnen zij tevens vermindering van sociale zekerheidsbijdragen bekomen. Op grond van artikel 27 van de voormelde wet hebben de jongeren recht op minstens een halftijdse arbeidsovereenkomst of op een combinatie van een deeltijdse arbeidsovereenkomst met een opleiding of op een leerovereenkomst. De vormvoorschriften voor het opmaken van een startbaanovereenkomst worden bepaald in artikel 32 van de wet. In deze zaak bepaalt de startbaanovereenkomst dat de partijen gekozen hebben voor een voltijdse arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, beginnend op 1 juli 2003, waarbij de startbaanvoordelen golden voor een duur van 12 maanden ( zie de overeenkomst van 1 juli 2003, artikel 3). Bij het invoeren van het systeem werd de startbaanovereenkomst niet beschouwd als een arbeidsovereenkomst op zich, maar veronderstelde men steeds een onderliggend contract (hier een gewone arbeidsovereenkomst voor bedienden); om die reden dienden er twee overeenkomsten te worden opgemaakt : een arbeidsovereenkomst en een startbaanovereenkomst; deze laatste diende het model te volgen dat bepaald werd bij het K.B. van 30 maart 2000 (B.S. 27 januari 2000, 2de editie) en dat terug te vinden is in het erratum van het B.S. 1 april 2000). (I. PLETS, Startbaanovereenkomsten: jong begonnen is half gewonnen?, Or. 2000, 135 ev, zie 140 D en F.VERBRUGGE, La convention de premier emploi, Ors. 2000, 149 ev, zie 16, B; zie ook Omzendbrief nr. 495 van 6 september 2000 betreffende de startbaanovereenkomst, nr 7 (BS 19 september 2000 - 2de editie)). In die zin kan begrepen worden dat partijen naast de startbaanovereenkomst van 1 juli 2003 ook nog de onderliggende arbeidsovereenkomst van 27 juni 2003 afzonderlijk hebben afgesloten, die dan de arbeidsverhouding van mevrouw D. definieerde (zij het dat in de startbaanovereenkomst voorzien was dat de arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd zou zijn, terwijl op 27 juni 2003 slechts een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was afgesloten - zie nochtans F VERBRUGGE, Ors. 2000, 161, V.B - N.B.). Weliswaar werd het systeem van de startbaanovereenkomsten met ingang van 1 januari 2004 erg versoepeld door de Programmawet van 22 december 2003 (B.S. 31 december 2003, 1ste editie) , o.m. door de wijziging van artikel 32 van de wet van 29 december 1999 in de zin dat de Koning geen model startbaanovereenkomst meer diende op te leggen (art. 8 wet 22 december 2003), waardoor ook art. 2sexies en art. 4 van het uitvoeringsbesluit van 30 maart 2003, opgeheven werd). Maar op 1 juli 2003 werd de tewerkstelling van mevrouw D. nog bepaald door de oude wetgeving, waarbij de startbaanovereenkomst en de arbeidsovereenkomst naast mekaar werden opgemaakt, wat t.a.v. mevr D. vorm gegeven werd door vier opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd, waarbij men zich vervolgens de vraag moet stellen of deze in overeenstemming zijn met de artikelen 9, 10 en 10 bis van de arbeidsovereenkomstenwet. Mevrouw D. houdt voor dat de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet in overeenstemming is met artikel 9 van de arbeidsovereenkomstenwet, daar ze niet schriftelijk werd afgesloten uiterlijk op het tijdstip waarop zij als werkneemster in dienst trad; ze verwijst daarvoor naar het feit dat haar overeenkomst voor een handelsagent ook reeds een tewerkstelling als handelsvertegenwoordigerovereenkomst inhield. Artikel 9 bedoelt enkel dat de schriftelijke vaststelling moet worden gedaan voordat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd een aanvang nam; die vaststelling mag plaatshebben tijdens de uitvoering van een vorige arbeidsovereenkomst tussen de partijen, zelfs voor onbepaalde tijd, voor zover deze vaststelling niet de wil van de werkgever verbergt om de dwingende bepalingen van de wet te omzeilen ( Cass., 18 februari 1980, T.S.R. 1980, 247; Cass., 5 december 1988, R.W. 1988 -89, 988). Wanneer de partijen verscheidene opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd hebben afgesloten zonder dat er een onderbreking is, toe te schrijven aan de werknemer, worden zij verondersteld een overeenkomst voor onbepaalde tijd te hebben aangegaan, behalve wanneer de werkgever het bewijs levert dat deze overeenkomsten gerechtvaardigd waren wegens de aard van het werk of wegens andere wettige redenen ( artikel 10 van de arbeidsovereenkomstenwet). De N.V. Eco Water verwijst niet naar de aard van het werk of een andere wettige reden om haar opeenvolgende arbeidsovereenkomsten te verantwoorden, maar ze beroept zich wel op artikel 10bis van de wet dat in een afwijkingsmogelijkheid op de regel van artikel 10 voorziet. Er kunnen maximum vier overeenkomsten voor een bepaalde tijd worden gesloten, waarvan de duur telkens niet minder dan drie maanden mag bedragen zonder dat de totale duur van deze overeenkomsten twee jaar mag overschrijden. De N.V. verwijst hierbij naar de arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd vanaf 3 september 2003 en zij stelt dat zij aldus slechts drie opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd heeft afgesloten met een duur van telkens minstens drie maanden zonder dat de totale duur van twee jaar werd overschreden. Uit wat hierboven is uitgelegd in verband met het samengaan van de startbaanovereenkomst en de arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd van 27 juni 2003, volgt enerzijds dat deze arbeidsovereenkomst volledige gelding had en niet vervangen werd door de startbaanovereenkomst, maar anderzijds betrof de arbeidsovereenkomst van 27 juni 2003 een duurtijd van minder dan drie maanden; aldus hebben we te maken met vier opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd, waarvan de eerste niet voldeed aan de minimumduur van artikel 10 bis §2 van de arbeidsovereenkomstenwet; de N.V. Eco Water kan zich dan ook niet beroepen op de afwijkingsregeling, zodat haar opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd op grond van artikel 10 moeten worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (aldus blijft artikel 3 van de startbaanovereenkomst, dat verwijst naar een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, finaal toch nog overeind)
  14. De vorderingen van mevrouw D.. In die omstandigheden kon de N.V. Eco Waters de tewerkstelling niet zonder meer stopzetten op 4 juni 2004 zonder de opzeggingsregeling in acht te nemen; op grond van artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet heeft mevrouw D. recht op een opzeggingsvergoeding, gelijk aan het lopende loon van de in acht te nemen opzeggingstermijn. Gelet op het jaarloon van euro 21.841,85 wordt de opzeggingstermijn op grond van artikel 82 §2 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaald op drie maanden; mevrouw D. had aldus recht op het niet meer betwiste bedrag van euro 5.460,50 als opzeggingsvergoeding. Artikel 101 van de arbeidsovereenkomstenwet kent aan de handelsvertegenwoordiger een recht op de uitwinningsvergoeding toe, indien aan 4 voorwaarden cumulatief wordt voldaan : - de arbeidsovereenkomst werd beëindigd door de werkgever zonder dringende reden, - de handelsvertegenwoordiger heeft aan de werkgever een cliënteel aangebracht, - hij is langer dan één jaar tewerkgesteld als handelsvertegenwoordiger, - de werkgever toont niet aan dat de handelsvertegenwoordiger door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen nadeel heeft geleden. De N.V. Eco Water betwist dat mevrouw D. een anciënniteit heeft van meer dan één jaar; uit hetgeen hierboven werd gesteld, volgt dat zij in dienst was van 2 juni 2003 tot 5 juni 2004, zodat zij juist de vereiste anciënniteit bereikte. De N.V. Eco Water stelt verder dat deze anciënniteit niet volledig als handelsvertegenwoordiger werd verworven, omdat er op twee overeenkomsten van bepaalde tijd als functie televerkoopster wordt vermeld. Uit de voorgebrachte bestelbons ( stukken 17 van mevrouw D.) volgt echter dat er gedurende gans de periode van tewerkstelling op een identieke manier is gewerkt; al de bestelbons werden ondertekend ten huize van de klant; mevrouw D. heeft de cliëntèle dan ook opgespoord en bezocht, zodat ze gedurende gans de periode als handelsvertegenwoordigers werkte, ongeacht de verschillende betiteling van haar functie; overigens diende zij bij het einde van de tewerkstelling haar wagen, fax, stratenatlas en demomap + documentatie in te leveren en wordt zij op de loonfiches steeds aangeduid als verkoopster. Eveneens ten onrechte wil de N.V. voorhouden dat de tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst niet als een gewone arbeidsovereenkomst kan worden beschouwd, omdat een startbaan de opvolger is van de jongerenstage ( K.B. 230). De innovatie van het systeem van de startbaanovereenkomsten bestond er juist in dat de jongeren op grond van artikel 27 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid recht hadden op een volwaardige arbeidsovereenkomst en dit wordt in deze zaak overigens geïllustreerd door het feit dat de werkgever naast de startbaanovereenkomst nog een afzonderlijke arbeidsovereenkomst liet ondertekenen ( zie boven). Mevrouw D. voldeed dus aan de anciënniteitvoorwaarde van artikel 101 van de arbeidsovereenkomstenwet, zodat zij aanspraak kan maken op een uitwinningsvergoeding van drie maanden, waarvan de becijfering niet meer wordt betwist. Het incidenteel beroep in verband met de becijfering van de pro rata eindejaarspremie en het vakantiegeld bij uitdiensttreding heeft te maken met de vraag of mevrouw D. een arbeidsovereenkomst had sedert 2 juni 2003 dan wel sedert 1 juli 2003; hierboven werd uitgelegd dat de tewerkstelling wel degelijk aanving op 2 juni 2003, zodat de berekening hieraan moet worden aangepast in de zin zoals door mevrouw D. gevraagd. Haar incidenteel hoger beroep is dan ook gegrond, zodat ze aanspraak kan maken op een pro rata eindejaarspremie van euro 128,47 en vertrekvakantiegeld van euro 566,
  15. Op grond van artikel 1017, 1 Ger. Wb. dient appellante tot de kosten van het hoger beroep te worden veroordeeld; mevrouw D. nodigt het hof uit om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof in verband met een mogelijke ongelijkheid in artikel 1022 Ger. Wb.; gelet echter op het feit dat een dergelijke prejudiciële vraag reeds aan het Grondwettelijk Hof is overgemaakt, gaat zij akkoord om in afwachting van de uitspraak hierover de beslissing over de begroting van de rechtsplegingsvergoeding op te schorten; gebeurlijk kan mevrouw D. dan gebruikmaken van artikel 1021, 2 Ger. Wb. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, en gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, deels op andere gronden; en veroordeelt bijkomend de N.V. Eco Water Systems Europe tot betaling aan mevrouw D. van een saldo eindejaarspremie 2003 ten bedrage van euro 128,47, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op netto en een saldo vakantiegeld bij uitdiensttreding 2003 -2004 ten bedrage van euro 566,49 te vermeerderen met gerechtelijke intresten op netto en tot afgifte aan mevrouw D. van de aangepaste sociale documenten in verband met de toegekende bedragen Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, deze tot op heden begroot aan de zijde van appellant op euro 625 en aan de zijde van geïntimeerde niet begroot Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De heer G. JACOBS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer M. WAMPERS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, G. JACOBS. M. WAMPERS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 21 november 2008 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081121.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.