id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 01 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081201.11 Rolnummer: 46.322 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 18:25 Fiches 1 - 2 Indien de deskundige tot de bevinding komt dat de arbeidsongeschiktheid van het slachtoffer geen verband meer houdt met het ongeval als dusdanig maar enkel verband houdt met een medicatieverslaving die zich heeft opgebouwd ingevolge de ingestelde behandeling, dan dient deze arbeidsongeschiktheid ten laste genomen te worden door de verzekeraar arbeidsongevallen, ook al staat vast dat het slachtoffer voor het ongeval een aanleg had voor een dergelijke verslaving. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Algemeen Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SEKTOR - Omvang van de te vergoeden schade - Medicatieverslaving ingevolge een ingestelde behandeling. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 7 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: Gerangschikt onder VI A art.
- Eveneens gerangschikt onder VI A art.
- Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: Gerangschikt onder VI A art.
- Eveneens gerangschikt onder VI A art.
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 1 DECEMBER
- 5DE KAMER Arbeidsongeval Tegensprekelijk Aanstelling deskundige In de zaak : F.P. , wonende te [xxx]. Appellant, vertegenwoordigd door Mr. S. LIBOTTON loco Mr P. JACKERS, advocaat te Tienen. Tegen: N.V. AXA BELGIUM, voorheen Winterthur-Europe Verzekeringen, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan
- Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. T. VLIEGEN loco Mr T. HOSCHET, advocaat te Leuven. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Leuven op 26 oktober 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 9 februari 2005; - de besluiten en synthesebesluiten van de partijen; - de akte van gedinghervatting voor geïntimeerde partij neergelegd ter openbare terechtzitting van 3 november 2008; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 3 november 2008 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken.
- DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING
- De heer F.P. werd op 11 mei 2000 het slachtoffer van een arbeidsongeval ingevolge een ontploffing die zich voordeed in de fabriek waarin hij werkte. Bij dit ongeval werd hij geraakt door een hete plaat van een ontplofte ketel, waardoor hij tegen een tafel viel. Hij kon op dat moment, volgens zijn verklaring, niet meer op zijn benen staan. Hij werd naar het ziekenhuis vervoerd, dat hij echter na enkele uren mocht verlaten omdat radiografisch geen letsel werd vastgesteld. De nacht na het ongeval werd de heer F.P., volgens zijn verklaring een onuitstaanbare pijn gewaar ter hoogte van benen, billen en rug. Hij bezocht in de periode na het ongeval bijna dagelijks de spoedgevallendienst, waarbij hem o.m.valium en valtran werden voorgeschreven. De raadgevend geneesheer van de NV Axa Belgium verklaarde de heer F.P. werkgeschikt op 30 juni
- Appellant heeft op dat ogenblik het werk ook hervat maar kon volgens zijn verklaring nauwelijks werken en diende regelmatig pijnstillers te nemen. Hij heeft kort daarop zijn jaarlijks verlof genomen en heeft op 18 augustus 2000 het werk hernomen, onder zware pijnmedicatie, om het werk opnieuw op 23 augustus 2003 stop te zetten. Sindsdien heeft hij het werk niet meer hervat en wordt hij nog steeds behandeld in de pijnkliniek te Leuven. De verschillende uitgevoerde onderzoeken konden geen traumatische letsels aan de rug vaststellen die de pijn konden verklaren.
- Appellant heeft daarop dagvaarding uitgebracht ten laste van de NV Winterhur Verzekeringen, thans Axa Belgium voor de arbeidsrechtbank te Leuven. Bij vonnis van 13 november 2002 heeft deze rechtbank Dr. J. De Bondt als deskundige aangesteld, die een aantal bijkomende adviezen heeft gevraagd, o.m. een psychiatrisch advies aan Dr. Dillen. Dokter De Bondt heeft zijn verslag, waarvan de besluiten verder in het arrest geciteerd worden, neergelegd op 19 augustus
- Daarin besluit hij tot een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 100% van 11 mei 2000 tot en met 30 juni 2000, met een consolidatie op 1 juli 2000, zonder blijvende ongeschiktheid. Bij vonnis van 26 oktober 2004 heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de besluiten van het deskundig verslag bevestigd en dienovereenkomstig een veroordeling uitgesproken.
- Appellant heeft op 9 februari 2005 hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Hij betwist de conclusies van het deskundig verslag en vraagt de aanstelling van een nieuwe deskundige met het oog op de raming van de tijdelijke arbeidsongeschiktheden, de datum van consolidatie en de blijvende arbeidsongeschiktheid. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte van het vonnis voorgelegd zodat het beroep tijdig werd ingesteld. Ten onrechte voert de NV Axa Belgium aan dat het beroep onontvankelijk zou zijn omdat in het dispositief van het verzoekschrift enkel de aanstelling van een college van deskundigen wordt gevorderd. Uit de lezing van een van het verzoekschrift in zijn geheel blijkt voldoende duidelijk dat de heer F.P. het vonnis van de eerste rechter en de besluiten van het deskundig verslag betwist en van oordeel is dat zijn huidige arbeidsongeschiktheid wel degelijk het gevolg is van zijn arbeidsongeval. Het deskundig onderzoek wordt gevraagd om de arbeidsongeschiktheden tengevolge van het ongeval te beoordelen. III. BEOORDELING.
- De aangestelde deskundige steunt zijn besluit op volgende overwegingen : " Voor het verder verloop van de bespreking hebben we dus voldoende elementen om aan te nemen dat het ongeval van 11 mei 2000 geen blijvende lichamelijke afwijkingen voor gevolg heeft. Er was een bezering van de rug met een correcte werkongeschiktheid van 1 mei 2000 tot en met 30 juni
- Alhoewel we natuurlijk niet om het feit heen kunnen dat de heer F.P. momenteel belangrijke hoeveelheden morfine neemt en hierdoor als volledig arbeidsongeschikt aanzien kan worden stelt zich de vraag of dit al dan niet een gevolg is van de ons aanbelangende feiten. Om deze redenen werd het deskundig advies gevraagd van Dr. C. Dillen, forensisch psychiater te Hoboken. Deze stelt in zijn uitgebreid verslag en na studie van het dossier dat de heer F.P. voor het ongeval een zekere graad van endorfineverslaving had. Endorfines zijn lichaamseigen, aan morfine verwante stoffen die vrijgesteld worden bij extreme inspanningen en pijn. Ze hebben een pijnstillend en euforisch effect en zijn verantwoordelijk voor de zogenaamde "runners-high", de kick die bepaalde sporters ervaren tijdens en na een zware lichamelijke beproeving. Hij verwijst in zijn motivering hieromtrent bijvoorbeeld naar de hyperactieve levensstijl (vier dagen werken zonder te slapen) met opzoeking van uitputting en pijn. Ook posttraumatisch blijft de heer F.P. zoeken naar methodes om endorfinevrijstelling te potentialiseren (toedienen van brandwonden, en laten krabben en bijten door de kat, uitstellen van pijnmedicatie,...). Dr. Dillen besluit dan ook dat de heer F.P. door zijn ongeval in contact is gekomen met geneesmiddelen die hem eenzelfde effect geven als zijn zware inspanningen pretraumatisch. Hij aanziet betrokkene als een drugsverslaafde waarbij het begrip "pijn" het woord is geworden om aan zijn verslaving te voldoen. Hij stelt dat er geen causaal verband is tussen het ongeval en de morfine verslaving. Er was een vooraf bestaande problematiek die van aard is veranderd door de behandelingen na het ongeval, echter zonder dat er een nieuwe stoornis op zich is ontstaan. Men kan zich in deze natuurlijk de vraag stellen of de heer F.P., zonder het ongeval van 11 mei 2000, zich vandaag in een even dramatische situatie zou bevinden. Ik heb in verband met deze vraag op 27 mei 2003 nog telefonisch contact gehad met Dr. Dillen. ... Wat betreft de grond van de zaak ben ik na bijkomende bespreking met Dr. Dillen van oordeel dat, zelfs indien men rekening houdt met het wettelijk vermoeden van causaliteit, de huidige verslavingsproblematiek geen gevolg is van de ons aanbelangende feiten. Men zou hier, op een zeer oneerbiedige wijze, de vergelijking kunnen maken met de muis die op een bouwvallig huis zit waarna het hele huis instort. Indien de rechtbank toch van oordeel is dat het wettelijk vermoeden hier dient te gelden en er sprake is van een verergering van een voorafbestaande toestand kan de heer F.P. sinds het ongeval van 11 mei 2000 als 100% arbeidsongeschikt aanzien worden. De zaak kan dan uiteraard nog niet geconsolideerd worden en de behandeling dient zich in het kader van de schadebeperkingplicht dringend toe te spitsen op de verslavingsproblematiek".
- Bij de beoordeling van de voorliggende vraag naar het oorzakelijk verband, dat door de deskundige uitgesloten wordt, dient rekening gehouden te worden met volgende beginselen : 2.
- De arbeidsongeschiktheid van het slachtoffer van een arbeidsongeval dient in haar geheel te worden beoordeeld, zonder rekening te houden met een vroegere ziekelijke toestand, wanneer en zolang het ongeval tenminste voor een deel de oorzaak van die ongeschiktheid is. Als de blijvende arbeidsongeschiktheid mede veroorzaakt is door een arbeidsongeval, dient de arbeidsongevallenverzekeraar in te staan voor de vergoeding van de volledige arbeidsongeschiktheid. (Cass. 30.10.2006, J.T.T., 2007, 80, R.W. 2007-2008, 487). In dit arrest, dat een bevestiging is van een vaststaande rechtspraak (J. Put en J. Verdeyen in ‘ Arbeidsongevallen, Kluwer, losbldig,t 2008, 2./.3 en J. Petit, ‘Arbeidsongevallen, A.P.R. 2005, p. 305 e.v.) oordeelt het Hof dat de appelrechters, die aannemen dat de pijnproblematiek waarmee het slachtoffer te kampen heeft, niet volledig los kan gezien worden van het arbeidsongeval en dat het arbeidsongeval één van de factoren is die in beperkte mate tot deze pijn heeft bijgedragen, de blijvende arbeidsongeschiktheid niet konden bepalen zonder met de pijnproblematiek rekening te houden. In dezelfde zin oordeelde het Hof van Cassatie in een arrest van 5 april 2004 (J.T.T.2004, 457) dat wanneer het letsel voortvloeiend uit een ongeval bij het slachtoffer een bestaande pathologische toestand activeert, de arbeidsongevallenverzekeraar verplicht is de gehele ongeschiktheid van het slachtoffer te vergoeden ongeacht de bestaande pathologie. Deze rechtspraak, die steunt op de voorbereidende werken van de arbeidsongevallenwet van 1903 (cfr. J. Petit, op.cit. p. 305 en J. Put, p. 2.1/3) kan in zekere zin beschouwd worden als een toepassing van de equivalentietheorie die ook in het aansprakelijkheidsrecht wordt toegepast (cfr. J.Petit, p. 139 en 307): er is aanleiding tot vergoeding van zodra, het letsel, zoals het zich voordoet, zich niet zou voorgedaan hebben zonder het ongeval. Daarbij is het ook in het aansprakelijkheidrecht een vaststaande rechtspraak dat de bestaande gebrekkigheid of voorbeschiktheid van het slachtoffer de veroorzaker van de schade niet van de verplichting ontslaat om de volledige schade te vergoeden. (Cass. 14.06.1995, R.W. 1997-1998, p. 1086; Cass.6.01.1993, Pas. 1993, I, 11.) Daarbij is de minste causaliteit voldoende. 2.
- Indien de arbeidsongeschiktheid van de werknemer ingevolge een verkeerde of onaangepaste behandeling verergert, moet deze verergering in de gevolgen van het ongeval inbegrepen worden.(J.Put, op.cit. p. 2.1/7.) Met name dient ook de overconsumptie van geneesmiddelen die de letsels heeft verergerd, als een (onrechtstreeks) gevolg van het ongeval te worden beschouwd (Arbh. Brussel, 29.10.2001, Soc.Kron. 2003, 337). 2.
- Overeenkomstig art.9 van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen wordt het letsel vermoed door een plotselinge gebeurtenis te zijn veroorzaakt indien het slachtoffer een plotse gebeurtenis en het bestaan van een letsel aantoont. Het komt in dat geval derhalve aan de verzekeraar arbeidsongevallen toe het bewijs te leveren dat het letsel niet door het ongeval is veroorzaakt.
- De door de deskundige aangehaalde motivering om het verband tussen het arbeidsongeval en de morfineverslaving uit te sluiten: "men zou hier, op een zeer oneerbiedige wijze, de vergelijking kunnen maken met de muis die op een bouwvallig huis zit waarna het hele huis instort" kan in rechte niet gevolgd worden. Zelfs indien de voorbeschiktheid van het slachtoffer slechts op zeer beperkte wijze bijgedragen heeft tot de gevolgen van het ongeval, is er een verplichting tot integrale vergoeding. Het standpunt van Dr. Dillen, psychiater aan wie de deskundige om advies had gevraagd dat "er een vooraf bestaande problematiek (was) die van aard is veranderd door de behandelingen na het ongeval, echter zonder dat er een nieuwe stoornis op zich is ontstaan", kan evenmin overtuigen op het vlak van het oorzakelijk verband. Wanneer de bestaande problematiek "door de behandelingen na het ongeval van aard is veranderd" is de nieuwe toestand wel degelijk het gevolg van het ongeval, want zonder het ongeval zou de problematiek niet tot stand zijn gekomen. Evenmin kan gesteld worden dat er geen nieuwe stoornis of geen nieuw letsel is ontstaan. Uit het verslag van Dr. Dillen blijkt immers dat ondanks de gediagnosticeerde "endorfineverslaving" de heer F.P. vanaf het begin van zijn beroepsloopbaan, d.i. ca 12 jaar, voor dezelfde werkgever werkte, dat hij geen noemenswaardige ziekte noch aandoeningen had en met name geen psychiatrische aandoeningen, er nooit een medicatiemisbruik is geweest en er steeds een normale sociale relatie geweest. Ingevolge de behandelingen die de heer F.P. onderging na zijn ongeval, is er volgens de deskundige sprake is van een morfineverslaving. In zijn verslag verwijst Dr. Dillen wel naar een "toch wat vreemd gedrag inzake het opzoeken van uitputting en begeleidende pijnen, alsook het zichzelf toedienen van pijnprikkels, niettegenstaande het reeds aanwezig zijn van de pijnproblematiek en genomen pijnstilling". Hij steunt daarbij op een verslag van Prof. Van Houdenhove die de heer F.P. onderzocht naar een mogelijke contraindicatie vooraleer in de pijnkliniek te Leuven gestart werd met een pijnpomp. Uit de lezing van het verslag van Prof. Van Houdenhove blijkt dat het zichzelf toedienen van pijnprikkels door de heer F.P. is van na zijn ongeval en met name een manier om met zijn pijnprikkels om te gaan, zonder dat de heer F.P. zelf pijnprikkels ‘opzocht'. Omgekeerd is de hyperactieve levensstijl met excessief overwerk (o.m. vier dagen werken zonder slapen) uiteraard een beschrijving van de situatie voor het ongeval, die als dusdanig nooit tot enige psychische afwijking of enige verslavend gedrag geleid heeft. Prof. Van Houdenhove besluit ten andere in zijn verslag dat er geen psychiatrische contra-indicaties zijn tegen het inplanten van een pijnpomp. Het verslag van Prof. Van Houdenhove is daarbij opgesteld op 10 januari 2002, d.w.z. meer dan 2 jaar na het ongeval en nadat de heer F.P. gedurende 4 weken een cognitief en gedragstherapeutisch revalidatieprogramma had gevolg in het multidisciplinair pijncentrum verbonden aan het UZ te Leuven. 4.
- De nv Axa Belgium, die verder de besluiten van de deskundige en van Dr. Dillen onderschrijft dat de heer F.P. het slachtoffer is van een morfineverslaving die aansluit op een vroegere endorfineverslaving, voert in synthesebesluiten aan dat de rugklachten van de heer F.P. verband zouden houden met een vooraf bestaande degeneratieve afwijking in de rug tengevolge van een doorgemaakte ziekte van Scheuermann. Zij verwijst daarbij naar een aantal medische verslagen die deze afwijking objectiveren, o.m. naar een verslag van Prof. Lauwereys en een verslag van prof. Casteleyn. Zij verwijst ook naar het deskundig verslag dat zou gesteld hebben dat de vastgestelde rugklachten wijzen op degeneratieve afwijkingen die zich, zonder dat het arbeidsongeval zou hebben plaatsgevonden, op dezelfde wijze verder in de tijd evolutief zouden ontwikkeld hebben. 4.
- Uit het deskundig verslag van Dr. De Bondt blijkt geenszins dat deze de actuele rugklachten van de heer F.P. in verband brengt met voorafbestaande degeneratieve afwijkingen. Uit het verslag blijkt dat de aangestelde deskundige volledig de zienswijze volgt van de door hem aangezochte psychiater, Dr. Dillen die enkel spreekt van een morfineverslaving die verband houdend met de toegediende medicatie.. Uit het verslag van Dr. Casteleyn blijkt enkel dat er geen posttraumatische letsels zijn die de blijvende pijnklachten van de heer F.P. kunnen verklaren. Over het verband tussen de degeneratieve afwijkingen en/of de ziekte van Scheuermann spreekt prof. Casteleyn, die volgens zijn verslag geen inzage gekregen heeft van de radiografieën, zich niet uit. In het verslag van Prof. Lauwereys van 19 oktober 2000 wordt inderdaad wel een mogelijk verband gelegd tussen de pijn en de degeneratieve veranderingen die de heer F.P. ondergaan heeft ingevolge een doorgemaakte ziekte van Scheuermann. 4.
- Het komt, zoals gesteld onder punt 2.3., aan de NV Axa Belgium toe te bewijzen dat de vastgestelde letsels geen verband houden met het arbeidsongeval. Bij nalezing van de verschillende medische verslagen van de adviserende geneesheer van de NV Axa Belgium en van zijn opmerkingen bij het deskundig verslag stelt het Hof in de eerste plaatsvast dat daarin nergens sprake van is dat de rugklachten van de heer F.P. verband zouden houden met een voorafbestaande degeneratieve verandering van de wervelkolom. Deze stelling wordt evenmin verwoord in de besluiten na deskundig verslag en in de eerste beroepsbesluiten. Het is slechts in de synthesebesluiten in graad van beroep dat voor de eerste maal wordt aangevoerd dat de rugklachten verband zouden houden met deze degeneratieve veranderingen. Dit standpunt wordt echter verder op geen enkele wijze medisch gedocumenteerd. In de verslagen van de orthopedist die de heer F.P. zeer regelmatig onderzocht in de maanden aansluitend op het ongeval, wordt evenmin enig verband gelegd tussen de pijnklachten van de heer F.P. en de doorgemaakte ziekte van Scheuermann. In een verslag van Dr. Yde van 16.11.2000 wordt vermeld dat de vastgestelde afwijkingen, veroorzaakt door vroeger doorgemaakte problemen, op dat ogenblik "niet actief" zijn. Uit geen enkel medisch element blijkt verder dat vóór het ongeval de heer F.P. ooit enige last zou ondervonden heeft van de ziekte van Scheuermann of van de vastgestelde degeneratieve veranderingen. De nv Axa Belgium brengt derhalve niet het bewijs dat de vastgestelde letsels geen verband vertonen met het arbeidsongeval.
- Appellant betwist in zijn besluiten dat er sprake is van een morfine verslaving. Hij brengt in dit verband medische attesten voor van Prof.Van Houdenhove en van Dr. Kumar. Deze laatste wijst erop dat een onderzoek van de maand januari 2001 waarbij de patiënten ‘blind' verschillende dosissen (en ook placebo medicatie) kreeg toegediend, geen enkele twijfel laat bestaan tussen de toediening van opiaten en pijnvermindering. Volgens de heer F.P. is zijn pijn zeer reëel, zelfs indien ze medisch nog niet kan verklaard worden, en kan ze enkel via opiaten verminderd worden. Het Hof kan in deze medische controverse geen standpunt nemen. Op het vlak van de toepassing van de wetgeving op de arbeidsongevallen is ze ook niet relevant. Ofwel is er een reële pijn, die dan op basis van de voorhanden zijnde gegevens, en met inachtneming van het wettelijk vermoeden van het verband tussen de letsels en de plotselinge gebeurtenis, moet beschouwd worden als gevolg van het arbeidsongeval, ofwel is er, zoals de deskundige aanneemt op basis van het verslag van dokter Dillen, sprake van een medicatieverslaving die dan ook het gevolg is van de behandeling die opgestart werd ingevolge het arbeidsongeval. In beide hypotheses dient aangenomen te worden dat de huidige werkonbekwaamheid van de heer F.P. het gevolg is van het arbeidsongeval.
- In zijn verslag zegt de deskundige dat indien de rechtbank van oordeel is dat het wettelijk vermoeden dient te spelen, de heer F.P. sinds het ongeval van 11 mei 2000 als 100% arbeidsongeschikt moet gezien worden, maar dat de gevolgen van het ongeval nog niet kunnen geconsolideerd worden. Deze evaluatie van arbeidsongeschiktheid heeft echter blijkbaar niet het voorwerp uitgemaakt van een tegensprekelijk debat. Het Hof kan dan ook met de voorhanden zijnde gegevens niet ingegaan op de vraag van de heer F.P. om een veroordeling uit te spreken voor een tijdelijke totale arbeidsongeschiktheid vanaf het ongeval en een "vergoeding voor de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid vanaf de consolidatie". Een bijkomend deskundig onderzoek is noodzakelijk. Vermits dit bijkomend deskundig onderzoek enkel betrekking dient te hebben op de vaststelling van de werkonbekwaamheid en de consolidatie, is er geen reden om, zoals gevraagd door de heer F.P. een college van deskundigen samen te stellen. De bepaling van de graad van werkonbekwaamheid kan toevertrouwd worden aan de deskundige die door de Arbeidsrechtbank te Leuven werd aangesteld.
- Partijen hebben ter zitting van 3 november 2008 afstand gedaan van de installatievergadering zoals voorzien door artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek. OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond : Zegt voor recht dat de letsels en arbeidsongeschiktheden van de heer F.P. ook na 30 juni 2000 in oorzakelijk verband staan met het arbeidsongeval waarvan hij het slachtoffer werd op 11 mei 2000; Belast Dr. J. De Bondt, Mechelsestraat 194 te 3000 Leuven met de aanvullende opdracht om, in het licht van de beoordeling van het oorzakelijk verband tussen arbeidsongeval en letsels, zoals weergegeven in het arrest, de op elkaar volgende graden en periodes te bepalen van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid die het gevolg zijn van het arbeidsongeval waarvan de heer F.P. het slachtoffer werd op 11 mei 2000; de datum van consolidatie van de letsels en de graad van de eventuele bestaande blijvende fysiologische ongeschiktheid te bepalen; aan te duiden welke de invloed is van de fysiologische restletsels op de economische arbeidsongeschiktheid van betrokkenen en het percentage van deze economische ongeschiktheid te ramen. Aanvang der werkzaamheden: Zegt dat de deskundige zijn werkzaamheden zal aanvatten op een door hem na raadpleging van partijen en raadslieden te bepalen plaats, datum en uur doch binnen twee maanden nadat hij door de griffie van dit Arbeidshof van zijn opdracht in kennis werd gesteld en deze opdracht heeft aanvaard. Noodzaak technische raadgevers Machtigt de deskundige de bijstand in te roepen van iedere andere deskundige waarvan hij de tussenkomst noodzakelijk acht mits hij partijen voor de aanvang van de eigenlijke tussenkomst hiervan op de hoogte brengt; Raming algemene kostprijs en berekeningswijze Zegt dat de deskundige aan de partijen zelf een raming van de algemene kostprijs van het deskundig onderzoek zal doen toekomen of tenminste van de manier waarop zijn kosten en erelonen en deze van de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden; Zegt dat de deskundige ertoe gehouden is zijn ereloon prestaties en de kosten gedateerd, gedetailleerd, per eenheid en per aantal controleerbaar bij te houden en partijen op geregelde tijdstippen, minstens om de drie maanden een overzicht van de ereloonprestaties en kosten te bezorgen; Voorschot Bepaalt het voorschot dat ter griffie van dit Arbeidshof op het rekeningnummer 679 - 2009068 - 04 wordt geconsigneerd, hetzij wanneer partijen onderling overeenkomen dit bedrag te storten op een andere bankrekening, voorlopig op euro 750; bedrag te betalen door geïntimeerde binnen de maand vanaf de kennisgeving van dit arrest; Vrij te geven deel van het voorschot Bepaalt het vrij te geven deel van het voorschot op euro 375; Redelijke termijn voor opmerkingen op het voorlopig verslag dat moeten worden overgemaakt aan partijen, hun raadslieden en het Arbeidshof Zegt dat deze termijn door de deskundige zal worden bepaald zoals voorzien in artikel 976 van het Gerechtelijk Wetboek, met dien verstande dat een bijkomende doch kortere termijn kan worden bepaald, waarbinnen partijen repliek kunnen geven op de door de andere partij gemaakte opmerkingen. Termijn voor neerlegging van het eindverslag: De termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op zes maanden vanaf de dag waarop de deskundige zijn werkzaamheden zal hebben aangevat. Het eindverslag van de deskundige dient volgende bemerkingen te bevatten: - de datum - de aanwezigheid van partijen bij de werkzaamheden en van hun raadslieden - een opgave van de overhandigde stukken en nota's waarvan de tekst slechts mag worden overgenomen in zoverre dat nodig is voor de bespreking; Het eindverslag wordt op straffe van nietigheid door de deskundige ondertekend, met dien verstande dat zijn handtekening wordt voorafgegaan door de volgende eed : "ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb". De minuut van het eindverslag, de stukken en de nota's van de partijen en een gedetailleerde staat van de kosten en erelonen van de deskundige worden ter griffie van het Arbeidshof neergelegd; De gedetailleerde staat van kosten en erelonen van de deskundige vermeldt afzonderlijk: - het uurloon - de verplaatsingskosten - de bedragen die aan derden zijn betaald - de verrekening van de vrijgegeven bedragen; Op de dag van de neerlegging van het verslag zendt de deskundige bij een ter post aangetekende brief, een afschrift van het verslag en een gedetailleerde staat van de kosten met erelonen aan de partijen en bij gewone brief aan hun raadslieden; Wijst de deskundige op artikel 509 quater van het strafwetboek dat luidt : "met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van euro 200 tot euro 1.500 of met een van deze straffen alleen wordt gestraft de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, deze toch aanvaardt van een partij in het geding." Houdt de beslissing nopens de gerechtskosten aan; Zegt dat de verdere afhandeling van de zaak, in toepassing van artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek voor het Hof zal gebeuren; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 1 december 2008 en ondertekend door : De Heren : F. KENIS : Raadsheer, E. MAGNUS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, D. VANHAGENDOREN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Griffier, E. MAGNUS D. VANHAGENDOREN D. DE RAEDT F. KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081201.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div