id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 19 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081219.4 Rolnummer: 50.262 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-02-05 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-02 18:35 Fiches 1 - 2 Een verantwoordelijke manager, die alle procedures in verband met bestelling, levering en facturatie aan zijn laars lapt en door middel van fraude de verkoopsresultaten van zijn afdeling op fleurt, maakt zich schuldig aan een zware fout in de zin van artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Bedienden - Ontslag - Dringende reden. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art.
- Eveneens gerangschikt onder II AAN art.
- UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Rechten en plichten Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Bedienden - Zware schuld. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 18 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art.
- Eveneens gerangschikt onder II AAN art.
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 19 DECEMBER
- 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer L. S., , Appellant, vertegenwoordigd door Mter S. De Cleen loco Mter S. De Taeye, advocaat te 9070 Heusden; Tegen : DE B.V.B.A. METRONIC SPINE AND BIOLOGICS EUROPE (voorheen genaamd de B.V.B.A. KYPHON EUROPE), met zetel gevestigd te 1932 Zaventem, Leuvensesteenweg, 369, ingeschreven in de KBO onder nummer 0472 247 666; Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter L. Van Averbeke, advocaat te 2000 Antwerpen; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer ) op de buitengewone openbare terechtzitting van 12 juli 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 21 september 2007; - de besluiten, synthesebesluiten en vervangende synthesebesluiten voor appellant ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 26 februari 2008, 17 juni 2008 en 23 oktober 2008; - de besluiten, synthesebesluiten en tweede synthesebesluiten van geïntimeerde, neergelegd ter griffie, respectievelijk op 18 april 2008, 11 augustus 2008 en 14 november 2008; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 19 november 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 21 november 2008; appellante partij legde een bundel neer, waarna de debatten gesloten werden. x x x
- DE FEITEN EN RECHTSPLEGING. Op basis van een geschreven arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers van 15 januari 2001 is de heer L. op 22 januari 2001 in dienst gekomen van de B.V.B.A. Kyphon Europe, thans genaamd de B.V.B.A. Metronic Spine and Biologics Europe ( hierna genoemd Kyphon). Hij evolueerde naar de leidinggevende functie van Business Unit Director Benelux, met verantwoordelijkheid over een team van consultants-handelsvertegenwoordigers. Een deel van zijn variabele verloning was afhankelijk van de resultaten van zijn team. Op 24 juni 2004 werd de arbeidsovereenkomst van de heer L. door Kyphon beëindigd om dringende reden. Deze dringende redenen werden gepreciseerd in een aangetekende brief van 28 juni 2004 met volgende inhoud : " Eind november 2003 heeft u telefonisch een bestelling binnengebracht voor het ziekenhuis te Kirchberg ( Luxemburg) met de melding dat deze bestelling dringend diende geleverd te worden en dat u hiervoor zelf zou zorgen. Het ging om een bestelling ter waarde van euro 27.
- U heeft de goederen samen met de leveringsnota en de facturen op 26 november 2003 afgehaald
- Op 30 maart 2004, net voor het afsluiten van het eerste kwartaal, heeft u via e-mail een bestelling meegedeeld van Orbis te Sittard ( Nederland). Hierbij heeft u gesteld : "alle goederen + leveringsbon + factuur worden door mij afgehaald en geleverd vanaf 13u. deze middag indien mogelijk?". Het betreft hier een bestelling ter waarde van euro 27.984 + euro 31.
- In beide gevallen heeft u over de afdeling logistiek gesteld dat u de originele bestelbon nog zou binnen leveren. Beide bestellingen werden uiteraard in de jaar - en kwartaalresultaten opgenomen en als dusdanig over de V.S. gerapporteerd. Tevens ontving u op beide bestellingen de voorziene commissie. Begin juni werd L. B. gecontacteerd door de heer P. B.., verantwoordelijke voor Nederland, met de melding dat hij de vraag had gekregen van Orbis om eventueel goederen in consignatie te kunnen leveren voor dringende procedures. Hij vond dit vreemd aangezien Orbis volgens de interne, administratieve gegevens vrij recentelijk een grote partij van die goederen geleverd had gekregen. L. B. heeft dit met M. F. besproken. Deze heeft daarop de leveringsprocedure onderzocht waarbij hij vaststelde dat er in het dossier geen door de klanten ondertekende bestelbon, noch een ondertekende leveringsnota stak. Bovendien werd vastgesteld dat de desbetreffende facturen nog openstonden. M. F. heeft daarop onmiddellijk de klanten Kirchberg en Orbis gecontacteerd in verband met achterstallige betalingen. De boekhoudafdelingen van zowel Kirchberg als Orbis bevestigden aan M. F. dat zij de goederen nooit ontvangen hadden, en dat bijgevolg de factuur niet in hun boekhouding als te betalen stond geregistreerd. De heer F. heeft u hierover een eerste keer aangesproken op 4 juni 2004 en u gewezen op de vereisten van erkenning van verkoopcijfers. Tijdens de zeer regelmatige opvolgingsgesprekken met M. F. werd u telkens weer herinnerd aan de ernst van de zaak. Meerdere malen hebt u verzekerd dat alles wel in orde zou komen tot u op maandag 21 juni 2004 stelde dat u "inmiddels" al de goederen al voorlopig ( had) teruggenomen voor controle van de inhoud en de "expiry date". Tijdens onze bespreking van 24 juni 2004 op het middaguur heeft u tenslotte t.o.v. mijzelf en M. F. bevestigd dat er geen door de klant getekende bestelling was geweest, noch in het geval van Orbis, noch in het geval van Kirchberg. U bevestigde ook dat u perfect wist dat er op het ogenblik dat u de bestelling inbracht en uitleverde geen bestelling was. Wij hebben u erop gewezen dat dergelijke handeling totaal onaanvaardbaar is en tevens alle vertrouwen onmiddellijk en definitief onmogelijk maakte. Wij herinneren u er tevens aan dat u hierdoor onze vennootschap in zwaar diskrediet bracht t.o.v. de moedervennootschap in de V.S. en dat u uw collega's in de logistieke en in de boekhouding zwaar in de problemen bracht. Ik vroeg u tot vijfmaal toe of er niets anders was. U bevestigde met grote stelligheid dat dit inderdaad niet het geval was. Uiteindelijk verwees ik naar de bedrijfswagen, waar ook u op dit punt fout toegaf. U heeft sedert kort een nieuwe bedrijfswagen. Het was mij enkele dagen geleden opgevallen dat u deze wagen niet op de normale parking parkeerde. Dit riep vraagtekens op. Uit een contact dat wij op 23 juni 2004 met de leverancier Centerauto hebben gehad is dan gebleken dat u een groot aantal opties over uzelf had laten factureren. Dit is in strijd met het binnen het bedrijf geldende autobeleid dat uitdrukkelijk verbiedt van persoonlijk extra opties/accessoires aan de wagen toe te voegen zonder de leasingmaatschappij ( via de wagenparkbeheerder) hiervan op de hoogte te brengen (Hfst 5 Car policy, types & opties). U bevestigde dat u dit beleid goed kende. U had trouwens in die periode onmiddellijk voorafgaand aan de bestelling van de nieuwe bedrijfswagen hierover verscheidene discussies gehad met de heer F. teneinde een afwijking op deze regel te bekomen hetgeen u geweigerd werd. ..." Bij aangetekend schrijven van 1 juli 2004 betwistte de raadsman van de heer L. dit ontslag met dringende reden en vorderde een opzeggingsvergoeding, een vergoeding wegens onrechtmatig concurrentiebeding, een vergoeding voor door hem betaalde accessoires op de bedrijfswagen en alle andere vergoedingen voor de door de heer L. geleden schade. In een brief van 7 juli 2004 lichtte de raadsman van Kyphon het ontslag toe, wees de vorderingen af en behield zich het recht voor om zelf schadevergoeding te vragen. In een antwoordbrief van 12 oktober 2004 verduidelijkte de raadsman van de heer L. zijn vordering cijfermatig. Partijen kwamen niet tot overeenstemming en op 29.
- 2005 dagvaardde de heer L. Kyphon voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van : - - een opzeggingsvergoeding van 7 maanden of euro 50.542,23, - een uitwinningsvergoeding van 3 maanden of euro 21.660,
- Bij conclusies van 4.6.2006 werd deze vordering uitgebreid in betaling van : - kosten van opties aan het voertuig of euro 7.944,99, - advocatenkosten euro 2000, Bij besluiten van 22 juni 2005 stelde Kyphon een tegenvordering in betaling van : - een schadevergoeding wegens fictieve bestelling, waarvan bij terugname de producten vervallen waren of euro 15.750, - een schadevergoeding wegens uit te voeren de audit als gevolg van de fraude of euro 21.700, - een schadevergoeding wegens verlies aan credibiliteit of euro 1 provisioneel, - advocatenkosten of euro 1 provisioneel. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 12 juli 2007 werd de hoofdvordering met betrekking tot de terugbetaling van de wagenopties en de advocatenkosten niet toelaatbaar verklaard wegens verjaring en werd de vordering voor het overige ontvankelijk doch ongegrond verklaard; de tegenvordering werd ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard wat betreft de schadevergoeding van euro 15.750 ( vervallen producten). Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 21 september 2007, tekende de heer L. hoger beroep aan en hernam zijn oorspronkelijke vordering behalve wat betreft het punt van de advocatenkosten, waarvoor hij de nieuwe rechtsplegingsvergoeding hoger beroep vroeg.
- BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.
- De dringende reden. Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Artikel 35, laatste lid, voegt hieraan toe dat de partij die een dringende reden inroept, het bewijs moet leveren dat zij deze termijn geëerbiedigd heeft. De kennisname van de feiten waarop het ontslag met dringende reden gesteund is, dient te gebeuren in hoofde van de persoon of het orgaan, bevoegd om tot het ontslag over te gaan (Cass., 7 december 1998, R.W. 1999-2000, 848; Cass., 24 juni 1996, Arr. Cass. 1996, 639). Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn : - er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief (zie. W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 04-05, nr. 5249). Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren. Benevens het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder A.H. Brussel, 20 juni 1980, T.S.R. 1981,41). 2.1.1 De drie werkdagen termijn i.v.m. het ontslag. De heer L. betwist niet dat de heer V. de met ontslagbevoegdheid beklede persoon is ( zie tweede en vervangende syntheseconclusie in hoger beroep van 23 oktober 2008, p. 9 voorlaatste §); tevens aanvaardt hij dat de drie werkdagen termijn slechts begint te lopen van zodra deze persoon voldoende kennis heeft van de feiten die de grond vormen tot het ontslag wegens dringende reden ( zie zelfde conclusie, p. 12). Uit het verloop van de feiten, zoals naar voren gebracht in de motiveringsbrief m.b.t. het ontslag, volgt dat de opvolging van de dossiers Kirchberg en Orbis gebeurde door de heer F., nadat hij via mevrouw L. B. kennis had genomen van de opmerkingen van de heer P. B.. over de bestelling Orbis. De heer F. was niet de met ontslagbevoegdheid beklede persoon; aan hem werden de feiten voorgesteld als zijnde een zo goed als afgewerkt dossier, waarin nog een aantal eindbewerkingen moesten gebeuren, wat door de heer L. spoedig zou kunnen worden opgelost. Het kantelmoment was ongetwijfeld de e-mail correspondentie aanvangend op 17 juni 2004, waarin de heer L. de zaken nog voorstelde alsof er "absoluut geen probleem" was, waaruit de heer F. afleidde dat er op maandag 21 juni 2004 een finalisering zou kunnen plaatsvinden ( zie zijn antwoord e-mail van 18 juni 2004). Op de bewuste dag van maandag 21 juni 2004 liet de heer L. aan de heer F. weten dat Orbis op dinsdag 22 juni 2004 nog moest beslissen, terwijl hij voordien de zaken steeds had voorgesteld alsof hij deze beslissing op zak had; ook de bestelling van Kirchberg zou maar pas voor dinsdag zijn, waar de heer L. aan toevoegde : "ondertussen had ik al de goederen al voorlopig teruggenomen voor controle van de inhoud en de expiratiedata." Van absoluut geen probleem evolueerde de transactie naar een situatie waarin de vooropgestelde einddatum weggeschoven werd en waarbij bleek dat de vervaldatum van de bedoelde medische goederen ondertussen nabij of overschreden was. Zowel de reeds gefactureerde transactie als de werkwijze van de heer L. bleken fictief. De heer F. heeft op dat ogenblik, m.n. op 21 juni 2004, zeer terecht de tot ontslag bevoegde persoon ingelicht en deze heeft de heer L. uitgenodigd voor een verhoor, waarbij opnieuw bleek dat zijn uitleg op los zand berustte, zodat men op 24 juni 2004 tijdig tot een ontslag om dringende reden heeft beslist, waarvan men de motivering binnen de drie werkdagen op 28 juni 2004 heeft ter kennis gebracht. Tevergeefs tracht de heer L. de aandacht te richten op het goed vertrouwen dat de heer F. nog bewaarde tot 20 juni 2004; tot op dat ogenblik gaf men aan de heer L. nog de kans om zijn absoluut geen probleem waar te maken en de huidige maar betwiste uitleg van betrokkene dat in deze periode de heer V. mogelijk reeds iets zou toegelicht hebben gekregen van de heer F., is i.v.m. de drie werkdagen termijn dan ook irrelevant, omdat er toen nog geen besef was van het volledig fictieve van de modus operandi van de heer L.. De zekerheid omtrent dit fictieve bekwam men door het verhoor van 24 juni
- Ook een persoonlijke verschijning over dit verloop is niet ter zake dienend, gelet op de chronologie en de wederzijdse standpunten van partijen. Het ontslag om dringende reden en de motivering ervan werd dan ook tijdig gegeven. 2.1.
- De dringende reden zelf. Terecht beschouwde de eerste rechter de handelwijze van de heer L. als fraude. Ten onrechte wil de heer L. zich verontschuldigen alsof hij zou gehandeld hebben ten voordele van een collega, waardoor hij met zoveel woorden de feiten als dusdanig toegeeft. Zijn poging om de verantwoordelijkheid in verband met de door hem geënsceneerde bestelling, levering en facturatie in de schoenen van een ondergeschikte ( de dienst logistiek) te schuiven, illustreert zijn gebrek aan normbesef als manager. De bewijzen in verband met de fictieve leveringen en werkwijze volgen uit de leveringsnota's en facturen ( stuk 9 en 11 van Kyphon), uit de creditnota's (stukken 13) uit de verklaringen van de medewerkers S. en H. ( stuk en 7 en 12) en uit de hierboven besproken e-mail correspondentie (stuk 14). Zoals gezegd, bevestigt de heer L. door zijn verontschuldigingen (vergelijk p. 15 § 2 van zijn tweede en vervangende synthese conclusie in hoger beroep van 23 oktober 2008) de feitelijkheid. Terecht bevestigde de eerste rechter de beslissing van de werkgever dat dergelijke frauduleuze werkwijze reeds volstaat voor een dringende reden. De evaluatie van de overige ingeroepen feiten is niet meer nodig, daar het bovenvermelde reeds tot een dringende reden leidt. De vordering van de heer L. in verband met de opzeggingsvergoeding en uitwinningsvergoeding is dan ook ongegrond. 2.2 De terugbetaling van de kosten van de opties aan het voertuig. De terugbetaling van de kosten van de opties aan het voertuig van de heer L. werd door de eerste rechter terecht als een nieuwe vordering beschouwd, die niet virtueel begrepen is in het voorwerp van de dagvaarding; dit onderdeel van de tegen de werkgever ingestelde vordering werd meer dan één jaar na het ontslag geformuleerd en is dan ook verjaard op grond van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet. Het voordeel van de opties kwam bovendien toe aan de leasingmaatschappij, zodat men zich afvraagt op basis waarvan de heer L. zijn werkgever aanspreekt, die op goede gronden tot ontslag is overgegaan. Alleszins en ten overvloede is deze vordering dan ook ongegrond.
- De schadevordering van Kyphon. Kyphon beperkt in graad van hoger beroep zijn oorspronkelijke tegenvordering tot een schadevergoeding voor de vervallen medische producten en vraagt de bevestiging van het vonnis van de eerste rechter. Inderdaad maakte de heer L. zich schuldig aan een zware fout in de zin van artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet door als verantwoordelijke manager alle procedures in verband met bestelling, levering en facturatie aan zijn laars te lappen en door middel van fraude de verkoopsresultaten van zijn afdeling op te fleuren ( W. Van Eeckhoutte, A. Tanghon en S. Van Overbeke, Overzicht van rechtspraak arbeidsovereenkomsten ( 1988 -2005), T. P. R. 2006, 249, nr. 132 ; A.H. Brussel 18 februari 2008, JTT 2008, 421). Op het ogenblik dat de door hem afgehaalde goederen werden teruggegeven, waren een groot deel ervan vervallen en niet meer verkoopbaar, wat de schade is die de onderneming lijdt tengevolge van zijn handelwijze. Deze schade kan worden afgeleid uit de aantallen en vervaldata van de producten die vermeld staan op de leveringsnota en de prijslijst van deze producten ( zie stukken 4 Kyphon). Uiteraard werden nadien geen vervallen medische producten aan Orbis verkocht. Op basis hiervan is de schade ten bedrage van euro 15.750 bewezen. 2.
- De advocaatkosten en de gerechtskosten. Partijen zijn het erover eens dat hun aanvankelijke vorderingen in verband met de advocatenkosten thans bepaald worden door het nieuwe artikel 1022 Ger. Wb., waaruit volgt dat geen partij kan worden aangesproken boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ( Wet 21 april 2007, artikel 7). Beide partijen verwezen voor de gerechtskosten hoger beroep naar het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, maar voor zover deze ten laste van de heer L. zou worden gelegd, vraagt hij dat ze zou worden verminderd tot het minimumbedrag omwille van zijn beperkte financiële draagkracht. De heer L. toont zijn beperkte financiële draagkracht niet aan en terecht verwijst Kyphon naar de eigen argumentatie van betrokkene die erop wijst dat zijn loonpakket sterk opgewaardeerd werd door de hem toegekende aandelenopties. De gerechtskosten dienen dan ook te worden vergoed op basis van het basisbedrag. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis, Veroordeelt de heer L. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan beide zijden begroot op rechtsplegingsvergoeding beroep basisbedrag euro
- Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, L. REYBROECK. A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 19 december 2008 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081219.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div