← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090105.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090105.8 Rolnummer: 49.829 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-03-04 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 18:53 Fiche Uit de samenlezing van de verschillende bepalingen van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap, blijkt dat de beslissingen, genomen door de Bijzondere Bijstandscommissie, ingesteld door artikel 31 van het Besluit, niet worden genomen in het kader van een discretionaire bevoegdheid. De rechter heeft de bevoegdheid deze beslissingen met volle rechtsmacht te beoordelen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - GEHANDICAPTEN - Sociale reclassering - Vlaamse Gemeenschap Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - SOCIALE RECLASSERING VAN DE MINDER-VALIDEN - Vlaamse Gemeenschap - Besluit Vlaamse Gemeenschap van 13 juli

  1. Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Executieve - 13-07-2001 - - - 95 ELI link Pub nr 2001036231 Nota: Gerangschikt onder X B (Besluit Vl. Gemeenschap van 13/07/2001). Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 JANUARI
  2. 5DE KAMER Not. 582 1° Ger. W. Tegemoetkomingen mindervaliden Tegensprekelijk Definitief + verzending naar de Bijzondere Bijstandscommissie In de zaak: B. Frieda, wonende te [xxx]. Appellante, vertegenwoordigd door Mr M. SCHURMANS loco Mr R. VANDEBROEK, advocaat te Leuven. Tegen: HET VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP, met zetel gevestigd te 1210 BRUSSEL, Sterrenkundelaan
  3. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. K. DEMEESTER, advocaat te Gent.    Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Leuven op 6 april 2007, - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 9 mei 2007; - de besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 1 december 2008 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken. Gehoord de heer D. SOETEMANS, 1ste Advocaat-Generaal in zijn mondeling advies gegeven op diezelfde openbare terechtzitting. Mr. Demeester repliceert onmiddellijk op dit advies.   I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
  4. Mevrouw B., die ingevolge een verkeersongeval een hoge bovenbeenamputatie onderging en een prothese draagt, heeft op 19 december 2002 een vraag tot inschrijving ingediend bij het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap. In deze vraag was o.m. een tussenkomst begrepen in de aankoop van plastuiten. Vermits dit hulpmiddel niet voorkomt op de referte-lijst, gevoegd bij het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001, werd deze aanvraag voorgelegd aan de Bijzondere Bijstandscommissie voorzien door artikel 31 van het vermelde Besluit. Op 16 december 2005 besliste de Bijzondere Bijstandscommissie om de gevraagde tussenkomst niet te verlenen. De beslissing, die ter kennis gebracht werd bij schrijven van 12 januari 2006 steunde op de overweging dat "dit niet behoort tot de bevoegdheid van het Vlaams Fonds".
  5. Op 30 januari 2006 heeft mevrouw B. beroep aangetekend bij de arbeidsrechtbank te Leuven tegen deze beslissing. Bij vonnis van 6 april 2007, ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 11 april 2007, heeft de arbeids-rechtbank te Leuven het beroep van mevrouw B. afgewezen. De arbeidsrechtbank was van oordeel dat zij ten aanzien van de beslissingen van de Bijzondere Bijstandscommissie slechts over een marginaal toetsingsrecht beschikte en deze beslissing slechts kon vernietigen wanneer ze onwettig was of wanneer het bestuur niet in redelijkheid tot de genomen beslissing was kunnen komen. Zulks was volgens de arbeidsrechtbank niet het geval.
  6. Bij verzoekschrift van 9 mei 2007 heeft mevrouw B. beroep aangetekend tegen dit vonnis.   II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Het werd ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig.   III. BEOORDELING.
  7. Mevrouw B. voert aan dat, in tegenstelling met wat de eerste rechter oordeelde, de Bijzondere Bijstandscommissie op basis van de voorliggende gegevens, niet in redelijkheid tot de beslissing kon komen dat de gevraagde tussenkomst voor plastuiten niet noodzakelijk was. Zij benadrukt dat, in tegenstelling met hetgeen het Vlaams Agentschap stelt, het gebruik van een plastuit niet sporadisch was, maar integendeel ook noodzakelijk was op het werk en thuis. Het Vlaams Agentschap verwijst naar het verslag van de administratie, waarop de bestreden beslissing zou steunen, en waarin aangevoerd wordt dat het om een sporadisch gebruik gaat en dat mevrouw B. reeds beschikte over de tussenkomst voor een toiletver-hoog, die van aard was haar probleem op te lossen. Het Vlaams Agentschap stelt verder, zoals de eerste rechter, dat het gaat om een discretionaire bevoegdheid van de Bijzondere Bijstandscommissie.
  8. Ongeacht het antwoord op de vraag of de bevoegdheid van de Bijzondere Bijstandscommissie inderdaad een discretionaire bevoegdheid is, dient alvast gesteld te worden dat het hof in ieder geval, in het kader van de beroepsmogelijkheid die door artikel 582, 2° van het Gerechtelijk Wetboek1 werd voorzien met betrekking tot de geschillen betreffende de inschrijving en de toekenning van bijstand tot sociale integratie voortvloeiend uit de toepassing het decreet van 27 juni 1990 houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een handicap en het decreet van 7 mei 2004 houdende oprichting van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, bevoegd is om toezicht te houden op de wettigheid van de bestreden beslissing, en om na te gaan of het orgaan dat de beslissing genomen heeft, bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid niet onredelijk of willekeurig heeft gehandeld (Cass. 11.12.2006, J.T.T. 2007, 135). De controle over de wettelijkheid houdt daarbij de bevoegdheid in om na te gaan of de beslissing in overeenstemming is met de verplichting tot motivering, zoals die volgt uit de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. (zelfde arrest, 2e middel). In dit verband stelt het hof vast dat de beslissing, zoals die aan appellante werd medegedeeld, enkel als motivering vermeldt: "De Bijzondere Bijstandscommis-sie beslist geen tegemoetkoming te verlenen voor de plastuiten. Dit behoort niet tot de bevoegdheid van het Vlaams Fonds". Een dergelijke motivering beantwoordt niet aan de vereisten gesteld door de wet van 29 juli
  9. Ze duidt noch de feitelijke noch de juridische grond-slag van de beslissing aan. Weliswaar bevindt zich in het administratief dossier (stuk 4) een beoor-deling opgesteld door de administratie van het Agentschap met een voorstel van negatieve beslis-sing, doch zulks is niet van aard de tekortkoming aan de wet van 29 juli 1991 recht te zetten. Overeenkomstig artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 dient de motivering immers in de beslissing zelf opgenomen te zijn. Verder laat de beslissing geens-zins toe te besluiten dat de Bijzondere bijstands-commissie impliciet het voorstel van de administra-tie overgenomen heeft. De administratie steunde in zijn voorstel immers op een feitelijke beoordeling waarin de noodzaak van het gebruik van deze plas-tuiten onvoldoende bewezen was, terwijl volgens de bestreden beslissing het Vlaams Agentschap "niet bevoegd" was, redengeving die overigens in de loop van de procedure niet werd toegelicht. De beslissing is op die basis dan ook nietig. Zulks houdt echter niet in dat het hof zonder meer uitspraak zou kunnen doen over het recht zelf. Wanneer immers door de wetgever aan de administratie een discretionaire bevoegdheid gegeven werd, vermag de rechter in dat geval niet aan het bestuur zijn beoordelingsbevoegdheid te ontnemen en zich aldus in de plaats van het bestuur te stellen (cfr. cassatie 11.12.2006, geciteerd). In dat geval dient de rechter de zaak terug te verwijzen naar de administratie met de vraag om een nieuwe beslissing te nemen, waarbij de wettelijke motiveringsplicht in acht wordt genomen.
  10. De vraag stelt zich echter of, zoals het Vlaams Agentschap voorhoudt, en door de eerste rechter is aanvaard, de beslissing van de Bijzondere Bijstands-commissie wel een discretionaire beslissing is. Overeenkomstig artikel 1, lid 1 van het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot vaststel-ling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap kan het Vlaams Fonds (thans het Vlaams Agentschap) " binnen de perken van de kredieten", bijstand verlenen "voor de sociale integratie van personen met een handicap". Volgens lid 2 van dezelfde bepaling kan het Fonds, ten belope van 10 % van de vastgelegde kredieten, "individuele bijstand verlenen voor de sociale integratie die buiten de bepalingen en bedragen van de refertelijst in bijlage bij dit besluit vallen". Overeenkomstig artikel 4 van het Besluit kan de materiële bijstand alleen toegekend worden voor kosten die, door de behoefte die voortvloeit uit de handicap, noodzakelijk zijn voor de integratie van een persoon met een handicap. Het moet gaan om bijkomende uitgaven ten opzichte van de uitgaven die een valide persoon in dezelfde omstandigheden moet doen. De bijstand kan alleen toegekend worden als de noodzaak, de gebruikte frequentie, de werkzaamheid en de doelmatigheid van de bijstand in functie zijn van de handicap, en in verhouding staan tot het bedrag van de gevraagde bijstand, dat vermeld staat op de refertelijst in de bijlage bij het Besluit. Overeenkomstig artikel 16 van het Besluit gebeurt de beslissing over de tenlasteneming van de bijstand door het toekennen van een persoonlijke bijstands-korf. Deze bijstandskorf is in de regel samengesteld uit hulpmiddelen die in de refertelijst voorkomen. Overeenkomstig artikel 18 kan, in afwijking van de bepaling vermeld in artikel 16, de toegekende persoonlijke bijstandskorf samengesteld zijn uit hulpmiddelen die wel voldoen aan de voorwaarden gesteld in het besluit, maar die niet in de referte-lijst in de bijlage bij dit besluit opgenomen zijn, op voorwaarde dat de bij artikel 31 bedoelde commissie een gunstige beslissing neemt. Overeenkomstig artikel 31 § 1 van het Besluit wordt een Bijzondere Bijstandscommissie opgericht die tot taak heeft bij wijze van individuele bijzondere maatregel te oordelen over de tenlasteneming van de bij artikel 1, tweede lid, bedoelde hulpmiddelen, binnen de in dat artikel vastgelegde budgettaire beperking. Overeenkomstig artikel 31 § 3 dient de hulpaanvraag, om in aanmerking genomen te worden door de Bijzon-dere Bijstandscommissie, aan de volgende voorwaarden te voldoen: 1° het hulpmiddel is niet opgenomen in de refertelijst in de bijlage bij het besluit; 2° de aanvraag tot tenlasteneming is geldig ingediend; 3° de tenlasteneming van het hulpmiddel is mogelijk overeenkomstig de voorwaarden gesteld in dit besluit; 4° de kostprijs van het hulpmiddel overschrijdt 250,00 euro , inclusief BTW.
  11. Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat de individuele materiële hulp, die kan toegekend worden door de Bijzondere Bijstandscommissie, dient te beantwoorden aan de voorwaarden gesteld door artikel 4 van het besluit, behoudens het feit dat het gaat om een hulpmiddel dat niet opgenomen is in de refertelijst en een hulp waarvan het bedrag een zekere som te boven gaat. De Bijzondere Bijstandscommissie dient derhalve, overeenkomstig artikel 4 van het besluit te onderzoeken, of de gevraagde bijstand noodzakelijk is voor de sociale integratie van de persoon met een handicap, of het gaat om bijkomende kosten ten opzichte van de uitgaven die een valide persoon in dezelfde omstandigheden doet; of de noodzaak, de gebruiksfrequentie, de werk-zaamheid en de doelmatigheid van de bijstand in functie zijn van de handicap. Wanneer de Bijzondere Bijstandscommissie, op basis van het onderzoek van deze criteria, een tussenkomst weigert, en de gerechtigde die weigering betwist, ontstaat er tussen de rechthebbende en het Vlaams Fonds (in casu de Bijzondere Bijstandscommissie, een betwisting over het recht op die tegemoetkoming. De berechting van dit geschil valt overeenkomstig artikel 582, 2° van het Gerechtelijk Wetboek onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. Indien de rechthebbende een dergelijke betwisting bij de arbeidsrechtbank aanhangig maakt oefent deze een toezicht van volle rechtsmacht uit op de beslissing van het Vlaams Fonds, waarbij alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het Vlaams Fonds, meer bepaald van de Bijzondere Bijstandscommissie valt, onder de bevoegdheid valt van de arbeidsrechtbank (cfr. bij analogie Cass. 13.09.2004, J.T.T. 2004, 1359 inzake het Bijzonder Bijstandsfonds in de ziekteverzekering). Uit de aangehaalde bepalingen blijkt niet dat de wetgever aan de Bijzondere Bijstandscommissie een discretionaire bevoegdheid heeft willen geven. Wel is het zo dat, wanneer vastgesteld is dat aan de voorwaarden van artikel 4, zoals hierboven vermeld, voldaan is, de Bijzondere Bijstandscommissie het bedrag van de tussenkomst moet vaststellen, rekening houdend met het budget dat ter beschikking is voor bijstand die onder de toepassing van artikel 1, lid van het besluit valt. 5.
  12. Het komt dan ook kan het Hof toe te beoordelen of de Bijzondere Bijstandscommissie op een correcte manier toepassing gemaakt heeft van de wettelijke beoordelingscriteria. Het Vlaams Agentschap verwijst daarbij naar de beoordeling die door de administratie gemaakt is en waaruit zou blijken dat niet aan de voorwaarden voldaan is. 5.
  13. De administratie beoordeelde de aanvraag van mevrouw B. als volgt: " Betrokkene is alleenstaande en fulltime tewerk-gesteld. De provinciale evaluatiecommissie acht de vraag voor tegemoetkoming in de kosten van plastuiten wel gemo-tiveerd en verwijst de aanvraag naar de Bijzondere Bijstandscommissie. De betrokkene heeft een hoge linkerbeen amputatie. Met haar prothesen is het moeilijk om plaats te nemen op gelijk welk toilet. Zij acht dan het gebruik van plastuitjes noodzake-lijk. Dr. Herremans, uroloog, zegt dat betrokkene om medische redenen nood heeft aan het gebruik van plastuiten om zittend plassen toe te laten en om intermittente blaascatherisaties te kunnen vermij-den. Hij bevestigt dat door de beenprothese de positie van het bekken instabiel is en dat dit plassen met een sproeistraal veroorzaakt. Een aantal gegevens wijzen op tegenstrijdigheden en bewijzen dat de argumentatie niet gegrond is. Betrokkene beschikt over een toiletverhoog waarvoor het Vlaams Fonds in haar bijstandskorf van 12.06.2003 een gunstig advies heeft gegeven. In de thuissituatie maakt betrokkene hiervan dan ook dagelijks gebruik. In de werksituatie kan men ervan uitgaan dat, vermits ze in een psychiatrische instelling tewerkgesteld is, er aangepaste toiletten moeten zijn vermits er ook rolstoelgebruikers tot de bewonerspopulatie behoren. In het kader van haar tewerkstelling zijn er zelfs mogelijkheden om dit probleem op te lossen. In het adviesrapport wordt vermeld dat wanneer de betrokkene laag moet zitten op het toilet het wel eens gebeurd dat ze over het toilet plast. Het zijn dus feiten die zich maar sporadisch voordoen. Er wordt ook vermeld dat betrokkene haar toiletver-hoog meeneemt op haar vakantie. Het toiletverhoog is inderdaad transportabel, het is licht van gewicht. Het gebruik van de plastuiten, zoals blijkt uit het adviesrapport, valt dus te reduceren tot gebruik bij vrienden en restaurantbezoek, hier is dus zeker geen sprake van een meerkost. Plastuiten kunnen ook niet te ressorteren onder incontinentiemateriaal." 5.
  14. Mevrouw B. stelt tegenover deze beslissing dat een toiletverhoging, die ook oorspronkelijk aange-vraagd werd, geen oplossing biedt voor haar pro-bleem. De toiletverhoging kan ervoor zorgen dat zij gemakkelijker kan rechtstaan van het toilet maar maakt op het vlak van de bekkenkanteling slechts een klein verschil uit dat. Om als vrouw op de juiste manier te kunnen plassen moet de vrouw het bekken kunnen kantelen, hetgeen bij een volledige been-prothese moeilijk is. Dit wordt bevestigd door een attest van de behandelende kinesiste die verder uitlegt dat mevrouw B. ingevolge haar handicap slechts op één zitbeenknobbel kan gaan zitten. Mevrouw B. zet nog uiteen, zonder op dit punt tegengesproken te worden, dat zij de toiletverhoging die toegekend was door de permanente evaluatie-commissie, in feite nooit aangekocht heeft, en dus geen beroep gedaan heeft op de voorziene tussen-komst, omdat zij vastgesteld had dat de plastuit een beter hulpmiddel was. Mevrouw B. stelt verder dat in haar werksituatie inderdaad aangepaste en verhoogde toiletten aanwezig zijn, maar dat deze geen oplossing bieden voor haar probleem. Indien zij geen plastuit kan gebruiken dient zij haar prothese los te maken, hetgeen zeker 20 minuten toiletbezoek zou betekenen hetgeen in haar werksituatie onmogelijk is vermits zij onthaalbediende is, dient in te staan voor alle inkomende telefoons, het bedienen van de slagbomen van de parking en het openen en sluiten van de toegang als er bezoekers personeel of patiënten het ziekenhuis willen betreden of verlaten. Bij nazicht van het administratief dossier vindt het hof geen grondsslag voor de vermelding in het voor-stel van de administratie, en in de besluiten van het Vlaams Agentschap, dat mevrouw B. de plas-tuiten "enkel" zou gebruiken bij restaurantbezoek of bezoek bij vrienden. Er wordt integendeel vermeld dat de plastuitjes haar helpen "om op haar werk en op alle andere plaatsen (op restaurant, bij vrienden ...) op een fatsoenlijke manier te kunnen gaan plassen". Er wordt evenmin een grondslag gevonden in het administratief dossier voor de vermelding dat appellante thuis en op vakantie een toiletverhoog gebruikt. 5.
  15. De noodzaak van het gebruik van plastuiten wordt, naast het oorspronkelijk verslag van uroloog Herremans en van het reeds vermelde verslag van de kinesiste, bevestigd door verschillende attesten. In een verslag van 1 juli 2006 bevestigt dokter Lanoye de moeilijkheid voor mevrouw B. om zittend te plassen en stelt hij dat zonder dit hulpmiddel en een risico bestaat op blaasretentie, frequente cystitis en andere ontstekingen. Verder zijn er attesten in dezelfde zin van dokter Peeters, van dokter Herremans (bijkomend attest) en van protesist De Molder, die allen bevestigen dat de plastuit voor mevrouw B. een absoluut noodzakelijk hulpmiddel is in het dagelijks leven. Uit de voorgebrachte facturen blijkt dat mevrouw B., thans op eigen kosten en zonder enige tussen-komst, op zeer regelmatige wijze gebruik maakt van de plastuit (240 stuks om de 6 à 7 weken ongeveer, met een kostprijs van c.a. 100,00 euro per periode), hetgeen bevestigt dat het zeker niet om een occasioneel hulpmiddel gaat, voor uitzonderlijke situaties.
  16. Uit de voortgebrachte attesten en argumentatie blijkt voldoende dat de plastuit voldoet aan de voorwaarden voor tussenkomst, zoals bepaald door art. 4 van het Besluit van 13 juli
  17. De gevraagde bijstand is noodzakelijk voor de sociale integratie van mevrouw B., het gaat om bijkomende kosten ten opzichte van de uitgaven die een valide persoon in dezelfde omstandigheden doet en de nood-zaak, de gebruiksfrequentie, de werkzaamheid en de doelmatigheid van de bijstand in functie zijn van de handicap zijn bewezen. In de bestreden beslissing wordt dan ook ten onrechte geoordeeld dat de plastuit niet voor terugbetaling in aanmerking kwam. Het komt echter aan de Bijzondere Bijstandscommissie toe om, in functie van de beschikbare budgetten, het bedrag van de tussenkomst vast te stellen, rekening houdend met het feit dat mevrouw B. aantoont op dit ogenblik een meerkost te hebben van ca. 700,00 euro op jaarbasis.   OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Gehoord de heer D. SOETEMANS, 1ste Advocaat-Generaal in zijn mondeling advies; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond; Hervormt het bestreden vonnis; Vernietigt de bestreden beslissing wegens schending van de wet van 29 juli 2001 op de motivering van de bestuurshandelingen; Zegt voor recht dat mevrouw B. aan de wettelijke voorwaarden voldoet om een tussenkomst te bekomen voor plastuiten ten laste van het Vlaams Agentschap; Verwijst de zaak terug naar de Bijzondere Bijstandscommissie met het oog op de bepaling van het bedrag van de tussenkomst; Veroordeelt het Vlaams Agentschap tot de kosten van beiden aanleggen, begroot op 129,32 euro voor de Arbeidsrechtbank en 120,78 euro voor het Arbeidshof; Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heren : F. KENIS : Raadsheer, A. MERTENS : Raadsheer in Sociale Zaken als zelfstandige, D. VANHAGENDOREN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Grif­fier, A. MERTENS D. VANHAGENDOREN D. DE RAEDT F. KENIS En uitgesproken op de openbare te­rechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 5 januari 2009 door : De heer F. KENIS : Raadsheer, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Grif­fier, D. DE RAEDT F. KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090105.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.