← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090106.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:C

§ 1en art.

86 § 1 van de Wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten wordt onder het niet-concurrentiebeding verstaan het beding waarbij de werknemer de verbintenis aangaat, bij zijn vertrek uit de onderneming, geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden bij een concurrerende werkgever, waardoor hij de mogelijkheid heeft de onderneming, die hij heeft verlaten, nadeel te berokkenen door de kennis, die eigen is aan die onderneming en die hij op industrieel of handelsgebied in die onderneming heeft verworven, voor zichzelf of ten voordele van een concurrerende onderneming aan te wenden.

§ 2

van de Wet van 3 juli 1978 wordt het concurrentiebeding als niet bestaande beschouwd in de overeenkomsten waarin het jaarloon het bedrag van 16.100,00 euro1 niet te boven gaat. Indien het jaarloon begrepen is tussen 16.100,00 euro en 13.200,00 euro mag het niet-concurrentiebeding enkel worden toegepast op bepaalde functies die op de door de wet voorgeschreven wijze zijn vastgelegd. Indien het jaarloon het bedrag van 32.200,00 euro overschrijdt dan kan het beding worden toegepast, behoudens voor functies die op de door de wet bepaalde wijze zijn uitgesloten van het niet-concurrentiebeding. Artikel 86 van de wet voorziet verder in een zogenaamd afwijkingsbeding voor de ondernemingen die een internationaal activiteitveld hebben of over een eigen dienst voor onderzoek beschikken.

§ 2, al.

5 is de geldigheid van het concurrentiebeding ondergeschikt aan een aantal voorwaarden, en met name de voorwaarde dat het betrekking moet hebben op soortgelijke activiteiten. Verder moet het beding voorzien in de betaling van een enige en forfaitaire vergoeding door de werkgever, tenzij deze binnen een termijn van 15 dagen, te rekenen vanaf het ogenblik van de stopzetting van de overeenkomst, afziet van de werkelijke toepassing van het concurrentiebeding

  1. Uit de vermelde bepalingen blijkt dat, behoudens wanneer het gaat om werknemers waarvan het jaarloon het bedrag van 32.200,00 euro niet te boven gaat, het in de regel aan de werkgever toekomt te bepalen voor welke activiteiten een niet concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst wordt ingelast. De werkgever is uiteraard ook het best geplaatst om te oordelen in welke functies de werknemer een kennis kan verwerven die hij later ten voordelen van een concurrerende onderneming zou kunnen aanwenden. De werkgever die bij het einde van de arbeidsovereenkomst van oordeel is dat uiteindelijk de werknemer geen kennis verworven heeft die van aard is dat hij deze zou kunnen benutten bij een concurrerende onderneming, kan van het niet-concurrentiebeding afstand doen zodanig dat hij niet gehouden is de in het beding opgenomen forfaitaire vergoeding te voldoen. Het is met deze wettelijke bepalingen niet verenigbaar dat de werkgever, die een niet- concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst laat opnemen, waarvan, hij binnen de door de wet bepaalde grenzen, de toepassingsvoorwaarden bepaalt, en die van dit beding geen afstand doet bij het beëindigen van de overeenkomst, achteraf nog zou kunnen aanvoeren dat aan één van de bestaansvoorwaarden van het niet concurrentiebeding niet voldaan was, omdat in feite blijkt dat de werknemer in de uitgeoefende functie geen kennis heeft kunnen verwerven die de werkgever nadeel zou kunnen berokkenen bij indiensttreding bij een concurrent. De aanvaarding van een dergelijke mogelijkheid zou overigens inhouden dat ook aan de werknemer de mogelijkheid gelaten wordt om het niet-concurrentiebeding terzijde te schuiven, voorhoudende dat hij in feite nooit enige kennis verworven heeft die hij ten voordelen van een concurrerende onderneming zou kunnen aanwenden. Aldus zou de poort geopend worden voor een reeks betwistingen waarbij de rechter, in plaats van de werkgever, zou moeten gaan oordelen over de vraag welke kennis al dan niet de werkgever kan benadelen wanneer de werknemer bij een concurrerende firma in dienst treedt. Deze oplossing, die inderdaad, zoals appellante voorhoudt, steun vindt in bepaalde rechtspraak, zou uiteraard ook leiden tot een grote rechtsonzekerheid voor de werknemer die, bij het zoeken naar een nieuwe betrekking, het niet-concurrentiebeding, dat tussen partijen overeengekomen werd, respecteert, maar dan toch later zich het recht op de wettelijke voorziene vergoeding zou ontzegd zien.
  2. Ten overvloede dient daaraan toegevoegd te worden dat, zelfs indien men aanneemt dat de werkgever de mogelijkheid zou hebben bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst op te werpen dat niet voldaan was aan één van de bestaansvoorwaarden van het niet concurrentiebeding, in ieder geval geen enkele wettelijke regel toelaat te stellen dat deze toetsing dan uitsluitend zou dienen te gebeuren aan de hand van de laatst uitgeoefende functie. De omstandigheid dat de werknemer, op het ogenblik van de verbreking van de overeenkomst, niet meer tewerkgesteld is in de functie met het oog waarop het niet-concurrentiebeding werd vastgelegd, sluit immers geenszins uit dat hij op dat ogenblik nog over een kennis beschikt die hij ten nadele van zijn vroegere werkgever bij een concurrent zou kunnen laten gelden. Dit was in casu zeker het geval nu, zoals uiteengezet wordt in het vonnis van de eerste rechter, waarnaar het Hof voor zoveel als nodig verder verwijst, de heer D. in ieder geval is blijven werken in functies waarin hij dagelijks gebruik diende te maken van het door hem opgebouwde of geïmplementeerde ERP systeem. De kosten. De NV Puratos dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep. Geïntimeerde vraagt ter zitting dat het hof zou voorbehouden uitspraak te doen over de begroting van de kosten, in afwachting van een uitspraak van het Grondwettelijk Hof over de verenigbaarheid van de Wet van 21 april 2007 met betrekking tot de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van de advocaten met de Grondwet, meer bepaald met betrekking tot de vraag of het recht op door de wet voorziene rechtsplegingsvergoeding kon beperkt worden tot de partijen die zich laten bijstaan door een advocaat, met uitsluiting van de partijen die worden bijgestaan door een afgevaardigde van een representatieve vakbondsorganisatie. In zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 heeft het Grondwettelijk Hof uitspraak gedaan over de diverse beroepen tot nietigverklaring tegen de Wet van 21 april
  3. Het Grondwettelijk Hof heeft de verschillende beroepen tot nietigverklaring afgewezen. In zijn overwegingen B.17.1 tot B.17.5 oordeelt het Grondwettelijk Hof met name dat het door de heer D. aangeklaagde onderscheid niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Er is aldus geen aanleiding toe om de begroting van de kosten voor te behouden. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis in al zijn bepalingen. Veroordeelt de NV Puratos tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van de heer D. op 0 euro. Aldus gewezen door de derde kamer van het arbeidshof en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer; P. Kessels, raadsheer in sociale zaken, als werkgever; M. Wampers, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven P. Kessels M. Wampers En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op zes januari tweeduizend en negen door : F. Kenis raadsheer Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090106.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.