← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090109.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 09 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090109.1 Rolnummer: 47.227 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-02-05 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-07-02 18:56 Fiche 1 Artikel 109 ter D. van de toenmalige Telecomwet heeft slechts betrekking op het 'kennisnemen van gegevens inzake telecommunicatie' en niet op het kennisnemen van de inhoud van de telecommunicatie. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - TELECOMMUNICATIE - Algemeen (telecommunicatie) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - NIEUWE TECHNOLOGIEEN EN PROCEDURES - Telecomwet, art. 109ter D (inmiddels afgeschaft) - Draagwijdte. Wettelijke bepalingen: Wet - 21-03-1991 - 109terD - 30 ELI link Pub nr 1991021064 Nota: Gerangschikt onder I N (Wet 21/03/1991). Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I B art.

  1. Fiche 2 De kapitalisatie van intresten is slechts mogelijk, indien de neergelegde conclusie aanmaning tot betaling inhoudt en de aandacht van de schuldenaar in het bijzonder vestigt op de kapitalisatie (Cass., 18 juni 1981, A.C. 1980-81, 603; Cass.17 januari 1972, AC 1991-92, 253). Een in algemene bewoordingen geformuleerde stelling voldoet niet aan deze vereiste. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Algemeen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - Schadevergoeding wegens het niet-nakomen van verbintenis - Kapitalisatie van intresten. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1154 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Gerangschikt onder I B art.
  2. Ook gerangschikt onder I N.(L. 21.3.1991) art 109terD. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 9 JANUARI
  3. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer E. D. J., wonende te [xxx], Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Ch. De Ganck, advocaat te 9000 Gent; Tegen : DE N.V. CITIBANK BELGIUM, rechtsopvolger van de N.V. THE DINERS CLUB BENELUX, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, Pleinlaan 11; Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Burg loco Mters F. Gabriël en N. Luyten, advocaten te 1050 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op de openbare terechtzitting van 27 juni 2005; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 27 oktober 2005; - de besluiten van partijen; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 28 november 2008, waarna de debatten gesloten werden.
  4. FEITEN EN RECHTSPLEGING. Op 3 december 2001 kwam de heer D. E. in dienst van de N.V. The Diners Club Benelux ( rechtsvoorganger van de huidige geïntimeerde, hierna aangeduid als DC Benelux) in de functie van directeur-generaal. DC Benelux is naast DC Groot-Brittannië, DC Frankrijk, DC Duitsland en DC Zwitserland een dochtermaatschappij en één van de lokale uitbatingentiteiten van Diners Club Europe ( DC Europe). DC Europe heeft als hoofdaandeelhouder Diners Club Italië en haar zetel bevindt zich ook in Italië; zij hangt op haar beurt af van de Italiaanse holding GTP, die licentiehouder is van Diners Club International, eigendom van de Citibank groep. De heer E. werd aangeworven op een ogenblik dat de financiële situatie van DC Benelux financieel moeilijk was en in de loop van het jaar 2002 besliste de GTP holding om haar aandelen in DC Europe te verkopen; hiertoe werd de zakenbank JP Morgan uitgenodigd om geïnteresseerde investeerders op te sporen. Bij e-mail bericht van 24 oktober 2002 heeft de heer E. zijn medewerkers ingelicht over deze vooruitzichten met de geruststelling dat er op het gebied van de werking niets zou veranderen, daar het enkel om een financiële transactie ging, waardoor DC Europe als onafhankelijke entiteit zou blijven bestaan. De kandidaat kopers haakten echter allen af en er gebeurde enkel een interne wijziging, waardoor de heer E. binnen de structuur van DC Europe in twee stappen tevens de verantwoordelijkheid kreeg van Sales General Manager en van Product and Business Development General Manager. DC Europe wordt geleid door CEO C.N.. De financieel verantwoordelijke (CFO) is de heer O.S.. De financiële problemen bleven aanhouden en volgens de heer E. werd hij gepolst door de heer O. Scafuro voor een operatie management buy-out wat betreft de overname van de DC-entiteiten Benelux, Frankrijk, Zwitserland en Groot-Brittannië. De heer E. wilde dit verzoek schriftelijk laten bevestigen en vroeg ook de nodige financiële gegevens via de heer F. Fusco, CFO van de GTPholding. De heer Fusco maakte deze cijfers op 8 april 2003 over aan de heer Scafuro. Op 11 april 2003 ontving de heer E. een e-mail bericht vanwege de heer Fusco, waarin hem bevestigd werd dat de GTP-holding positief stond tegenover een dergelijke management buy-out en waarin hij zich bereid verklaarde om de noodzakelijke informatie over te maken. De heer E. heeft daarop een aantal onderzoekingen verricht waarin hij ten private titel een bevriende consultant van het bedrijfsrevisorenkantoor K.P.M.G. betrok, die DC Benelux kende omdat hij de voormalige Managing Director was (de heer Chris de Smet). Deze consultant werd gevraagd om het ontwerpproject van de heer E. na te lezen. De heer E. richtte zich vooral op het zoeken naar privé-investeerders en het voorbereiden van een managementplan, waarvoor hij op 18 april een vertrouwelijk voorstel in eerste lezing voorlegde aan de heer Scafuro en aan de heer de Smet. Dit alles gebeurde buiten het medeweten van de CEO van DC Europe, de heer C.N., die volgens zijn zeggen op 22 april 2003 door de heer Scafuro op de hoogte werd gebracht van de e-mail uitwisseling rond het project. Op 24 april 2003 wordt de heer E. bij aangetekende brief ontslagen met dringende reden; er is betwisting tussen partijen of hij voorafgaandelijk gehoord werd en of hij geconfronteerd werd met de inhoud van de ontdekte e-mail correspondentie. Op vrijdag 25 april 2003 zond de heer E. aan de heer Nicolai een e-mail waarin hij vroeg om welke reden hij ontslagen was en waarin hij de heer Nicolai uitnodigde om dit alles toch nog eens te bespreken. Op maandag 28 april 2003 werden de motieven van het ontslag om dringende reden gepreciseerd in een zeer uitvoerige aangetekende brief. De ontslagredenen kunnen worden geresumeerd als volgt :
  5. Dat de heer E. op eigen houtje en zonder medeweten van de heer Nicolai een management buy-out aan het organiseren was,
  6. Dat hij zich beledigend had uitgelaten jegens het Italiaanse management. Op 21 mei 2003 betwistte de raadsman van de heer E. de dringende reden en stelde hij de N.V. Diners Club Benelux in gebreke in betaling van een opzeggingsvergoeding van 8 maanden, becijferd op euro 217.263,06, feestdagenloon voor 1 mei 2003 ten bedrage van euro 1.040,81 en vakantiegeld bij uitdiensttreding. Partijen kwamen niet tot overeenstemming en op 19 juni 2003 dagvaardde de heer E. DC Benelux voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van bovenvermelde opzeggingsvergoeding en feestdagenloon. Deze vordering werd aangepast in besluiten van 6 september 2004 in betaling van : een opzeggingsvergoeding van euro 189.360,67 feestdagenloon van euro 979,06 een schadevergoeding wegens onbetaalde bonussen, achterstallig loon, vakantiegeld en eindejaarspremie van euro 68.859,12 Bij vonnis van 27 juni 2005 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd de dringende reden aanvaard, zodat de vorderingen in betaling van de opzeggingsvergoeding en het feestdagenloon werden afgewezen; de vordering in betaling van schadevergoeding wegens achterstallen werd ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard, wat betreft het achterstallig loon 2002 ten bedrage van euro 4.033 en 2003 ten bedrage van euro 9.542,39, meer de wettelijke en gerechtelijke intresten; tevens werd de N.V. Citibank Belgium veroordeeld tot afgifte van de corresponderende sociale documenten binnen de 2 maanden na betekening, onder verbeurte van een dwangsom van euro 10 per dag vertraging en per ontbrekend document met een maximum van euro 1.
  7. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 27 oktober 2005, tekende de heer E. hoger beroep aan en hernam hij zijn vordering, zoals aangepast voor de eerste rechter. De N.V. Citibank Belgium stelde incidenteel beroep in en vroeg dat de volledige vordering van de heer E. onontvankelijk, minstens ongegrond zou worden verklaard.
  8. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. 2.
  9. De dringende reden. Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Artikel 35, laatste lid, voegt hieraan toe dat de partij die een dringende reden inroept, het bewijs moet leveren dat zij deze termijn geëerbiedigd heeft. De kennisname van de feiten waarop het ontslag met dringende reden gesteund is, dient te gebeuren in hoofde van de persoon of het orgaan, bevoegd om tot het ontslag over te gaan (Cass., 7 december 1998, R.W. 1999-2000, 848; Cass., 24 juni 1996, Arr. Cass. 1996, 639). De termijn van 3 werkdagen begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die ontslag betekent, voldoende kennis heeft van de feiten (Cassatie, 23 mei 1973, J.T.T. 1973, 212 en Cassatie, 11 januari 1993, J.T.T. 1993, 58). Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn : - er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief (zie. W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 04-05, nr. 5249). Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren. Benevens het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder A.H. Brussel, 20 juni 1980, T.S.R. 1981,41). Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter geven van een zwaarwichtig motief (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, J.T.T. 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, J.T.T. 1973, 212). 2.1.1 De vormvoorwaarden van het ontslag. De heer E. vermoedt dat de heer Nicolai reeds langer op de hoogte was van zijn onderzoek naar een management buy-out en hij stelt dan ook dat de werkgever niet aantoont dat hij de drie werkdagen termijn voor het ontslag om dringende reden in acht genomen heeft. Het ontslag om dringende reden is echter gebaseerd op de concrete plannen van de heer E., zoals die bleken uit de vertrouwelijke e-mail correspondentie van 18 april
  10. Hierdoor is een mogelijk geruchtencircuit voordien irrelevant, temeer daar er bij een ontslag om dringende reden zekerheid dient te bestaan omtrent de verweten handelingen. De e-mail correspondentie werd verzonden op 18 april 2003 te 13u.15, op een vrijdagnamiddag, net voor het paasweekend. De heer E. stelt zelf in zijn e-mail van 25 april 2003 dat hij op vrijdag 18 april getracht heeft de heer Nicolai telefonisch te bereiken, maar dat hij hierin niet geslaagd is omwille van de vakantie van de onderneming in Italië. De bewering van de heer Nicolai dat hij aldus slechts op 22 april 2003 de heer Scafuro heeft ontmoet die hem kennis gaf van de e-mail correspondentie, moet dan ook worden aanvaard en het ontslag, betekend op 24 april 2003, is dan ook tijdig. De motivering van het ontslag werd verzonden op 28 april 2003 en ook dit gebeurde binnen de drie werkdagen na 24 april, daar geen rekening mag gehouden worden met zondag 27 april 2003, wat geen werkdag is. Ten onrechte stelt de heer E. dat geïntimeerde met schending van artikel 109 ter D. 3° en 4° van de Telecomwet kennis zou genomen hebben van het e-mailbericht van 18 april 2003, doordat de heer Scafuro deze e-mail zonder zijn toestemming aan de heer Nicolai zou hebben overhandigd. Artikel 109 ter D. van de toenmalige Telecomwet heeft slechts betrekking op het "kennisnemen van gegevens inzake telecommunicatie" en niet op het kennisnemen van de inhoud van de telecommunicatie. Door de wetswijziging door de wet van 30 juni 1994 van de Telecomwet werden de woorden "of van de inhoud" uitdrukkelijk geschrapt ( F. Hendrickx, Privacy en arbeidsrecht, I .C.A.-reeks, Die Keure, 1999, pagina 187- 188, 304; Arbh. Gent ( Brugge), 13 maart 2006, A. R. 2005/31, geciteerd in P. Waterschoot, Bespreking van enkele arresten van het Arbeidshof Gent in verband met het gebruik en misbruik van e-mail en internet op de werkplaats en het controlerecht van de werkgever daarop, R.W. 2007-08, 740, vn.40). Evenmin wordt aangetoond dat geïntimeerde het intern e-mail verkeer op de werkvloer zou gecontroleerd hebben; ook de C.A.O. van de N.A.R. nr. 81 van 26 april 2002 is hier dus niet ter zake, zodat er geen reden is om de e-mail correspondentie uit de debatten te weren, daar zij niet onrechtmatig verkregen werd. De heer Scafuro heeft deze immers aan de heer Nicolai overhandigd. Tenslotte moet worden vastgesteld dat de ingeroepen dringende redenen in de uitvoerige ontslagbrief omstandig zijn omschreven, zodat ze voldoende precies werden geformuleerd, opdat zowel de heer E. als het arbeidshof kennis kunnen nemen van de reden van ontslag. 2.1.2 De inhoud van het ontslag. De heer E. ontkent niet dat hij voorbereidingen getroffen heeft in verband met een management buy-out van de lokale DC-entiteiten Benelux, Frankrijk, Zwitserland en Groot-Brittannië. Hij ontkent wel dat hij dit op eigen houtje heeft gedaan en hij stelt dat hij hiertoe werd uitgenodigd door de heer Scafuro op gezag van de eigenaars van de holding GTP bij monde van de heer Fusco, zijnde de financieel verantwoordelijke ( CFO ) van deze holding. In de e-mail van 11 april 2003 bevestigde de heer Fusco dat de GTPholding positief stond tegenover een mogelijke management buy-out en werd de heer E. aangemoedigd om zijn project door te zetten en te trachten de nodige fondsen te verwerven, waarbij de heer Fusco zich ter beschikking stelde om de nodige informatie over te maken. De term "management buy-out" kan onderverdeeld worden in twee delen : - Met management verwijst men naar de beleidsverantwoordelijken van een onderneming, die doorgaans in een gezagsverhouding met een arbeidsovereenkomst als bediende tewerkgesteld zijn, zoals hier het geval is bij de heer E.; soms wordt het management ook uitgeoefend in een zelfstandige verhouding, dikwijls via een managementvennootschap. De heer E. was binnen DC-Benelux de afgevaardigde bestuurder en was er tewerkgesteld als bediende en tevens was hij binnen DC-Europe Sales General Manager en Product and Business Development General Manager. - Met buy-out verwijst men naar het aankopen van de aandelen van de onderneming. Met management buy-out wordt dan ook bedoeld dat de bestaande managers de aandelen van de onderneming overnemen. Bij het aankopen van aandelen verhoudt men zich tot de bestaande aandeelhouders. De management buy-out was in de DCgroep aan de orde omwille van de financiële moeilijkheden; het staat vast dat JP Morgan reeds een opdracht had ontvangen voor het zoeken naar overnemers, wat niet tot resultaat had geleid. Het is evident dat het management een belangrijke verantwoordelijkheid heeft in verband met het wegwerken van financiële moeilijkheden, maar wanneer de aandeelhouders ervoor kiezen om hun aandelen van de hand te doen, is het aan hen om te bepalen wie de potentiële kopers zijn; het is daarbij mogelijk dat zij geen vertrouwen hebben in een bepaalde kandidaat, al dan niet manager, met wie zij dan ook geen contact zullen opnemen. De vooronderhandelingen gebeuren steeds in een vertrouwelijke en discrete sfeer; uit het feitenrelaas volgt dat de eigenaars van de GTPholding via hun CFO hun interesse voor een management buy-out lieten kennen aan de heer E. en niet aan de heer Nicolai. Op 18 april 2003 was de heer E. enkel nog in de persoonlijke voorbereidingsfase en onderzocht hij de juiste formulering van een businessplan en de investeerders die een financiële injectie konden doen. Deze voorbereidingsfase gebeurde dan ook in relatie met de bestaande aandeelhouders en het is evident dat op een bepaald ogenblik de heer E. hiermee naar buiten moest komen en zijn collega managers op de hoogte moest brengen. Gelet op het verloop van de gebeurtenissen verwijt de heer E. zich dat hij dit niet vroeger ten aanzien van de heer Nicolai heeft gedaan, die bij kennisname van de voorbereidingen dit als een putsch percipieerde en tot ontslag om dringende reden van de heer E. besliste. In de gegeven omstandigheden kan echter niet besloten worden dat de heer E. in zijn arbeidsverhouding een professionele tekortkoming heeft begaan, die van aard is de samenwerking tussen werkgever en werknemer onmiddellijk onmogelijk te maken; de aan de heer E. verweten handelingen stonden immers in relatie met het aandeelhouderschap en het is niet aangetoond dat de heer E. hier volledig eigenmachtig handelde. Evenmin is aangetoond dat de heer E. op buitensporige wijze de Italiaanse leiding van de groep zou beledigd hebben; het feit dat hij juist door Italiaanse contactpersonen uitgenodigd werd voor een management buy-out wijst in de tegengestelde richting. De ingeroepen dringende reden kan dan ook niet worden aanvaard om tot een onmiddellijk ontslag van de heer E. over te gaan. 2.2 De opzeggingsvergoeding. Rekening houdend met artikel 82 §5 van de arbeidsovereenkomstenwet, is er geen betwisting tussen partijen dat de heer E. ingevolge artikel 3 van de arbeidsovereenkomst aanspraak kan maken op een opzeggingstermijn van 8 maanden. Wel hebben partijen discussie omtrent de samenstelling van het basisloon, meer bepaald wat betreft het in aanmerking nemen van de bonus, de onkostenvergoeding, het voordeel van GSM en laptop, de diners clubkaart en het privaat gebruik van de bedrijfswagen. 2.2.
  11. De bonus. Artikel
  12. 1 van de arbeidsovereenkomst bepaalt : De bruto jaarwedde van de bediende is vastgesteld op euro 210.
  13. "De bediende heeft recht op een bonus die varieert tussen 0 en 60% van het jaarsalaris en die zal worden toegekend op basis van gerealiseerde objectieven die zullen worden besproken en in onderling akkoord aanvaard door beide partijen de eerste 45 kalenderdagen van het jaar"... In verband met de dringende reden heeft de heer E. telkens benadrukt dat de financiële situatie van zijn werkgever zeer slecht was, zelfs in die mate dat een faillissement dreigde. Geïntimeerde stelt dat in de jaren 2002- 2003 aan geen enkel personeelslid een bonus werd uitbetaald omwille van het niet behalen van de jaarlijkse objectieven en ze verwijst hiervoor naar een verklaring van haar sociaal secretariaat. Tevens verwijst zij naar de gepubliceerde balans voor het jaar 2002 waaruit een verlies van meer dan euro 7 miljoen blijkt. Het bonusstelsel werd uitgelegd aan alle personeelsleden tijdens een HR presentatie, waarin verduidelijkt werd dat een bonus enkel kon betaald worden op voorwaarde dat de groep/vennootschap-resultaten op het minimumniveau gerealiseerd waren. Gelet op de slechte resultaten, was er dan ook geen bonus verschuldigd tijdens de 12 maanden voorafgaand aan het ontslag, zodat de heer E. ten onrechte een bonusbedrag van 20 procent van het jaarloon in het basisloon voor zijn opzeggingsvergoeding opneemt. 2.2.
  14. De onkostenvergoeding. De heer E. had recht op een maandelijkse forfaitaire onkostenvergoeding van euro 225 en hij houdt voor dat dit een verdoken looncomponent was, zodat zij moet worden opgenomen in het basisloon voor zijn opzeggingsvergoeding. Het is aannemelijk dat een afgevaardigd bestuurder/directeur-generaal diverse kleine kosten heeft, eigen aan de werkgever, waarvoor moeilijk stavingstukken kunnen worden bijgehouden, zodat deze onkosten op forfaitaire wijze worden vergoed via een maandelijks bedrag. De verhouding tussen de vaste maandwedde ( euro 211.680 : 13,92 = 15.206,90) en deze forfaitaire onkostenvergoeding van euro 225 is geenszins buitensporig, zodat de heer E. niet aantoont dat het hier om een verdoken loonpost gaat. 2.2.
  15. Privaat gebruik laptop, GSM en diners card. Artikel
  16. 3 van de arbeidsovereenkomst bepaalt : "De bediende erkent uitdrukkelijk dat elke uitrusting die hem door de vennootschap ter beschikking wordt gesteld, daar inbegrepen, zonder beperking, computers, portables, software en andere programma's, uitsluitend voor beroepsdoeleinden dient ". Deze bepaling toont aan dat het privaat gebruik van laptop,GSM en diners card niet erkend werd door de werkgever; ten onrechte steunt de heer E. zich op de afwijkingbepaling, die beperkt is tot het verzenden en ontvangen van privaat e-mail's. Er kan dan ook geen bedrag voor het privaat gebruik van laptop, GSM en diners card in het basisloon voor de opzeggingsvergoeding worden opgenomen. 2.2.
  17. Privaat gebruik firmawagen. Artikel
  18. 3 van de arbeidsovereenkomst bepaalt : " De bediende zal het recht hebben de firmawagen binnen redelijke grenzen voor privé doeleinden te gebruiken. Het daaruit resulterende voordeel in natura wordt door partijen geschat op euro 3.340,80 per jaar op basis van de Belgische tewerkstelling en euro 2.478,93 op basis van de Nederlandse tewerkstelling ...". Door geïntimeerde wordt niet aangetoond dat deze bedragen in de loop van de tewerkstelling zouden zijn herzien, zodat de heer E. terecht de afgesproken waarde in het jaarbasisloon opneemt. Het jaarbasisloon voor de berekening van de opzeggingsvergoeding resumeert zich dan ook als volgt, bij gebrek aan betwisting omtrent de andere onderdelen : - vast jaarloon inclusief dubbel vakantiegeld en eindejaarspremie : euro 211.680,00 - werkgeversbijdrage groepsverzekering euro 16.934,40 - werkgeversbijdrage ziektekostenverzekering euro 1.921,88 - privaat voordeel bedrijfswagen euro 5.819,73 totaal euro 236.356,01 De aan de heer E. toekomende opzeggingsvergoeding kan dan ook worden begroot op euro 236.356,01 x 8/12 = euro 157.570,
  19. Wat de intresten betreft, werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 door de wetgever bekrachtigd via de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008). Hieruit volgt dat de intresten op het toegekende bedrag slechts kunnen berekend worden op het nettobedrag, daar het ontslag dateert van 24 april 2003, zijnde voor 1 juli
  20. De heer E. wijst op art. 1154 B.W. m.b.t. de kapitalisatie van de intresten. De kapitalisatie van intresten is slechts mogelijk, indien de neergelegde conclusie aanmaning tot betaling inhoudt en de aandacht van de schuldenaar in het bijzonder vestigt op de kapitalisatie (Cass.,18 juni 1981, A.C. 1980-81, 603; Cass.17 januari 1972, AC 1991-92, 253). Een in algemene bewoordingen geformuleerde stelling voldoet niet aan deze vereiste. (Antwerpen, 9 november 1999, A.J.T. 2000-01, 571 met noot en R.W. 2001-02, 492). De heer E. heeft voor het toegekende bedrag recht op de corresponderende sociale documenten; geïntimeerde bevestigt dat zij deze documenten steeds op correcte wijze heeft afgeleverd en dat zij dit ook in dit geval zal doen, zodat het niet nodig is de afgifte van de sociale en fiscale documenten te laten samengaan met een veroordeling onder verbeurte van een dwangsom. In die mate is het hoger beroep van de heer E. wat betreft dit onderdeel gegrond.
  21. 3 Feestdagenloon 1 mei
  22. Artikel 14 van het KB van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen bepaalt : De werkgever blijft gehouden tot betaling van : 1°... 2° het loon voor de feestdagen die vallen in de periode van 30 dagen die volgt op het einde van de arbeidsovereenkomst ..., voor zover de werknemer, zonder onderbreking die aan hem is toe te schrijven, gedurende een periode van meer dan één maand in dienst van de onderneming is gebleven. ... Behalve ..., is de bepaling van het eerste lid niet van toepassing wanneer ... de werkgever ze om een dringende reden beëindigt. De verplichting tot betaling van het loon houdt in elk geval op zodra de werknemer begint te arbeiden voor een nieuwe werkgever. Aangezien het ontslag om dringende reden niet aanvaard wordt, kan de heer E. aanspraak maken op feestdagenloon voor 1 mei 2003 voor zover hij op dat ogenblik niet arbeidt voor een nieuwe werkgever. Van dit laatste moet de heer E. bewijs geven en hij verwijst dienaangaande naar een zogenaamde "verklaring op eer", die niet in zijn stukkenbundel terug te vinden is. Een loutere affirmatie in conclusies is geen voldoende bewijs voor het vervuld zijn van de voorwaarde van artikel 14 bovenvermeld. Op dit punt is het hoger beroep dan ook ongegrond.
  23. De uitbreiding van de vordering wat betreft achterstallige bonussen en achterstallig loon 2002 en
  24. De NV Citibank Belgium tekent incidenteel beroep aan, in zoverre de eerste rechter de uitbreiding van de vordering ontvankelijk heeft verklaard bij toepassing van artikel 807 Ger. Wb. Zij stelt verder dat de uitgebreide vordering tevens ongegrond is. De samenstelling van het juiste loon, met inbegrip van de bonussen, ligt besloten in de samenstelling van het jaarbasisloon voor de berekening van de opzeggingsvergoeding, zodat de eerste rechter terecht kon vaststellen dat de uitbreiding van de vordering met deze posten gesteund was op een feit in de dagvaarding vermeld. Terecht werd de uitbreiding dan ook ontvankelijk verklaard. De heer E. heeft deze uitbreiding gesteund op de delictuele aansprakelijkheid van de werkgever, daar het niet betalen van loon strafbaar wordt gesteld door de artikel 42,1° van de loonbeschermingswet van 12 april
  25. Voor het moreel element van dit misdrijf volstaat de onachtzaamheid en dit dient te worden aanvaard, daar de werkgever geen verschoningsgrond inroept. Op grond van artikel 26 van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering is de burgerlijke vordering, gesteund op het misdrijf, niet verjaard. In verband met de bonussen is het materieel element van het misdrijf niet bewezen. Er kan hierbij verwezen worden naar hetgeen hierboven werd gesteld in verband met de opname van de bonussen in het jaarbasisloon voor de berekening van de opzeggingsvergoeding. Bovendien moet samen met de eerste rechter worden vastgesteld dat in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst bepaald wordt dat de bonus varieert tussen 0 en 60 procent, wat meebrengt dat het voorwerp van de contractuele verbintenis niet bepaald of bepaalbaar is ( Cass., 21 februari 1991, Pas 1991, I, 604; Cass. 21 september 1987, Pas 1988, I, 77). Er is immers geen enkel aanknopingspunt hoe de waardebepaling tussen 0 en 60 procent moet worden toegepast. Wat betreft het achterstallig loon, verwijst de heer E. naar de bepaling van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst waarin de bruto jaarwedde werd bepaald op euro 210.000; uit de opgave van de vaste jaarwedde in verband met de opzeggingsvergoeding blijkt dat hiermee zowel het maandelijks brutoloon als het bruto dubbel vakantiegeld en de bruto 13e maand bedoeld wordt; volgens de heer E. wordt dit gelet op de salary-split opgesplitst a rato van 60 procent loon in Nederland en 40 procent in België. Hij steunt zich op de gegevens in zijn farde III om voor te houden dat hij ten gevolge van de opsplitsing te weinig ontvangen heeft; deze berekening werd door de eerste rechter aanvaard. Samen met geïntimeerde dient het arbeidshof vast te stellen dat de voorgebrachte stukken te weinig gepreciseerd zijn om een loonachterstal te aanvaarden. Uit het bijgevoegde schema volgt immers dat de heer E. zich gesteund heeft op de nettobedragen op de loonbrieven, terwijl, gelet op de bepaling van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst, uiteraard moet worden uitgegaan worden van een bruto vergelijking. Wat dat betreft, kan uit de Belgische individuele rekening 2002 enkel maar afgeleid worden dat er geen loontekort is. Wat betreft 2003 brengt de heer E. enkel de loonbrief april 2003 voor, die gelet op het ontslag slechts betrekking heeft op een onvolledige maand. Langs Nederlandse zijde wordt enkel de loonbrief januari 2003 voorgebracht, samen met een weinig gedetailleerde jaaropgave 2002 en
  26. Wel volgt uit het schema in verband met de nettobedragen dat de heer E. bijna bij elke maand noteert OK of Lijkt OK; enkel bij de maand juni 2002 schrijft hij dat hij langs Nederlandse kant euro 37,17 te weinig zou hebben ontvangen. Deze gegevens zijn echter niet verifieerbaar, omdat de loonbrieven en de ontvangstbewijzen ontbreken. Nochtans kan uit de notities van de heer E. eerder worden vermoed dat hij juist betaald werd. Zodoende bewijst hij geen loonachterstand. Ook hier is het voorgehouden materieel element van het misdrijf niet aangetoond, zodat zijn vordering ongegrond is en het incidenteel beroep van de werkgever gegrond. 2.5 Gerechtskosten. Wat betreft de gerechtskosten, is er geen reden om omwille van de financiële draagkracht van partijen af te wijken van het basisbedrag rechtsplegingsvergoeding. Wel dienen bij toepassing van artikel 1017, 3° Ger. Wb. de gerechtskosten te worden omgeslagen, daar beide partijen gedeeltelijk in het gelijk/ongelijk zijn gesteld (cfr. B. DE CONINCK en JF VAN DROOGENBROECK, Indemnité de procédure et répartition des dépens, JT 2008, 581-584). OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart zowel het hoger beroep als het incidenteel beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de vordering van de heer E., zoals door hem uitgebreid, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Veroordeelt de N.V. CITIBANK BELGIUM tot betaling aan de heer E. van een bedrag van euro 157.570,67 wegens opzeggingsvergoeding, na afhouding van de bedrijfsvoorheffing en de sociale zekerheidsbijdragen werknemer, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 24 april 2003 en de gerechtelijke intresten op netto. Veroordeelt de N.V. CITIBANK BELGIUM tot afgifte aan de heer E. van de met de toegekende opzeggingsvergoeding overeenstemmende fiscale en sociale bescheiden, zoals loonfiche, individuele rekening, fiscale fiche, C4-formulier. Wijst het meergevorderde af. Compenseert de gerechtskosten in de zin dat de N.V. CITIBANK BELGIUM veroordeeld wordt tot betaling van 3/5 en de heer E. tot betaling van 2/5, deze begroot aan de zijde van de N.V. CITIBANK BELGIUM op rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 209,71 rechtsplegingsvergoeding beroep euro 7.000,00 Totaal euro 7.209,71 en aan de zijde van de heer E. op dagvaarding euro 135,19 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 209,72 rechtsplegingsvergoeding beroep euro 7.000,00 Totaal euro 7.344,91 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer M. WEYNS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, L. REYBROECK. M. WEYNS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 9 januari 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090109.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.