← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090115.19

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 15 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090115.19 Rolnummer: 49.580 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2009-03-04 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 18:58 Fiche 1 De beslissing van de Minister om in behartenswaardige gevallen af te wijken van de minimum verblijfsvoorwaarde voor het recht op de gewaarborgde gezinsbijslag is een discretionaire bevoegdheid. De rechter mag zich niet in de plaats stellen van de Minister voor het beoordelen van de behartenswaardigheid. Hij kan wel deze beslissing beoordelen op haar externe legaliteit, en met name de naleving van de verplichting tot motivering. Het begrip «behartenswaardigheid»,aangewend in art. 2, 2° van de wet valt niet samen met een «financiêle behartenswaardigheid, een behoeftigheid», maar dient ingevuld te worden vanuit de doeleinden van de reglementering. Ze moet verbonden te worden met het strenge karakter van de verblijfsvoorwaarde die de wet oplegt, waarbij het moet gaan om: - een werkelijk en ononderbroken verblijf, - gedurende minstens de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag voorafgaan. Er zijn in deze interpretatie een aantal situaties denkbaar waarin het begrip behartenswaardigheid een nuttige invulling kan krijgen, bijvoorbeeld wanneer het verblijf om redenen van overmacht even onderbroken geweest is, of nog wanneer er sprake is van een langdurig verblijf, maar niet uitsluitend in de laatste vijf jaar, of ook wanneer de aanvrager op het ogenblik van de aanvraag, slechts een korte periode te kort komt om aan de voorwaarden van verblijf te voldoen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Gewaarborgd Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - GEWAARBORGDE GEZINSBIJSLAG. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1971 - 2,2° - 02 ELI link Pub nr 1971072007 Nota: Gerangschikt onder X D art. 2, 2°. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I A art.

  1. Fiche 2 Na cassatie ontstaat er geen nieuwe aanleg, maar wordt de oorspronkelijke aanleg voortgezet. Er is dan ook geen slechts één enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de gehele beroepsprocedure. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Rechtsplegingsvergoeding - Kosten na cassatie. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1022 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Gerangschikt onder I A art.
  2. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder X D art. 2, 2°. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Kinderbijslag Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken, Volks-gezondheid en Leefmilieu, in de persoon van de Directeur-generaal van de Directie-generaal Sociaal Beleid van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, Domein Regelgeving, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 40 bus 20, appellant, vertegenwoordigd door Mr. S. De Vrieze loco Mr. C. Decordier, advocaat te 9041 Oostakker (Gent), Tegen :
  3. M. A. A., die keuze van woonst doet bij zijn raadsman Mr. K. Demeester wonende te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 535, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. H. Demeester loco Mr. K. Demeester, advocaat te 9000 Gent,
  4. DE RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG, met zetel te 1000 Brussel, Trierstraat 70, tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. De Vrieze loco Mr. C. Decordier, advocaat te 9041 Oostakker (Gent), Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Gent op 27 april 2004; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden arrest, op tegenspraak gewezen door het Arbeidshof te Gent op 28 november 2005; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie op 11 december 2006, - de betekening en dagvaarding na Cassatie ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 27 februari 2007; - de besluiten in hoger beroep door appellant en eerste geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 27 november 2008, waarna de zaak werd medegedeeld aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies neer te leggen ter griffie uiterlijk op 4 december
  5. X X X I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
  6. De heer M., van Indische nationaliteit, verbleef in België vanaf 16 september 1998 als doctoraatstudent. Zijn echtgenote, die geen beroepsactiviteit uitoefende, en zijn eerste dochter hebben hem vervoegd vanaf 25 januari
  7. Op 8 november 2002 kreeg de heer M. een tweede kind. Op 2 januari 2001 heeft de heer M. bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (verder genoemd de Rijksdienst voor Kinderbijslag) een aanvraag ingediend tot het bekomen van de gewaarborgde gezinsbijslag op grond van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag. Deze aanvraag werd afgewezen op basis van artikel 1, 4e lid van deze wet, dat voorziet dat de aanvrager, op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minstens, gedurende de laatste vijf jaar, werkelijk ononderbroken verbleven heeft in België. Tegen deze beslissing is geen beroep ingesteld. Op 1 maart 2001 diende de heer M. echter een aanvraag in bij de Minister van Sociale Zaken tot het bekomen van een afwijking aan de verblijfsvoorwaarde, en dit op grond van artikel 2, 2e lid van de voornoemde wet van 20 juli
  8. Volgens deze bepaling kan de Minister van Sociale Zaken in behartenswaardige gevallen afwijken van de verblijfsvoorwaarde. Bij beslissing van 26 april 2001 werd deze aanvraag afgewezen. Deze afwijzende beslissing werd bevestigd bij beslissingen van 27 februari 2002 en 26 november
  9. Op 6 september 2002 diende de heer M. bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag een aanvraag in om kraamgeld te bekomen bij de geboorte van zijn tweede kind. Deze aanvraag werd afgewezen bij beslissing van 8 november
  10. Op 5 februari 2003 heeft de heer M. beroep aangetekend bij de arbeidsrechtbank te Gent tegen de beslissing van 8 november
  11. Bij het verzoekschrift werden ook de beslissingen van 27 februari 2002 en 26 november 2002 van de Minister van Sociale Zaken gevoegd. Bij dagvaarding van 5 augustus 2003 werd de Minister van Sociale Zaken gedagvaard "in tussenkomst". De vordering, zoals geformuleerd in deze dagvaarding, strekte er toe de beslissingen van de Minister van Sociale Zaken van 26 april 2001, 27 februari 2002 en 26 november 2002 te horen vernietigen wegens een gebrek van motivering.
  12. Bij vonnis van 27 april 2004 heeft de arbeidsrecht-bank te Gent geoordeeld dat de beslissing van de Rijksdienst voor Kinderbijslag van 8 november 2002 in overeenstemming was met de wet, doch dat het voorbarig was definitief te statueren over het beroep, in functie van de beslissing die genomen werd ten aanzien van de vordering tegen de Minister van Sociale Zaken. In hetzelfde vonnis werd de vordering ten aanzien van de Minister van Sociale Zaken ontvankelijk verklaard, en werden de 3 bestreden beslissingen vernietigd wegens inbreuk op de verplichting tot motivering. De heropening van de debatten werd bevolen omdat de arbeidsrechtbank van oordeel was dat zij wel de bevoegdheid had de beslissingen van de Minister van Sociale Zaken te vernietigen op basis van de schending van de wettelijke bepalingen inzake motivering, doch dat zij niet de bevoegdheid had om over de grond van de zaak een beslissing te nemen. Aan de Minister van Sociale Zaken werd gevraagd de aanvraag van de heer M. opnieuw te onderzoeken en een nieuwe beslissing te nemen, die door de arbeidsrechtbank verder kon beoordeeld worden.
  13. Tegen dit vonnis werd beroep aangetekend door de Minister van Sociale Zaken. De Minister van Sociale Zaken betwistte de ontvankelijkheid van de vordering zoals die tegen hem ingesteld was door de vordering in gedwongen tussenkomst. De Minister van Sociale Zaken betwistte verder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank om kennis te nemen van de betwisting, vermits het ging om een discretionaire beslissing die volgens de Minister van Sociale Zaken enkel voor de Raad van State kon aangevochten worden Er werd incidenteel beroep ingesteld door de heer M. en door de Rijksdienst voor Kinderbijslag. Bij arrest van 28 november 2005 heeft het arbeidshof te Gent het hoger beroep van de Minister van Sociale Zaken en van de heer M. ontvankelijk verklaard. Het beroep van de Rijksdienst voor Kinderbijslag werd onontvankelijk verklaard. Het arbeidshof oordeelde, met betrekking tot de vordering, zoals die gericht was tegen de Minister van Sociale Zaken, in de eerste plaats dat deze vordering ontvankelijk was. Zij oordeelde daarbij dat deze vordering in feite niet was ingesteld door de dagvaarding in gedwongen tussenkomst, maar wel door het oorspronkelijk verzoekschrift van 5 februari 2003, waaraan de beslissingen van de Minister van Sociale Zaken gehecht waren. Aldus moest ervan uitgegaan worden dat het beroep eveneens ingesteld was tegen deze beslissingen. De dag-vaarding in gedwongen tussenkomst had daarbij tot voorwerp een partij die, in feite, van in den beginne in het geding betrokken was, formeel in het geding te betrekken. Het arbeidshof oordeelde verder dat de arbeidsgerechten wel degelijk bevoegd waren om kennis te nemen van het geschil. Deze beide beslissingen van het arbeidshof te Gent zijn definitief vermits zij in deze onderdelen niet aangevochten werden voor het Hof van Cassatie. Het arbeidshof te Gent bevestigde de beslissing van de arbeidsrechtbank in zoverre deze de beslissingen van de Minister van Sociale Zaken vernietigd had wegens schending van de motiveringsplicht. Het oordeelde echter, anders dan de arbeidsrechtbank, dat ingevolge de vernietiging, het aan het arbeidshof toekwam zich uit te spreken over het recht van de heer M. om, op grond van de behartenswaardigheid van de zaak, in aanmerking te komen voor een afwijking op de verblijfsver-plichting. Het heropende de debatten ten einde partijen verder te horen over de grond van de betwisting.
  14. De Minister van Sociale Zaken heeft tegen dit arrest een voorziening in cassatie ingesteld. De Minister van Sociale Zaken voerde aan dat, ingevolge de discretionaire bevoegdheid waarover hij beschikte om een afwijking toe te staan met betrekking tot de verblijfsvoorwaarde, de arbeidsrechtbank en het arbeidshof niet de bevoegdheid hadden zich in zijn plaats te stellen voor de beoordeling van het behartenswaardige karakter en evenmin de bevoegdheid hadden om deze beslissing te vernietigen wegens een gebrek aan motivering. In zijn arrest van 11 december 2006 heeft het Hof van Cassatie de voorziening gegrond verklaard in zoverre ze gericht was tegen de beslissing van het arbeidshof om zelf uitspraak te doen over de grond van de zaak. Door aldus te beslissen, oordeelde het Hof van Cassatie, had het arbeidshof de minister de hem toevertrouwde beoordelingsbevoegdheid ontnomen en aldus het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten geschonden. In zoverre de voorziening gericht was tegen de vernietiging van de beslissing van de Minister van Sociale Zaken wegens schending van de motiveringsplicht, werd de voorziening afgewezen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de arbeidsrechter in ieder geval de bevoegdheid had om toe te zien op de wettigheid van de bestreden beslissing. De controle op het respect van de verplichting tot motivering maakt een onderdeel uit van de controle op de externe wettigheid van de bestuurshandeling, die de arbeidsrechter vermocht uit te oefenen. Het arrest van het arbeidshof te Gent werd aldus vernietigd in zoverre het arbeidshof zich bevoegd verklaarde zelf uitspraak te doen over de al dan niet behartenswaardige toestand van de heer M.. Het arrest werd bindend verklaard ten aanzien van de Rijksdienst voor Kinderbijslag.
  15. Na het cassatiearrest heeft de Minister van Sociale Zaken op 18 juli 2007 een nieuwe beslissing genomen over de aanvraag van de heer M.. De aanvraag werd echter opnieuw afgewezen enerzijds op de overweging dat de heer M. minder dan vier jaar in België verbleef op het ogenblik van zijn aanvraag en anderzijds dat aan de heer M. voor het academiejaar 2001- 2002 geen studiebeurs werd toegekend.
  16. Bij exploot van 12 februari 2007 heeft de Minister van Sociale Zaken het door hem ingestelde beroep tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Gent voortgezet en aanhangig gemaakt bij het arbeidshof te Brussel. II. BEOORDELING.
  17. Ingevolge de arresten van het arbeidshof te Gent en van het Hof van Cassatie, staat vast dat de oorspronkelijke beslissingen van de Minister van Sociale Zaken nietig waren wegens een gebrek aan motivering. De cassatievoorziening tegen het arrest van het Arbeidshof te Gent werd op dit punt immers afgewezen. Door de partijen wordt geen betwisting meer gevoerd over de vraag of de beslissingen van de Minister van Sociale Zaken beslissingen zijn met een discretionair karakter, met als gevolg dat de controle van de arbeidsrechtbanken en de arbeidshoven beperkt is tot de wettelijkheid van deze beslissing, zonder dat zij zich in de plaats kunnen stellen van de Minister van Sociale Zaken. Het hof sluit zich dienaangaande aan bij de zienswijze van het Hof van Cassatie en verwijst naar de motieven van het arrest van 11 december 2006, die hier als hernomen dienen beschouwd te worden.
  18. De heer M. merkt op dat de nieuwe beslissing genomen door de Minister van Sociale Zaken niet gedateerd is en dat deze hem niet aangetekend werd verzonden. Ten gronde is de heer M. van oordeel dat de nieuwe beslissing evenmin voldoende gemotiveerd is vermits zij nog steeds enkel verwijst naar het niet voldoen aan de verblijfvoorwaarde en geen onderzoek instelt naar het behartenswaardig karakter van de zaak.
  19. De omstandigheid uit dat de nieuwe beslissing niet de datum vermeldt waarop ze genomen is, maakt de beslissing niet nietig. Het bestaan van de beslissing blijkt uit de voorlegging ervan. De omstandigheid dat de beslissing niet aangetekend kon verzonden worden houdt enkel verband met het feit dat de heer M. sinds 2006 niet meer ingeschreven is in België, zonder bekende woonplaats in het buitenland is. De beslissing werd medegedeeld aan de raadsman van de heer M., waar deze laatste overigens thans keuze van woonplaats heeft gedaan, zodat de kennisgeving van de beslissing minstens moet geacht worden rechtsgeldig gebeurd te zijn door de mededeling van de stukken voor het Arbeidshof.
  20. Het hof dient, in het kader van een controle op de wettelijkheid van de bestreden beslissingen na te gaan of deze gemotiveerd zijn overeenkomstig de vereisten van de wet, of de minister het wettelijk begrip van behartenswaardigheid niet miskend heeft en of de minister, op basis van de elementen van het dossier, in redelijkheid en zonder discriminerend op te treden tot de gewraakte beslissing is kunnen komen. Vermits de motivering van een administra-tieve beslissing, overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, afdoende moet zijn, dit wil zeggen dat de motivering moet toegespitst zijn op de voor de toepassing van de regeling relevante beoordelingscriteria, kan het onderzoek naar de wettelijkheid van de beslissing en naar haar voldoende motivering samen gevoerd worden.
  21. Artikel 2, 2e lid van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag geeft geen enkele omschrijving van hetgeen bedoeld wordt met "behartenswaardige gevallen". Ook de voorbe-reidende werken van deze wet geven daarover geen nuttige aanduidingen. Zoals het Openbaar Ministerie in zijn advies terecht opmerkt kan het begrip behartenswaardigheid niet zonder meer gelijkgesteld worden met de financieel moeilijke situatie van de persoon, die de gewaarborgde gezinsbijslag aanvraagt. In het in Belgisch systeem van sociale zekerheid kan een recht op een gewone kinderbijslag bekomen worden van zodra één van de partners, of ook andere gezinsleden, een inkomen bekomen als werknemer, zelfstandige of een uitkering genieten. Daaruit volgt dat de toekenning van de gewaarborgde gezinsbijslag bijna steeds ten goede zal komen aan personen die zich in een moeilijke financiële situatie bevinden. Het lijkt dan ook niet aannemelijk dat de wetgever dit criterium voor ogen gehad heeft wanneer hij aan de minister de bevoegdheid gaf om in behartenswaardige gevallen af te wijken van een verblijf van minstens vijf jaar. De mogelijkheid tot afwijking van de verblijfvoor-waarde dient dan ook eerder, zoals de bestreden beslissing doet, in essentie verbonden te worden met het strenge karakter van de verblijfsvoorwaarde die de wet oplegt, waarbij het moet gaan om: - een werkelijk en ononderbroken verblijf - gedurende minstens de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag voorafgaan. Er zijn in deze interpretatie een aantal situaties denkbaar waarin het begrip behartenswaardigheid een nuttige invulling kan krijgen, bijvoorbeeld wanneer het verblijf om redenen van overmacht even onder-broken geweest is, of nog wanneer er sprake is van een langdurig verblijf, maar niet uitsluitend in de laatste vijf jaar, of ook wanneer de aanvrager op het ogenblik van de aanvraag, slechts een korte periode te kort komt om aan de voorwaarden te voldoen.
  22. Op het ogenblik van de aanvraag tot afwijking, die geleid heeft tot de initiële beslissing van 26 april 2001, was de heer M. slechts gedurende 2 jaar en 4 maanden in België. In de beslissing van 18 juni 2007 wordt gewezen op het feit dat de heer M. minder dan vier jaar in België verbleef. Blijkbaar heeft de minister de grens van vier jaar gesteld als één van zijn beleidslijnen om het behartenswaardige karakter van een situatie te beoordelen. Zulks kan ook bevestiging vinden in de omstandigheid, vermeld in de besluiten van de Minister van Sociale Zaken voor het arbeidshof te Gent (waarvoor echter geen stukken worden voorgelegd), dat bij beslissing van 2 september 2004 aan de heer M. wel een afwijking zou toegestaan zijn vanaf 1 september 2002, dit is vanaf het ogenblik dat hij vier jaar in België verbleef.
  23. Het tweede door de Minister van Sociale Zaken in zijn nieuwe beslissing aangehaalde motief dat aan de heer M. geen studiebeurs werd toegekend door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, kan op basis van de informatie aangebracht door de Minister van Sociale Zaken moeilijk geduid worden. Of daarmee bedoeld wordt dat uit de afwezigheid van een studiebeurs kan afgeleid worden dat de heer M. over andere inkomsten beschikte dan wel of daarmee nog een ander criterium bedoeld wordt, is niet helemaal duidelijk. De afwijzende beslissing vindt echter een voldoende steun in de overweging die verband houdt met de korte verblijfsduur van de heer M. op het ogenblik van de aanvraag. Deze overweging is immers pertinent ten aanzien van de toepasselijke wettelijke bepaling en miskent het begrip van de behartenswaardigheid niet. Er wordt verder niet aangetoond dat de minister in zijn beslissing kennelijk de grenzen van de redelijkheid te buiten gegaan is of dat de minister op een discriminerende wijze toepassing zou gemaakt hebben van zijn beoordelingsbevoegdheid. De heer M. voert wel aan dat in andere zaken op andere wijze zou beslist zijn, maar legt daarvan geen concrete bewijsstukken voor.
  24. Bijgevolg dient het oorspronkelijk beroep van de heer M. voor de arbeidsrechtbank ten aanzien van de Minister van Sociale Zaken als ongegrond afgewezen te worden. In dit kader dient verder bevestigd te worden, hetgeen reeds impliciet beslist was door de arbeidsrechtbank te Gent, dat het beroep tegen de beslissing van de Rijksdienst voor Kinderbijslag van 8 mei 2002 ongegrond was, vermits de heer M. niet aan de verblijfvoorwaarden voldeed en geen afwijking bekomen had t.a.v. deze voorwaarde. DE KOSTEN. Beide geïntimeerden dienen overeenkomstig artikel 1017, al.2 van het Gerechtelijk Wetboek ieder tot de helft van de kosten van het geding veroordeeld te worden. De kosten van de beroepsinstantie dienen overeen-komstig de wet van 21 april 2007 op de verhaal-baarheid van de erelonen van advocaten en het uitvoeringbesluit van 26 oktober 2007 vastgesteld te worden op 291,50 euro . Deze nieuwe bepalingen voorzien niet meer in een afzonderlijke rechtsplegingvergoeding voor een heropening der debatten. Er is ook geen aanleiding toe om, zoals partijen vragen, een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding toe te kennen voor de procedure voor het arbeidshof te Gent en voor de procedure voor het arbeidshof te Brussel. Overeenkomstig art. 1 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld per aanleg. (Zulks was overigens ook voorzien in het vroegere Koninklijk Besluit van 30 november 1970). Het Gerechtelijk Wetboek kent slechts twee aanleggen, de eerste aanleg en het beroep (art. 616 Gerechtelijk Wetboek). Ook de procedure voor het Hof van Cassatie vormt geen nieuwe aanleg (cfr. K. Broeckx, Gerechtelijke Wetboek, Artikelsgewijze Commentaar, art. 616). Door het vernietigingsarrest van het Hof van Cassatie komt geen nieuwe aanleg tot stand. Het ingeleide geding en de aanleg worden heropend voor een nieuwe rechter, maar blijven dezelfde aanleg en geding uitmaken die hervat worden (J. Boré " La Cassation en matière civile, Parijs 1980, p. 1048 en 1057). De dagvaarding die de zaak aanhangig maakt bij de rechter waarnaar de zaak verwezen wordt is dan ook geen gedinginleidende akte, maar een akte tot hervatting en voortzetting van het geding (Cass. 27.09.1993, Arr. Cass.1973,762). OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer J.J. André, Advocaat-generaal, neergelegd ter griffie op 4 december 2008, waarop partijen niet repliceerden, Rechtsprekende op tegenspraak en uitspraak doende over de grond van de zaak ingevolge het devolutief karakter van het hoger beroep; Verklaart het beroep van de heer M. tegen de beslissing van de Minister van Sociale Zaken van 26 april 2001 (en de bevestigende beslissingen van 15 oktober 2002 en 26 november 2002) ongegrond; Verklaart het beroep tegen de beslissing van de Rijksdienst voor Kinderbijslag van 8 november 2002 eveneens ongegrond. Veroordeelt de Minister van Sociale Zaken en de Rijksdienst voor Kinderbijslag ieder tot de helft van de kosten, die als volgt begroot worden in hoofde van de heer M.: rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 107,09 euro kosten dagvaarding in tussenkomst: 65,53 euro rechtsplegingsvergoeding beroep: 291,50 euro Aldus gewezen door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : de heer F. KENIS, Raadsheer de heer I. VAN DAMME, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer K. GACOMS, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider Bijgestaan door mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier F. KENIS I. VAN DAMME G. DE SAEDELEER K. GACOMS En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op vijftien januari 2009 door : de heer F. KENIS, Raadsheer Bijgestaan door mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier F. KENIS G. DE SAEDELEER PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090115.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.