id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090206.2 Rolnummer: 50.541 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-03-04 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 19:07 Fiche De niet aanvaarding van een dringende reden heeft tot gevolg dat er nooit een dringende reden heeft bestaan en dit van bij het begin. In dat geval kan het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding geen uitwerking hebben en is de vordering van een compenserende vergoeding ongegrond. Het concurrentiebeding heeft evenmin uitwerking wanneer het ontslag om dringende reden niet binnen de wettelijke termijn van drie werkdagen is gegeven. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Bedienden SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Bedienden - Ontslag - Geen dringende reden - Geen toepassing niet-concurrentiebeding. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 FEBRUARI
- 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE N.V. COMPUTER PERIFERIE EXPERT afgekort COMPEREX N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te 1700 Dilbeek, Neerstraat, 25, KBO 0455.047.883, Appellante, vertegenwoordigd door Mter T. Vandewiele loco Mtr J. Souvereyns, advocaat te 2000 Antwerpen; Tegen : De Heer L. Henri Paul Victor, wonende te [xxx], Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter B. Alderweireldt, advocaat te 9200 Dendermonde; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (12de kamer) op de openbare terechtzitting van 13 november 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 28 december 2007; - de besluiten, synthesebesluiten en alleshernemende aanvullende synthesebesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 8 april 2008, 12 november 2008 en 31 december 2008 ; - de besluiten en synthesebesluiten voor appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 15 september 2008 en 8 december 2008; - de bundel met stukken van appellante neergelegd ter griffie op 10 december 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 9 januari 2009; geïntimeerde partij legde een bundel neer, waarna de debatten gesloten werden.
- FEITEN EN RECHTSPLEGING. De heer L. is de oprichter van de N.V. Pico Soft, die zich bezighield met de ontwikkeling van softwareprogramma's, waaronder de programma's Tacs en Punch. Op 22 januari 1999 werd het handelsfonds van Pico Soft overgedragen aan de heer Roger W., die handelde voor een op te richten vennootschap. Bij deze overname werd overeengekomen dat onder meer de heer L. gedurende vijf jaar met de heer W. zou samenwerken, waartoe op 24 februari 1999 een samenwerkingsovereenkomst op zelfstandige basis werd afgesloten met een vertrouwelijkheidclausule en een niet-concurrentiebeding. Tengevolge van een hartinfarct van de heer L. werd deze samenwerkingsovereenkomst in gemeen akkoord beëindigd op 15 mei
- Op 15 mei 2001 werd tussen de N.V. Computer Periferie Experts, (hierna afgekort als Comperex), vertegenwoordigd door de heer W. als afgevaardigd bestuurder, en de heer L. een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor onbepaalde tijd afgesloten voor een voltijds arbeidsregime, maar waarbij omwille van de gezondheidstoestand van de heer L. voorlopig slechts 50 procent prestaties dienden te worden geleverd. In artikel 3 van deze overeenkomst wordt bedongen dat de tijdige overdracht van de knowhow een essentieel element was van de samenwerking en dat dit diende gerealiseerd te zijn tegen 30 september 2001; verder diende de heer L. mede in te staan voor de support aan de klanten en gebruikers van het programma Punch & Tacs en dit in overleg en in samenwerking met de medewerkers van de betreffende dienst binnen de onderneming. In artikel 7 van de arbeidsovereenkomst wordt een niet-concurrentiebeding opgenomen. In de taakomschrijving wordt artikel 3 van de arbeidsovereenkomst verder uitgewerkt en wordt bepaald dat de heer L. zich dient in te zetten voor het behouden en/of verbeteren van de tevredenheidgraad bij het bestaande cliënteel en de kennisoverdracht naar de jongere collega's, waarbij wordt herhaald dat de knowhow op 30 september 2001 moet worden overgedragen. Uit de toelichtingen van partijen volgt dat er een wantrouwen tussen de heer L. en W. gegroeid is, wat op 12 oktober 2001 resulteerde in een ontslag met dringende reden, betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 15 oktober
- De ontslagbrief houdt een lange opsomming in van de frustraties die de heer W. ondervond in verband met de overdracht van het handelsfonds en de tewerkstelling van de heer L.. De werkgever verweet aan de heer L. obstructie en verdacht hem het handelsfonds opnieuw onder zijn controle te willen krijgen. De overdracht van de knowhow tegen 30 september 2001 verliep volgens de werkgever niet naar behoren wat werd aangetoond door de moeilijke samenwerking met de heer Heath op 25 september
- De heer W. voelde zich beledigd onder meer in een e-mail van 22 augustus 2001 en na een aantal eerder algemene verwijten wordt aan de heer L. verweten dat hij afwezig bleef vanaf 1 oktober 2001 wegens zogenaamde en niet toegestane recup-dagen. Deze opsomming wordt besloten als volgt : " Wat evenwel de deur dicht deed is het feit dat ik gisteren bevestiging kreeg van hetgeen volgt : Naar verluidt ( mij inmiddels bevestigd door Kris Devriendt) organiseerde u op 28 juni 2001 een vergadering ten uwen huize waarop een aantal van onze medewerkers werden uitgenodigd. Men bevestigt mij o.m. de aanwezigheid van Peter Van Nieuwenhove, Franky Gabriëls, Annemie Cornelis, Kris Devriendt, Koen Van de Velde, Gert De Bie. Op deze vergadering zou u aan de aanwezigen met aandrang gevraagd hebben "een keuze te maken" voor Comperex of voor uzelf. U meldde aan de aanwezigen dat u de bedoeling had het handelsfonds van PICOSOFT "terug te nemen" met alle mogelijke middelen. U wenste de activiteiten van onze afdeling "Punch & Tacs" verder te zetten in een nieuwe door u op te richten vennootschap. Ik begrijp nu beter een aantal van uw uitlatingen en gedragingen sedertdien, die er enkel op gericht waren om Comperex te destabiliseren zowel intern als tegenover het cliënteel. Zodoende kan u zich manifesteren als de "probleemoplosser", hetgeen in uw overtuiging een strategisch voordeel zou inhouden om het cliënteel terug te verwerven. Tegenover de heer Lucas sprak u zelfs over de mogelijkheid om na het uitlokken van een falingscenario de activa over te nemen en door te starten met enkele personeelsleden. Het feit dat u trouwens een schriftelijk bod deed voor de verwerving van de activa van Comperex N.V. bevestigt het voorgaande, en plaatst dit meteen in een gans andere context. Meteen is ook duidelijk waarom u zich zo obstinaat verzette tegen elke vorm van kennisoverdracht! Deze feiten werden mij bevestigd door Kris Devriendt op donderdagnamiddag 11 oktober
- Gezien de ernst hiervan heb ik een en ander meteen nagetrokken en hiervan bevestiging gekregen bij Ronny K. Lucas. Ik meen dat die werkwijze m.n. het organiseren van geheime vergaderingen, met uitnodiging van personeelsleden van Comperex en met de bedoeling om de activa van de werkgever terug te verwerven dermate perfide is dat zij elk noodzakelijk vertrouwen tussen werkgever en werknemer volledig en definitief wegneemt." Bij aangetekende brief van 16 november 2001 betwistte de heer L. dit ontslag en vorderde een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van vijf maanden, een schadevergoeding wegens willekeurig ontslag, een correcte afrekening van zijn wedde, vakantiegeld, eindejaarspremie en maaltijdcheques, alsook een compenserende vergoeding wegens zijn niet- concurrentiebeding. Betrokkenen voerden nog een aantal andere procedures in verband met hun commerciële en persoonlijke geschillen. Op 22 januari 2002 dagvaardde de heer L. de N.V. Comperex voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van : - een opzeggingsvergoeding van 5 maanden van euro 30.082,87 - een vergoeding wegens misbruik ontslagrecht van euro 10.000 - een compenserende vergoeding niet-concurrentiebeding van euro 36.099,44 - achterstallig loon en feestdagenloon van euro 3.865,83 - achterstallig vakantiegeld van euro 3.638,48 Bij besluiten neergelegd voor de arbeidsrechtbank te Brussel op 16 februari 2002 stelde de N.V. Comperex een tegenvordering in betaling van een schadevergoeding van euro 12.500 wegens concurrentie door de heer L. aangedaan aan de N.V. Comperex. Op 13 september 2005 velde de arbeidsrechtbank te Brussel een tussenvonnis waarbij de vorderingen wegens misbruik van ontslagrecht en wegens achterstallige wedde, feestdagenloon en vakantiegeld werden afgewezen als zijnde ongegrond en waarbij voor het overige een getuigenverhoor werd bevolen omtrent de feiten die betrekking hadden op de tijdigheid en gegrondheid van de dringende reden, de compenserende vergoeding niet-concurrentiebeding en de beweerde schendingen van de niet concurrentieafspraken. Na het getuigenverhoor oordeelde de arbeidsrechtbank in het eindvonnis van 13 november 2007 dat de heer L. recht had op een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 3 maanden, becijferd op euro 15.846,69 en op een niet-concurrentievergoeding ten belope van 6 maanden of euro 31.693,38; de tegenvordering werd verworpen als zijnde ongegrond. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 28 december 2007 tekende de N.V. Comperex hoger beroep aan tegen dit vonnis en vroeg de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van de heer L. en de toewijzing van de oorspronkelijke tegenvordering. De heer L. tekende geen incidenteel beroep aan en bevestigt te berusten in het tussenvonnis wat betreft de afwijzing van de daarin beoordeelde vorderingen en ook te berusten in de begroting van de opzeggingsvergoeding op 3 maanden; hij vraagt de bevestiging van het vonnis van 13 november
- BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.
- Het ontslag om dringende reden. Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Artikel 35, laatste lid, voegt hieraan toe dat de partij die een dringende reden inroept, het bewijs moet leveren dat zij deze termijn geëerbiedigd heeft. De kennisname van de feiten waarop het ontslag met dringende reden gesteund is, dient te gebeuren in hoofde van de persoon of het orgaan, bevoegd om tot het ontslag over te gaan (Cass., 7 december 1998, R.W. 1999-2000, 848; Cass., 24 juni 1996, Arr. Cass. 1996, 639). De termijn van 3 werkdagen begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die ontslag betekent, voldoende kennis heeft van de feiten (Cassatie, 23 mei 1973, J.T.T. 1973, 212 en Cassatie, 11 januari 1993, J.T.T. 1993, 58). Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Uit de ontslagbrief volgt dat vooral de vergadering van 28 juni 2001 als laatste feit doorweegt voor de ingeroepen dringende reden. De N.V. houdt voor dat zij hiervan slechts kennis kreeg op donderdagnamiddag 11 oktober 2001 via de heer Kris Devriendt. De werkgever bewijst dit echter niet, want de heer Devriendt zegt in zijn getuigenverklaring dat hij aanwezig was op deze vergadering in de zomer van 2001, waarna hij verduidelijkt : Enkele tijd later, doch ik weet niet hoeveel tijd er precies is verlopen, werd ik gecontacteerd door de heer W. die via de heer Lucas werd geïnformeerd omtrent deze vergadering ten huize van de heer L.. Verder in zijn verklaring zegt hij dat hij het juiste tijdstip niet nader kan preciseren. In een geschreven verklaring ( stuk 27 van de heer L.) bevestigt de heer Lucas dat zijn telefoongesprek met de heer W. over deze vergadering plaatshad vóór 30 september
- Deze feiten waren dus volgens deze verklaring langer dan drie werkdagen aan de heer W. bekend. De N.V. Comperex bewijst derhalve niet dat zij binnen de drie werkdagen na de kennisname van de bewuste vergadering tot ontslag om dringende reden is overgegaan. De heer L. houdt bovendien voor dat de bewuste vergadering gebeurde naar aanleiding van zijn onderhandelingen met de heer W. over de terugname van de softwareprogramma's Punch & Tacs; het bestaan van deze onderhandelingen wordt in de pleidooien door beide partijen bevestigd en kan afgeleid worden uit de stukken 20 en 21 van de heer L.. Te gemakkelijk wil de N.V. thans voorhouden dat de ingeroepen obstructie een voortdurende toestand is, die zich verder herhaalde tot 12 oktober 2001, zodat zij gedurende gans deze periode omwille van het verder bestaan van deze dringende reden tot ontslag kon beslissen. De ingeroepen obstructie is echter een kwalificatie, die kan ingeroepen worden voor gematerialiseerde feiten, welke de professionele tekortkoming(en) kunnen uitmaken. Enkel dergelijke in de feiten veruitwendigde professionele tekortkomingen vormen de dringende reden. Volgende feiten worden in de ontslagbrief met een voldoende preciesheid naar voorgebracht : - het niet overdragen van de knowhow voor 30 september 2001, - het dienaangaande niet informeren van de heer Heath op 25 september 2001, waaromtrent de heer Heath een verslag opstelde op 28 september 2001 ( stuk 9 van de N.V.), - het beledigen van de heer W., zoals blijkt uit de e-mail van 22 augustus 2001, - het vanaf 1 oktober 2001 ongevraagd en zonder voorafgaand overleg afwezig blijven wegens recup-dagen. Voor het overige bevat de ontslagbrief algemene beschrijvingen en beschouwingen die onvoldoende precies zijn om er een concrete professionele tekortkoming uit te kunnen afleiden. De eerste drie feiten, vermeld in de bovenstaande paragraaf, waren alleszins al langer dan drie werkdagen aan de heer W. bekend. Bovendien en ten overvloede is er over al deze punten betwisting en argumenteren beide partijen volgens het principe ieder zijn waarheid. De bewijslast rond de ingeroepen ernstige tekortkomingen die de samenwerking dringend onmogelijk dienen te maken, ligt in deze bij de werkgever. In acht genomen de betwisting en de elkaar tegensprekende versies brengen de voorgebrachte stukken het bewijs van de versie van de werkgever niet aan. Omtrent de discussie over de recup-dagen werd de heer L. door de heer W. aangeschreven op 27 september 2001 en hij ontving een e-mail van de heer Lucas op 28 september
- Op de loonbrief van september 2001, opgesteld op 2 oktober 2001 is er dienaangaande sprake van zes dagen onwettige afwezigheid; ook dit betrof dus een feit dat langer dan drie werkdagen bekend was. Op de loonbrief van oktober 2001 is er geen melding van onwettige afwezigheid, maar wordt er gesproken over toegestane afwezigheid. In zoverre er gesproken kan worden over onwettige afwezigheid, waren de feiten dus meer dan drie werkdagen (sedert 2 oktober 2001) aan de werkgever bekend. De ingeroepen dringende redenen voldoen dan ook niet aan de voorwaarden van artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet. Met de overname van de motivering van de eerste rechter kan bovendien worden vastgesteld dat op grond van het getuigenverhoor en de voorgebrachte stukken ook geen voldoende bewijs geleverd werd van de ingeroepen doch betwiste feiten. Aangezien de dringende reden aldus niet kan worden weerhouden, maakt de heer L. terecht aanspraak op een opzeggingsvergoeding. Omtrent de hoegrootheid en de becijfering is er niet langer betwisting. Op dit punt is het hoger beroep dan ook ongegrond.
- De compenserende vergoeding voor het niet concurrentiebeding. In artikel 65 §2, voorlaatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet wordt bepaald dat een niet-concurrentiebeding geen uitwerking heeft wanneer aan de overeenkomst een einde wordt gemaakt, ofwel tijdens de proefperiode, ofwel na deze periode door de werkgever zonder dringende reden of door de werknemer om dringende reden. Het feit dat in rechte geen dringende reden tegen de werknemer werd erkend heeft dan ook tot gevolg dat er nooit een dringende reden heeft bestaan en dit van bij het begin. In dat geval kan het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding geen uitwerking hebben en is de vordering van een compenserende vergoeding ongegrond (Arbh. Brussel, 9 mei 1990, J.T.T. 1990, 423; Arbh. Gent, 9 februari 1987, J.T.T. 1987, 355). Het concurrentiebeding heeft evenmin uitwerking wanneer het ontslag om dringende reden niet binnen de wettelijke termijn van drie werkdagen is gegeven ( Arbh. Luik, 23 januari 1992, J.T.T. 1992, 360). Het feit dat de heer L. naar eigen zeggen zich aan dit beding heeft onderworpen, doet hieraan geen afbreuk. De vordering tot het bekomen van de compenserende vergoeding is dan ook ongegrond en op dit punt is het hoger beroep dus gegrond.
- 3 De schadevergoeding wegens concurrentie. Uit het bovenstaande volgt dat het niet-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst geen uitwerking kon hebben. De voordien geldende samenwerkingsovereenkomst werd algeheel en definitief ten einde gesteld en vervangen door de arbeidsovereenkomst, die in zijn artikel 9 bepaalt : deze overeenkomst vervangt alle voorgaande eventueel hiermee strijdige overeenkomsten, zodat dit contract ingeval van tegenstrijdigheid geacht wordt te primeren. De N.V. roept niet in en bewijst ook niet dat er tijdens de tewerkstelling daden van onrechtmatige concurrentie zouden gesteld zijn, temeer daar niet betwist wordt dat er in deze periode ook besprekingen werden gevoerd omtrent de terugname door de heer L. van bepaalde software programma's. Evenmin wordt het bestaan van een reële schade bewezen. Terecht heeft de eerste rechter dan ook de oorspronkelijke tegenvordering afgewezen als zijnde ongegrond en op dit punt is het hoger beroep ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Hervormt het bestreden vonnis wat betreft de niet-concurrentie vergoeding en verklaart de vordering van de heer L. op dit punt ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt het vonnis voor al het overige en compenseert de gerechtskosten van het hoger beroep bij gelijke helften, deze aan de zijde van beide partijen begroot op rechtsplegingsvergoeding basisbedrag euro 2.
- Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De heer Ch. LAURIERS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer J. DE DECKER, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, Ch. LAURIERS. J. DE DECKER Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 februari 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090206.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.