← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090206.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090206.3 Rolnummer: 50.555 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-03-05 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 19:07 Fiche 1 Een bediende heeft het recht om bewijsmiddelen voor zijn standpunt te verzamelen, maar door plots op het werk te verschijnen met een gerechtsdeurwaarder droeg zij weinig bij tot het normaliseren van de gespannen verhoudingen. Door in de gegeven omstandigheden onverstandig en overdreven te reageren, beging ze nog geen ernstige professionele tekortkoming. Een ontslag om dringende reden is de zwaarste sanctie, die niet kan genomen worden op grond van enkel een spanning tussen partijen zonder ernstige tekortkoming, die de professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Bij problemen moet men onder volwassen mensen trachten tot een oplossing te komen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Bedienden - Dringende reden vereist een professionele fout; een spanning volstaat nniet en moet op volwassen wijze worden opgelost. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art.

  1. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art.
  2. Fiche 2 Degene die zich op het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiger beroept, moet zijn hoedanigheid bewijzen; de bediende wiens activiteiten zowel commerciële als andere aspecten vertoont, maar die niet bewijst welke van beide aspecten doorslaggevend is, kan zich niet beroepen op de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Handelsvertegenwoordigers Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Handelsvertegenwoordiger - Bewijs hoedanigheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art.
  3. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art.
  4. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 FEBRUARI
  5. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE N.V. ESTEE LAUDER COSMETICS, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1932 Zaventem, Woluwedal, 26, ingeschreven in het rechtspersonenregister onder ondernemingsnummer 0403.769.032/B.T.W. nr. BE 403.769.032, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter J. Slootmans, advocaat te 1050 Brussel; Tegen : Mevrouw V. C., Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter N. Servaes loco Mter J. Van De Vyver, advocaat te 2020 Antwerpen; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (12de kamer) op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 3 januari 2008; - de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 30 mei 2008, 29 september 2008 en 27 november 2008; - de besluiten en aanvullende synthesebesluiten voor appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 18 augustus 2008 en 31 oktober 2008; - de bundel met stukken van appellante neergelegd ter griffie op 23 december 2008; - de bundel met stukken van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 30 december 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 9 januari 2009, waarna de debatten gesloten werden.
  6. FEITEN EN RECHTSPLEGING. Mevrouw V. werd aangeworven door de N.V. Estée Lauder Cosmetics als verkoopster-demonstratice op 7 november 1985 met een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Vanaf 1 januari 2000 werd in gemeenschappelijk overleg het arbeidsstelsel gewijzigd naar een deeltijdse tewerkstelling, aanvankelijk van 32 uur per week, met ingang van 1 september 2000 nogmaals aangepast naar 24 uur per week. In het kader van deze aanpassingen werd haar regio gewijzigd en werd ze verantwoordelijk gesteld voor de provincie Antwerpen. Mevrouw V. houdt voor dat hierdoor het aantal te bezoeken klanten en haar werkdruk verhoogde. Omwille van stressproblemen werd ze ziek van 2 oktober 2003 tot 10 november
  7. Op 14 november 2003 had er een vergadering plaats om haar situatie te bespreken. De werkgever vroeg haar om thuis te blijven tijdens de week van 17 november 2003 tot 21 november 2003 en vervolgens tijdens de week van 24 november 2003 tot 28 november 2003; in deze periode werd haar PC op 20 november 2003 afgekoppeld van de server en mevrouw V. houdt voor dat ze hierdoor één van haar belangrijkste werkinstrumenten verloor. Ze werd door de werkgever opnieuw uitgenodigd om thuis te blijven van 1 december 2003 tot 5 december 2003, doch dit weigerde ze en ze werd dan op het kantoor te Brussel tewerkgesteld. Op 3 december 2003 schreef mevrouw V. aangetekende brieven naar haar werkgever waarin zij protesteerde tegen haar situatie en tegen de hierboven vermelde gebeurtenissen. Tengevolge hiervan had er een nieuw gesprek plaats met de werkgever, dat ze bevestigde in een schrijven van 10 december
  8. Op 11 december 2003 startte mevrouw V. opnieuw met haar commercieel klantenbezoek. Op 17 maart 2004 lichtte mevrouw V. haar werkgever in dat zij door middel van een door haar op te richten vennootschap, bvba Cocover, een parfumeriezaak te Kalmthout zou overnemen. In een antwoordbrief van 8 april 2004 liet de werkgever weten dat hij hierin een potentieel belangenconflict zag. Van 1 juni 2004 tot en met 31 augustus 2004 nam mevrouw V. ouderschapsverlof. Bij haar terugkeer op 2 september 2004 werkte ze opnieuw op de zetel van Estée Lauder. Er werd opnieuw onderhandeld over haar taak en de te bezoeken verkooppunten. Volgens mevrouw V. verliep deze herstart moeilijk. Op 6 september 2004 bood mevrouw V. zich aan op haar werk samen met een gerechtsdeurwaarder, die een aantal vaststellingen deed in verband met haar werkzaamheden en die hierover een aantal personeelsleden ondervroeg. Bij brief van 6 september 2004 werd mevrouw V. ontslagen met dringende reden, die gepreciseerd werden in de navolgende aangetekende brief van 8 september 2004, luidend als volgt : "
  9. Op 2 september 2004 heeft in het kader van uw werkhervatting - na een schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens ouderschapsverlof - een vergadering plaatsgevonden met uw meerdere, de heer H. VDM.. Dit om de daaraan verbonden praktische aspecten te bespreken. Voorafgaandelijk was reed schriftelijk opgegeven dat de problematiek die gerezen was tengevolge van uw betrokkenheid bij Cocover bvba onopgelost bleef en onderdeel zou uitmaken van het gesprek. U heeft bij de aanvang van de vergadering opgegeven dat u enkel uw werkhervatting wenste te bespreken. Er is uiteengezet dat ten gevolge van een herschikking van de taakverdeling binnen de afdeling en uw betrokkenheid bij Cocover bvba wedertewerkstelling in uw vroegere sector niet mogelijk was maar dat u een gelijkwaardige functie werd toevertrouwd. Meer bepaald als Account Executive/Departement Stores Manager voor de opvolging van 28 klanten. Dit werd door u aanvaard en door onze vennootschappen bij brief van 2 september 2004 bevestigd. Terzake de problematiek die uw betrokkenheid bij Cocover bvba stelde werd opgegeven dat de vennootschap zich daarover zou beraden.
  10. Er was u verzocht u in de eerstvolgende dagen in te werken in de dossiers van de klanten en de aan het gamma toevertrouwde producten waarna in samenspraak met de heer H. VDM. tot het vastleggen van klantenbezoeken zou worden overgegaan. De Regio Sales Executives die de klanten welke u werden toevertrouwd, hadden opgevolgd werden verzocht u de klantendossiers ( in elektronische vorm) over te maken. U hebt op vrijdag 3 september 2004 echter al contact opgenomen met mevr. B. met betrekking tot de klant Lido met dewelke op 7 september 2004 een bezoek gepland was. De heer H. VDM. heeft u desbetreffend opgegeven dat vooraleer tot bezoeken bij de u toevertrouwde klanten kon worden overgegaan u zich eerst in de klantendossiers diende in te werken, per klant een dossier diende samen te stellen met beknopte opgave van de huidige status en slechts na bespreking met hem tot klantenbezoeken zou worden overgegaan. Daartoe werd u maandag 6 september 2004 op kantoor verwacht.
  11. U heeft zich op 6 september 2004 omstreeks 9u.10 op kantoor aangeboden vergezeld van een gerechtsdeurwaarder. U heeft door deze gerechtsdeurwaarder bij de personeelsdienst laten vaststellen dat u tot teruggave overging van het u ter beschikking gestelde fototoestel omdat er geen gebruiksaanwijzing zou zijn meegegeven. U heeft mijn secretaresse dan door de gerechtsdeurwaarder laten vragen of onze vennootschap de brief van Cocover bvba inzake de vraag tot verdeling van onze producten ontvangen had. U heeft in de gang van de kantoren willen laten overgaan tot de vaststelling dat nog niet alle klantendossiers in elektronische vorm op uw pc waren doorgestuurd. U heeft de door mij gemaakte opmerking dat u verondersteld was het u opgedragen werk uit te voeren beantwoord door te stellen dat u tussen 9u.00 en 10u.00 gelet op de aanwezigheid van de gerechtsdeurwaarder uw lunchpauze vervroegd opnam. Er is u en de gerechtsdeurwaarder moeten worden verzocht worden u naar de benedenverdieping te begeven om de gerechtsdeurwaarder in serene omstandigheden te kunnen te woord staan hetgeen daaropvolgend geschied is door zowel mevrouw HE. P. als de heer H. VDM.. Het gegeven dat u zich op 6 september 2004 ( zijnde de 3e werkdag) na uw werkhervatting zonder dat daartoe enige gerechtvaardigde reden kan worden ingeroepen op het werk heeft aangeboden in het bijzijn van een gerechtsdeurwaarder maakt een dermate ernstige tekortkoming uit dat elke verdere professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk was geworden. Omwille van deze ernstige tekortkoming werd dezelfde dag een einde gesteld aan een arbeidsovereenkomst op grond van dringende reden. Ik stel mij nog steeds de vraag wat de beweegreden van uw ongeoorloofde handelwijze kan geweest zijn : - er werd onze vennootschap geen ( voorafgaande) ingebrekestelling verstuurd; - er was geen enkele aanwijzing dat er enig geschil tussen uzelf en onze vennootschap was gerezen inzake uw wedertewerkstelling; integendeel, volgt dan de versie van de werkgever in verband met de wedertewerkstelling aangenomen dat je daarmee niet akkoord zou zijn geweest dan had u dit mondeling of schriftelijk kunnen aangeven; dit kan geen vaststelling door een gerechtsdeurwaarder rechtvaardigen; - wat is het nut van een vaststelling door een gerechtsdeurwaarder dat u een ter beschikking gesteld fototoestel terug inlevert omdat er geen gebruiksaanwijzing zou zijn verstrekt?; het had volstaan om mededeling van dergelijke gebruiksaanwijzing ( of kopieën daarvan) te vragen; - wat was het oogmerk van de vraag van de gerechtsdeurwaarder aan mijn secretaresse of de vennootschap de brief van Cocover bvba met vraag onze producten te kunnen verdelen in haar parfumeriezaak ontvangen had?; het was u wel bekend dat er volgens onze vennootschap een onverenigbaarheid was tussen uw tewerkstelling en uw betrokkenheid bij Cocover bvba hetgeen u in de brief van 20 augustus 2004 van de heer H. VDM. nogmaals verduidelijkt was geweest; het gegeven dat de vraag ontvangen was en daaromtrent omwille van deze reden nog geen standpunt was ingenomen stond onbetwistbaar vast; door voormelde vraag door de gerechtsdeurwaarder te laten stellen heeft u enkel bevestigd dat u gelijktijdige tewerkstelling en betrokkenheid bij Cocover bvba geen werkbare situatie kon zijn. De enige mogelijke verklaring voor het feit dat u zich op maandag 6 september 2004 op het werk heeft aangeboden is dan ook dat u daartoe bent overgegaan met het oogmerk een incident uit te lokken. Dergelijke handelwijze is zoals gezegd ontoelaatbaar". Op 13 april 2005 ging mevrouw V. tot dagvaarding van haar werkgever over en vorderde : - een opzeggingsvergoeding van 19 maanden, aanvankelijk begroot op euro 54.004,94 en bij conclusie van 27 februari 2007 uitgebreid tot euro 66.280,62; - een uitwinningsvergoeding van 6 maanden, aanvankelijk begroot op euro 14.566,86 en na herberekening met conclusie van 27 februari 2007 gebracht op euro 20.930,72; - de kosten van het gerechtsdeurwaardersexploot van 15 september 2004 ten bedrage van euro 300; - een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht van euro 5.
  12. De N.V. Estée Lauder stelde een tegenvordering in wegens tergend en roekeloos geding van euro
  13. Bij vonnis van 31 augustus 2007 verklaarde de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering van mevrouw V. gegrond ten belope van euro 77.722,54, meer de wettelijke intresten op het brutobedrag en verklaarde het overige, met inbegrip van de tegenvordering, ontvankelijk doch ongegrond. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 3 januari 2008, tekende de N.V. Estée Lauder Cosmetics hoger beroep aan en vroeg de volledige afwijzing van de vordering van mevrouw V.; er werd geen hoger beroep aangetekend in verband met de afwijzing van de oorspronkelijke tegenvordering. Mevrouw V. tekende incidenteel beroep aan in zoverre haar oorspronkelijke vordering werd afgewezen, maar ze vroeg hierbij tevens dat haar een bonus ten belope van euro 2.092,94 zou worden toegekend, minstens een schadevergoeding, gelijk aan dit bedrag wegens het niet betalen van een bonusplan.
  14. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.
  15. Het ontslag om dringende reden. Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Artikel 35, laatste lid, voegt hieraan toe dat de partij die een dringende reden inroept, het bewijs moet leveren dat zij deze termijn geëerbiedigd heeft. De kennisname van de feiten waarop het ontslag met dringende reden gesteund is, dient te gebeuren in hoofde van de persoon of het orgaan, bevoegd om tot het ontslag over te gaan (Cass., 7 december 1998, R.W. 1999-2000, 848; Cass., 24 juni 1996, Arr. Cass. 1996, 639). De termijn van 3 werkdagen begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die ontslag betekent, voldoende kennis heeft van de feiten (Cassatie, 23 mei 1973, J.T.T. 1973, 212 en Cassatie, 11 januari 1993, J.T.T. 1993, 58). Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn : - er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief (zie. W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 04-05, nr. 5249). Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren. Deze feiten moet dan ook zo omschreven zijn dat zowel de rechter als degene die ontslagen wordt, precies weten waarop het ontslag gesteund is. Benevens het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder A.H. Brussel, 20 juni 1980, T.S.R. 1981,41). Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter geven van een zwaarwichtig motief (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, J.T.T. 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, J.T.T. 1973, 212). Het ontslag om dringende redenen vond plaats op 6 september 2004, zijnde de dag van de afstapping door de gerechtsdeurwaarder, wat het belangrijkste feit is waarop het ontslag om dringende reden is gebaseerd. Het feit dat in de ontslagbrief als aanvullend punt ook verwezen wordt naar de discussie rond de belangentegenstelling met Cocover, doet geen afbreuk aan de tijdigheid van het inroepen van het ontslag. Het feitenrelaas toont aan dat de verhouding tussen beide partijen moeilijk en gespannen was. Uit de ingeroepen ontslagreden volgt dat mevrouw V. als demonstratice na haar terugkeer uit ouderschapsverlof enkele dagen op de zetel beziggehouden werd met het voorbereiden van haar dossiers, terwijl er ook nog over haar taakinvulling vergaderd en onderhandeld werd. De werkgever zocht naar een standpunt in verband met haar betrokkenheid in een parfumeriezaak. Alhoewel mevrouw V. recht had om bewijsmiddelen voor haar standpunt te verzamelen, kan men er niet naast kijken dat ze op een overtrokken wijze gehandeld heeft door plots op het werk te verschijnen met een gerechtsdeurwaarder. Zij diende te weten dat zij op die wijze weinig bijdroeg tot het normaliseren van de gespannen verhoudingen. Maar ook al handelde ze in de gegeven omstandigheden onverstandig en overdreven, ze beging daardoor nog geen ernstige professionele tekortkoming. Het stond aan de werkgever om op de aanwezigheid van de gerechtsdeurwaarder adequaat en verstandig te reageren. Een ontslag om dringende reden is de zwaarste sanctie, die niet kan genomen worden op grond van enkel een spanning tussen partijen zonder ernstige tekortkoming, die de professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. De eerste rechter heeft de ontslagsituatie dan ook oordeelkundig beoordeeld en de omstandigheid in hoeverre mevrouw V. nu al dan niet kon inloggen op de server, doet hieraan geen afbreuk. Indien er op dit punt een probleem was, dan diende men onder volwassen mensen tot een oplossing te kunnen komen. Hetzelfde geldt voor de andere moeilijkheden, waarvoor de gerechtsdeurwaarder ingeschakeld werd. De betrokkenheid van mevrouw V. bij de parfumeriezaak van de bvba Cocover werd door haar reeds ter kennis gebracht aan de werkgever op 17 maart 2004 en zoals in
  16. van de ontslagbrief aangehaald, maakte dit onderdeel uit van een gesprek, zodat ook hier niet kan gesproken worden van een ernstige professionele tekortkoming die de samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk diende te maken. Er was dan ook onvoldoende grond om een ontslag om dringende reden in te roepen en de beschouwingen over en weer tussen partijen kunnen daaraan geen afbreuk doen. Aangezien de dringende reden niet wordt aanvaard, heeft mevrouw V. recht op een opzeggingsvergoeding, die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). Omtrent de anciënniteit ( 19 jaar), de leeftijd ( 40 jaar) en de functie (verkoopster - demonstratice) bestaat geen discussie. Wat betreft het jaarloon stelt zich de vraag in hoeverre rekening kan gehouden worden met een mogelijke bonus en de toegekende aandelenopties. Betreffende de bonus benadrukt mevrouw V. op pagina 39 van haar syntheseberoepsconclusie dat het bedrag van de toe te kennen bonus jaarlijks na het afsluiten van het boekjaar eind juni werd besproken met elke werknemer afzonderlijk tijdens een evaluatiegesprek. In de arbeidsovereenkomst of enig ander bijkomend stuk is geen enkele regeling omtrent een bonus opgenomen; de afwezigheid van een uitdrukkelijke regeling wordt overigens ter zitting bevestigd. Mevrouw V. blijft dan ook in gebreke om een contractueel recht op een jaarlijks terugkerende bonus aan te tonen. Terecht heeft de eerste rechter dan ook geen rekening gehouden met een eventuele bonus en voor zover mevrouw V. in graad van hoger beroep dienaangaande een nieuwe vordering instelt in betaling van een bonus of in een schadevergoeding wegens het niet vastleggen van de criteria voor een bonusplan, dient deze nieuwe vordering eveneens ongegrond te worden verklaard. Wat de aandelenopties betreft wordt aan de werknemer een kans op winst verleend die met betrekking tot de hem verschuldigde opzeggingsvergoeding kan beschouwd worden als een voordeel verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, maar de eventuele winst die de werknemer realiseert bij het lichten van de optie of de latere verkoop, is uitsluitend het gevolg van de fluctuaties van de aandelenkoersen en van zijn hoedanigheid van aandeelhouder, zodat ze niet het gevolg is van de ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, noch een voordeel verworven krachtens de arbeidsovereenkomst ( Cass., 4 februari 2002, R.W. 2002 -03, 422 met noot M. De Vos, Aandelenopties en opzeggingsvergoeding; vgl. Cass., 20 oktober 2008, www.juridat.be). Mevrouw V. toont dan ook niet aan dat zij bij de toekenning van de aandelenopties een zeker voordeel bekwam, verworven krachtens haar arbeidsovereenkomst. Het jaarloon kan derhalve worden becijferd als volgt : basisloon euro 2.092,94 x 13,92 = euro 29.133,72 groepsverzekering euro 726,03 x 12 = euro 8.712,36 voordelen euro 89,60 x 12 = euro 1.075,20 totaal euro 38.921,28 Mits een juiste evaluatie te geven aan dit basisloon, aan de anciënniteit, aan de leeftijd en aan de functie kan de kans van mevrouw V. om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden worden geraamd op 19 maanden. De haar toekomende opzeggingsvergoeding begroot zich dan ook op euro 38.921,28 x 19/12 = euro 61.625,
  17. Wat de intresten betreft, werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 door de wetgever bekrachtigd via de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008). Hieruit volgt dat de intresten op het toegekende bedrag slechts kunnen berekend worden op het nettobedrag, daar het ontslag dateert van 6 september 2004, zijnde voor 1 juli
  18. In die mate is het hoger beroep gegrond
  19. De uitwinningsvergoeding. Om aanspraak te kunnen maken op een uitwinningsvergoeding, moet mevrouw V. handelsvertegenwoordiger zijn. Hierover bestaat tussen partijen betwisting. In artikel 4 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt de activiteit van een handelsvertegenwoordiger omschreven als volgt : " De arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiger is de overeenkomst waarbij een werknemer, de handelsvertegenwoordiger, zich verbindt tegen loon cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken, verzekeringen uitgezonderd, onder het gezag, voor rekening en in naam van een of meer opdrachtgevers ". De vertegenwoordigingsactiviteit dient in hoofdzaak te worden uitgeoefend, wat volgt uit artikel 88 van de arbeidsovereenkomstenwet : Op de bepalingen van deze titel kan zich alleen beroepen de handelsvertegenwoordiger die in dienst wordt genomen om op bestendige wijze zijn beroep uit te oefenen, zelfs indien hij door zijn werkgever wordt belast met bijkomstig werk dat van andere aard is dan de handelsvertegenwoordiging. Dat voordeel wordt... niet verleend aan de bediende die er af en toe mede wordt belast, samen met zijn arbeid binnen de onderneming, stappen te doen bij de cliëntèle. Degene die zich op het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiger beroept, moet zijn hoedanigheid bewijzen (Arbh. Antwerpen, 13 februari 2004, J.T.T. 2004, 361 met een omstandige analyse van de parlementaire voorbereiding in verband met de bewijslast en P. Leclercq, Het statuut van de handelsvertegenwoordiger, Kluwer,Sociale Praktijkstudies, 2006, 19); de bediende wiens activiteiten zowel commerciële als andere aspecten vertoont, maar die niet bewijst welke van beide aspecten doorslaggevend is, kan zich niet beroepen op de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger (Arbh. Brussel, 27 januari 2004, A. R. 39.550). Mevrouw V. brengt onder haar stuk 32 een functiebeschrijving voor. Hieruit blijkt dat zij in de verkooppunten instaat voor een goede kwaliteitsomgeving en zichtbaarheid van het merk Clinique en dat zij de marketing en het succes van het merk opvolgt en er verslag over uitbrengt. Een van de middelen is het geven van opleiding aan de verkoopsteams en hierbij wordt melding gemaakt van Het goede voorbeeld geven in het verkoopspunt door, indien nodig, te assisteren bij de verkoop (onze onderlijning). Hieruit volgt dat zij slechts af en toe belast wordt met verkoopsactiviteiten en dat ze niet in hoofdzaak en op bestendige wijze de functie van handelsvertegenwoordiger diende uit te oefenen. Op goede gronden heeft de eerste rechter dan ook dit onderdeel van de vordering afgewezen en het incidenteel beroep is op dit punt ongegrond.
  20. De schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht. Ten onrechte houdt mevrouw V. voor dat, mede gelet op haar anciënniteit, haar ontslag een represaillemaatregel inhield en dus met rechtsmisbruik gepaard ging. Uit de bespreking van de dringende reden volgt dat zij zelf op een overdreven wijze gereageerd heeft en dat ze zelf een aandeel heeft in de feiten die geleid hebben tot haar ontslag. De opzeggingsvergoeding heeft een forfaitair karakter en dekt de volledige schade die door het ontslag werd veroorzaakt, zowel de materiële als de morele schade ( Cass., 7 mei 2001, J.T.T. 2001, 410). Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, m.a.w. voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden (Cass., 26 september 2005, Soc. Kron. 2006,69). Mevrouw V. toont niet aan dat zij dergelijke bijkomende schade zou geleden hebben ingevolge met het ontslag gepaard gaande omstandigheden. Ook op dit punt is het incidenteel beroep ongegrond
  21. De kosten van het gerechtsdeurwaardersexploot. Terecht heeft de eerste rechter vastgesteld dat deze kosten niet noodzakelijk waren om de rechten van mevrouw V. te vrijwaren, zodat ze niet aan de N.V. Estée Lauder Cosmetics kunnen worden ten laste gelegd. Ook op dit punt is het incidenteel beroep ongegrond. 2.5 Gerechtskosten.. Wat betreft de gerechtskosten, is er geen reden om omwille van de financiële draagkracht van partijen af te wijken van het basisbedrag rechtsplegingsvergoeding. Wel dienen bij toepassing van artikel 1017, 3° Ger. Wb. de gerechtskosten in hoger beroep te worden omgeslagen, daar beide partijen gedeeltelijk in het gelijk/ongelijk zijn gesteld (cfr. B. DE CONINCK en JF VAN DROOGENBROECK, Indemnité de procédure et répartition des dépens, J.T. 2008, 581-584). OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart zowel het hoger beroep als het incidenteel beroep ontvankelijk en verklaart het principaal hoger beroep gedeeltelijk gegrond en het incidenteel beroep ongegrond, Verklaart de uitbreiding van de vordering van mevrouw V. in betaling van een bonus of een schadevergoeding, hieraan gelijk, ontvankelijk doch ongegrond; Hervormt het bestreden vonnis in de zin dat de toegekende opzeggingsvergoeding wordt herleid tot euro 61.625,36, te vermeerderen met de wettelijke intresten en met de gerechtelijke intresten op het overeenstemmende nettobedrag; Bevestigt het vonnis voor het overige, Compenseert de gerechtskosten van het hoger beroep in de zin dat mevrouw V. veroordeeld wordt tot betaling van 1/3 van deze kosten en de N.V. Estéee Lauder Cosmetics tot 2/3 ervan, deze aan de zijde van mevrouw V. begroot op euro 6.000 en door het arbeidshof herleid tot euro 3000 en aan de zijde van de N.V. begroot op euro
  22. Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De heer Ch. LAURIERS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer J. DE DECKER, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, Ch. LAURIERS. J. DE DECKER Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 februari 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090206.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.