← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090213.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 13 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090213.5 Rolnummer: 49.985 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-03-04 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 19:12 Fiche De periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, om welke reden ook, moeten in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de anciënniteit bij de begroting van de opzeggingsvergoeding; dit geldt dus evenzeer voor conventionele schorsingsperiodes. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Opzeggingstermijn - Anciënniteit - Schorsing. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82,§3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 FEBRUARI

  1. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Heropening der debatten In de zaak: Mevrouw D.M. A., wonende te [xxx], Appellante, vertegenwoordigd door Mevrouw C. Boehlen, syndicaal afgevaardigde, drager van volmacht; Tegen : DE V.Z.W. HEJMEN, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3000 Leuven, Halfmaartstraat, 10, met ondernemingsnummer 0426.383.987, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter K. Vandersmissen loco Mter J. De Rieck, advocaat te 3000 Leuven; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven (1ste kamer B) op de openbare terechtzitting van 8 februari 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 27 juni 2007; - de besluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 23 november 2007; - de bundel met stukken van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 25 november 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 16 januari 2009; appellante partij legde een bundel neer, waarna de debatten gesloten werden.
  2. FEITEN EN RECHTSPLEGING. Bij geschreven arbeidsovereenkomst van 1 september 1992 wordt mevrouw Ann D.M. met ingang van 1 maart 1993 door de V.Z.W. Hejmen aangeworven voor onbepaalde tijd als directrice van een gehandicapteninstelling. Op de raad van beheer van 29 september 1998 wordt aan mevrouw D.M. de mogelijkheid gegeven om bij het opnemen van een politiek mandaat gedurende 3 jaar onbetaald verlof te nemen, waarna ze een keuze dient te maken of ze verder tewerkgesteld wil blijven bij de V.Z.W. Hejmen. Op de raad van bestuur van de V.Z.W. van 20 juni 1999 vraagt mevrouw D.M. of er een mogelijkheid is om de termijn van 3 jaar onbetaald verlof te verlengen tot 5 jaar, daar zij met ingang van oktober 1999 in aanmerking zou kunnen komen voor het invullen van een politiek mandaat. Na bespreking wordt op de raad van bestuur van 5 juli 1999 beslist dat zij onbetaald verlof voor 1 jaar kan bekomen, waarna zij na het verstrijken van dat jaar dient te beslissen of zij terugkomt naar de V.Z.W. of haar volledige periode van 5 jaar opneemt; op deze manier wil de V.Z.W. naar een vervanging zoeken voor 1 jaar met mogelijkheid tot verlenging tot 5 jaar. Bij brief van 26 september 2000 aan de V.Z.W. laat mevrouw D.M. weten dat zij na het eerste jaar het onbetaald verlof haar vraag verlengt tot 30 september
  3. Op 23 maart 2004 beslist de raad van bestuur van de V.Z.W. dat bij het einde van het verlof zonder wedde op 30 september 2004 de arbeidsovereenkomst van mevrouw D.M. niet zal worden verdergezet en zal worden beëindigd volgens de wettelijke regels en dat de functie van coördinator verder zal worden ingevuld door mevrouw Nathalie Brack. Op 23 april 2004 formuleert het personeel opmerkingen op deze beslissing van de raad van bestuur omdat een mogelijk ontslag van mevrouw D.M. ingaat tegen de geest van de vroegere afspraken en omdat de financiële gevolgen onvoldoende werden in rekening gebracht. Ook enkele bestuurders lijken het moeilijk gehad te hebben met deze beslissing, want ze zullen om die reden ontslag nemen. Bij brief van 21 mei 2004 laat de V.Z.W. aan mevrouw D.M. de inhoud van de beslissing van de raad van bestuur van 23 maart 2004 kennen en vraagt zij naar een voorstel van financiële afhandeling. Bij brief van 20 juni 2004 laat mevrouw D.M. aan de V.Z.W. weten dat zij een opzeggingsvergoeding voorstelt van minimaal 13 maanden te vermeerderen met een forfaitaire schadevergoeding van 6 maanden wegens haar bescherming omwille van een politiek mandaat. Volgens de uitleg van partijen verbreekt de V.Z.W. Hejmen op 28 september 2004 de arbeidsovereenkomst van mevrouw D.M. met ingang van 1 oktober 2004 en met een opzeggingsvergoeding van 9 maanden (De ontslagbrief (stuk 7) ontbreekt in het stukkenbundel van de V.Z.W.). De tussenkomst van de raadsman van de V.Z.W. en van de vakorganisatie leidt niet tot een oplossing en op 14 februari 2005 dagvaardt mevrouw D.M. de V.Z.W. Hejmen voor de arbeidsrechtbank te Leuven in betaling van : - een aanvullende opzeggingsvergoeding van 4 maanden of euro 13.850,96, - een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht van 6 maanden of euro 20.776,44, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten - en in afgifte van de sociale en fiscale documenten. Bij vonnis van 8 februari 2007 van de arbeidsrechtbank te Leuven wordt de vordering ongegrond verklaard en wordt mevrouw D.M. veroordeeld tot de gerechtskosten. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 27 juni 2007, tekent mevrouw D.M. hoger beroep aan wat betreft de afwijzing van de bijkomende opzeggingsvergoeding ( euro 13.850,96); zij berust in het vonnis wat betreft het niet toekennen van de vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht.
  4. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). Partijen hebben discussie over de anciënniteit en het loon. Mevrouw D.M. bekijkt de anciënniteit en het loon vanuit de ontslagdatum, terwijl de V.Z.W. de periode van verlof zonder wedde niet in aanmerking neemt en deze elementen dus bekijkt vanaf de datum van 30 september
  5. De periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, om welke reden ook, moeten echter in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de anciënniteit ( Cass., 28 juni 1982, Arr. Cass. 1981-1982, 1384); dit geldt dus evenzeer voor conventionele schorsingsperiodes. De anciënniteit liep dan ook van 1 maart 1993 tot 28 september 2004, zijnde 11 jaar en 7 maanden. Het jaarloon dat in aanmerking dient te worden genomen voor het bepalen van de opzeggingstermijn met toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet is datgene waarop de werknemer recht heeft op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag ( Cass., 26 april 1993, J.T.T. 1993, 260 met noot; Cass., 3 februari 2003, J.T.T. 2003, 262). De V.Z.W. brengt onder haar stuk 8 het baremaloon voor geldig op 1 juni 1999 en ze leidt hieruit af dat het jaarloon euro 37.621,61 bedraagt. Mevrouw D.M. verwijst naar een jaarloon van euro 48.201,34 zonder rechtvaardigende stukken voor te brengen, waaruit zou kunnen blijken dat dit het jaarloon is dat op 28 september 2004 gold en hoe dit werd berekend. Ook de ontslagbrief van 28 september 2004 ontbreekt in het stukkenbundel van de V.Z.W. Het past dan ook de debatten te heropenen teneinde partijen toe te laten deze stukken voor te brengen en hierop gebeurlijk hun opmerkingen te formuleren. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en alvorens verder ten gronde te beslissen beveelt de heropening der debatten teneinde partijen toe te laten de ontbrekende stukken voor te leggen. Zegt dat appellante haar gebeurlijke opmerkingen dient neer te leggen uiterlijk op 20 maart 2009; Zegt dat geïntimeerde hierop eventueel kan repliceren met antwoordconclusies neer te leggen uiterlijk op 20 april 2009; Zegt dat de zaak opnieuw in beraad zal genomen worden op 21 april 2009 en dat arrest zal gewezen worden op 15 mei
  6. Houdt de kosten aan. Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De heer E. VAN LAER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer H. ENGELEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, E. VAN LAER. H. ENGELEN. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 13 februari 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090213.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.