id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 19 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090219.1 Rolnummer: 46.268 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-03-04 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 19:14 Fiche 1 Het voordeel van de verder betaling van de groepsverzekeringspremies na het einde van de dienstbetrekking tot de leeftijd van 60 jaar werd toegekend ingevolge de dienstbetrekking en ingevolge de arbeid van de werknemer zonder dat het als dusdanig verbonden was met de maandelijkse prestaties die tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst werden geleverd. Of betaling plaatsvindt voor het begin van uitvoering, tijdens de uitvoering, tijdens een arbeidsonderbreking of na de beëindiging, is op zichzelf niet bepalend voor de aan- of afwezigheid van loon, daar het tijdstip van betaling geen constitutief bestanddeel van het loonbegrip is. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Loonbegrip Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - BESCHERMING VAN HET LOON - Loonbegrip. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Gerangschikt onder III H art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder V E II (Wet 30/06/1967), art. 6 en K.B. 6/07/1967, art.
- Fiche 2 Door artikel 6 van de sluitingswet van 30 juni 1967 heeft de Koning de bevoegdheid gekregen om maximumbedragen vast te stellen voor de betaling van krachtens deze wet verschuldigde vergoedingen, maar deze maximumbedragen gelden dan ook enkel in zoverre de Koning van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Wanneer geen specifiek maximumbedrag werd vastgesteld, is enkel het maximumbedrag, vermeld in artikel 7 alinea 4 ( euro 22.310,42) van toepassing. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Sluitingsvergoeding Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - SLUITING VAN ONDERNEMING - GEWAARBORGDE BETALING VAN LONEN EN VERGOEDINGEN - Maximumbedragen. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1967 - 6 - 01 ELI link Pub nr 1967063005 Koninklijk Besluit - 06-07-1967 - 7 - 01 Link Justel databank 19670706-01 Nota: Gerangschikt onder V E II (Wet 30/06/1967), art. 6 en K.B. 6/07/1967, art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder III H art.
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES MAART TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Sluiting van ondernemingen Tegensprekelijk Heropening der debatten In de zaak: V. H., wonende te [xxx], appellant, vertegenwoordigd door Mr. N. Thoelen loco Mr. A. Witters, advocaat te 2600 Antwerpen, Tegen: FONDS TOT VERGOEDING VAN DE IN GEVAL VAN SLUITING VAN ONDERNEMINGEN ONTSLAGEN WERKNEMERS, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. D. Abbeloos, advocaat te 9200 Dendermonde, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 11 maart 2002; het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 21 januari 2005 ; de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 20 december 2007, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. DE FEITEN EN RECHTSPLEGING Appellant zet uiteen dat hij op 1 november 1961 in dienst trad van de N.V. Em. D'Hooge. Zijn arbeidsovereenkomst werd op 26 mei 1989 beëindigd wegens economische redenen met een opzeg van 18 maanden ingaande op 1 juni
- Deze opzeggingstermijn werd in onderling akkoord ingekort tot 31 december 1989 om appellant toe te laten vanaf 1 januari 1990 met brugpensioen te gaan. Deze mogelijkheid was voorzien in de C.A.O.-brugpensioen bedienden afgesloten in de schoot van de N.V. Em. D'Hooge op 27 april
- Appellant beroept zich op een tweede C.A.O. afgesloten in de schoot van de N.V. Em. D'Hooge op 27 april 1998 waarvan hij een kopie voorlegt. Ingevolge het enig artikel van deze C.A.O. (afgesloten tussen de N.V. Em. D'Hooge, de Landelijke Bediendencentrale, de Bond van Bedienden, Technici en Kaders van België en medeondertekend door de werknemersafgevaardigden H. Claes, W. De Neve, P. Bal en R. Stevenlinck) werd overeengekomen dat voor de bedienden die afgedankt werden met het oog op brugpensioen in uitvoering van de C.A.O. van 27 april 1988, de werkgever zowel de werkgevers- als het werknemersaandeel voor de groepsverzekering verder zal storten aan de groepsverzekeringsmaatschappij en dit tot de leeftijd waarop ... de mannelijke bediende 60 jaar wordt. Het bedrag van voornoemd werkgevers- en werknemersaandeel is gelijk aan het bedrag dat gestort werd voor de laatste maand dat de betrokken bedienden effectieve prestaties leverden. Na sluiting van de N.V. Em. D'Hooge ingevolge faillissement kwam geïntimeerde tussen in de betaling van de aanvullende vergoeding brugpensioen die aan appellant diende uitgekeerd te worden. Appellant vorderde echter eveneens de tussenkomst van geïntimeerde in de betaling van de groepsverzekering op grond van de C.A.O. van 27 april 1988 voor een totaal bedrag van 2.384.640,- fr. of 59.113 EURO (vgl. Formulier BC 901 A van 13 maart 1992). Op 24 november 1994 liet geïntimeerde aan appellant weten geen gevolg te kunnen verlenen aan deze aanvraag. Met dagvaardingsexploot van 20 januari 1995 vorderde appellant dat het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers zou veroordeeld worden tot betaling in zijn voordeel van de werkgevers- en werknemerspremies voor de groepsverzekering aan de groepsverzekeringsmaatschappij Royale Belge N.V., verbintenis die de inmiddels gefailleerde N.V. Em. D'Hooge op zich had genomen ten voordele van de werknemers van de onderneming in een ondernemings-C.A.O. die afgesloten werd op 27 april
- Na een tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel twintigste kamer van 25 september 1998 oordeelde de eerste rechter in het eindvonnis van 11 maart 2002 dat het sluitingsfonds enkel gehouden is tot het waarborgen van verplichtingen opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst, die voldoet aan de vormvereisten van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, door de eerste rechter genoemd een "volwaardige collectieve arbeidsovereenkomst" . Op grond van enerzijds het feit dat de neerlegging van de ondernemings-C.A.O. van 27 april 1998 in zake de storting van premies aan de groepsverzekering niet onbetwistbaar kon worden aangetoond en anderzijds het feit dat het sluitingsfonds geen partij was bij deze overeenkomst, oordeelde de eerste rechter dat het Fonds de in de collectieve arbeidsovereenkomst vervatte voordelen voor de werknemers niet ten laste diende te nemen. De eerste rechter verklaarde de vordering van appellant op die basis ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde het Fonds tot de kosten van het geding. Appellant tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis met verzoekschrift ontvangen op de griffie van het Arbeidshof te Brussel op 21 januari
- Het blijkt niet dat het vonnis aan appellant werd betekend of aan hem werd ter kennis gebracht bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 792, 2de lid Gerechtelijk Wetboek. Het beroep werd dus tijdig ingesteld en is dus ontvankelijk. II. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN Geïntimeerde stelt dat de C.A.O. van 27 april 1988, waarop appellant zich beroept, hem niet tegenstelbaar zou zijn, omdat zij niet neergelegd werd bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, zoals voorgeschreven door artikel 18 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. Geïntimeerde stelt tevens dat de C.A.O. van 27 april 1988 geen vaste datum heeft (vgl. artikel 1328 B.W.), nu zij in tegenstelling tot de C.A.O. brugpensioen-bedienden van dezelfde datum niet neergelegd werd bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, waarop appellant dan weer repliceert dat geen enkele wettelijke bepaling voorschrijft dat de verplichtingen aangegaan door de werkgever een vaste datum zouden moeten hebben, opdat het sluitingsfonds de naleving ervan zou waarborgen. Appellant meent tevens dat ook collectieve arbeidsovereenkomsten, die niet werden neergelegd, rechtsgeldig kunnen zijn en gevolgen kunnen meebrengen en dat de C.A.O. van 27 april 1988 betreffende de storting van premies aan de groepsverzekering rechtsgeldig is, zodat geïntimeerde ingevolge de bewoordingen van artikel 2 § 1 en § 2 van de wet van 30 juni 1967 dient tussen te komen, van zodra een werkgever de geldelijke verplichtingen niet nakomt, die voortvloeien uit een rechtsgeldige C.A.O. In ondergeschikte orde tenslotte laat appellant gelden dat de premies aan de groepsverzekering loon uitmaken in de zin van de wet van 30 juni 1967 en dat geïntimeerde derhalve gehouden is tot tussenkomst overeenkomstig artikel 2 § 1, 1e van de wet van 30 juni 1967, waarin voorzien is dat het sluitingsfonds de lonen dient te betalen die verschuldigd zijn krachtens de individuele overeenkomst. III.BEOORDELING Artikel 2 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers bepaalt: " Artikel 2 § 1 Wanneer bij sluiting van een onderneming in de zin van de artikelen 2 en 2 bis van voornoemd wet van 28 juni 1966, de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werknemers niet nakomt, dient het Fonds hun te betalen : 1.de lonen verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten ; 2.de vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten.". In het formulier BC 901 van 13 maart 1992, vraagt appellant de betaling van de premies groeps-verzekering ingevolge de C.A.O. van 27 april 1988 (stuk 13 A van appellant) Verder stelt appellant dat de premies groepsverzekering door zijn werkgever niet meer werden betaald sedert 1 november 1989 en dat hij zelf met ingang van 1 november 1989 de groepsverzekering heeft verder gezet en de premies heeft betaald. Derhalve werd de C.A.O. van 27 april 1988 door de werkgever ten uitvoer gelegd sedert de datum van afsluiting ervan tot 1 november
- III.1 IN HOEVERRE GELDT EEN NIET NEERGELEGDE C.A.O.? Geïntimeerde trekt weliswaar de datum van het afsluiten van deze C.A.O. in twijfel en dit omwille van de niet neerlegging bij het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling, maar wanneer de werkgever de verplichting, die uit deze C.A.O. volgt, heeft uitgevoerd, dan toont deze uitvoering aan dat de werkgever deze verplichting alleszins op zich had genomen (vgl. conclusie Openbaar Ministerie bij Cassatie 20 april 1977; R.W. 1977 - 78, 1871, zoals opgenomen in W. Van Eechoutte, De grote arresten van het Hof van Cassatie in sociale zaken, Maklu 1996, pag. 171). In het advies van het Auditoraat-generaal wordt terecht gesteld dat een collectieve arbeidsovereenkomst die niet neergelegd is op de Dienst collectieve arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid (thans FOD WASO), niettemin verbindend is voor degenen, die dergelijke overeenkomsten hebben afgesloten en terecht wordt hier verwezen naar het Cassatiearrest van 30 mei 1988, Pas. 1988 I, 1168, A.C. 1987 - 88, 595 met conclusie van het Openbaar Ministerie; zie ook W. Van Eeckhoutte De grote arresten... nr. 5, pag. 35 en volgende. In de conclusie van advocaat-generaal H. Lenaerts bij dit cassatiearrest wordt uitgelegd dat de neerlegging een substantiële vormvereiste is, waarvan de inachtneming onontbeerlijk is voor het wettelijk bestaan van de C.A.O.; maar niettemin verwijst de advocaat-generaal eveneens naar het feit dat in dat geval de binding van een dergelijke C.A.O. kan volgen uit de voorschriften van het verbintenissenrecht, zonder dat men hiervoor een beroep dient te doen op de wettelijke regeling van de C.A.O.-wet, die vooral tot doel heeft deze verbintenis uit te breiden tot derden. Het opzet van de C.A.O.-wet is immers nooit geweest bijkomende en afwijkende regels te stellen ten aanzien van de partijen, die de C.A.O. hebben aangegaan, want voor hen is zij als zodanig verbindend; hierbij kan worden teruggegaan naar de rechtspraak die gold voor de wet van 5 december 1968, die ook toepassing maakte van de gemeenrechtelijke regels in verband met de overeenkomst. De advocaat-generaal maakt hierbij wel de opmerking dat de bodemrechter te ver ging, wanneer hij oordeelde dat de niet neergelegde C.A.O. verbindend was voor de "rechtstreeks hierbij betrokken organisaties en personen, opgesomd in artikel 19, 1ste en 4de van de C.A.O.-wet" (zie W. Van Eeckhoutte, De grote arresten... pag. 36 -37). In zijn noot onder dit Cassatiearrest stelt Wantiez dan ook terecht dat de niet neergelegde overeenkomst geen wettelijk bestaan erga omnes heeft en maakt hij een onderscheid naargelang de niet neergelegde C.A.O. buiten dan wel binnen een paritair orgaan werd gesloten (noot C. Wantiez Convention collectieve - depot, J.T.T. 1988, 353). Wat betreft een C.A.O. gesloten buiten een paritair orgaan, zoals in casu, maakt Wantiez een onderscheid tussen niet georganiseerde werknemers of werknemers aangesloten bij een niet ondertekenende representatieve werknemersorganisatie, op wie men artikel 19, 4de van de C.A.O.-wet niet kan toepassen, enerzijds en werknemers aangesloten bij een representatieve organisatie, die de C.A.O. mede heeft ondertekend, anderzijds. Op de laatste categorie is de niet neergelegde C.A.O. van toepassing, ook in zijn normatieve bepalingen, omdat het afsluiten van een C.A.O. begrepen is in het mandaat van de vakorganisatie (zie in dezelfde zin C.A.O.-recht, Afdeling 2 Vormvereiste, §4 Neerlegging C.A.O. - 3.2/14 en 15.) Maar, ongeacht dit onderscheid, kan in beide gevallen de niet neergelegde C.A.O. toegepast worden, wanneer de al dan niet georganiseerde werknemers deze stilzwijgend hebben aanvaard. Dit laatste is hier het geval, omdat precies door de uitbetaling van de patronale premies door de werkgever en het beroep op deze betaling door de heer V. (zie zijn stuk 7: brief 24 januari 1997) er geen twijfel kan over bestaan dat alleszins de C.A.O. door beide partijen aanvaard is. Met het cassatiearrest van 30 mei 1988 moet worden aanvaard dat er dan een binding ontstaat van deze niet neergelegde C.A.O., weliswaar niet op basis van de C.A.O.-wet, wel op basis van de algemene bepalingen van het verbintenissenrecht. III.2 MOET HET FONDS TUSSENKOMEN? In artikel 2, par. 1 van de wet van 30 juni 1967 wordt in verband met de betaalplicht van het Fonds een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de lonen verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten en anderzijds vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten. Waar we uit het cassatiearrest van 30 mei 1988 onthouden dat de binding van een niet neergelegde C.A.O. niet volgt uit de wet op de collectieve arbeidsovereenkomsten, moeten we verder nagegaan of de premies groepsverzekering lonen zijn verschuldigd krachtens de individuele arbeidsovereenkomst. Het arrest van het Hof van Cassatie van 6 december 2004,(J.T.T. 2005, 138 met noot, Pas. 2004 I, 1918; R.W. 2005 -2006, 548), toont het belang aan van het onderscheid tussen loon krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst en vergoedingen en voordelen krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten. Vergoedingen, die volgen uit een individuele arbeidsovereenkomst, kan men niet als loon beschouwen in de zin van artikel 2 van de wet van 30 juni 1967; enkel de vergoedingen en voordelen die krachtens de wet of een C.A.O. verschuldigd zijn worden in aanmerking genomen voor artikel 2 § 1, 2de van de sluitingswet van 30 juni
- Maar tevens heeft het Hof van Cassatie in het arrest van 4 februari 2002 (Arr. Cass. 2002, 370; AJT 2001-02, 1033 met noot Monserez, J.T.T. 2002, 121 met noot Wantiez) aangetoond dat geldsommen die aan derden worden uitbetaald door de werkgever als premies voor een groepsverzekering deel uitmaken zowel van het loon in de zin van de loonbeschermingswet als van het enge loonbegrip krachtens de arbeidsovereenkomstenwet in de zin van tegenprestatie voor verrichte arbeid. Omdat deze lonen als tegenprestatie van arbeid verschuldigd zijn krachtens de individuele arbeidsovereenkomst, zijn deze premies ook loon in de zin van artikel 2, par. 1, 1e van de wet van 30 juni 1967; Gelet op het bestaan van deze individuele overeenkomst moet niet meer worden nagegaan of appellant of het Fonds een derde is bij de niet neergelegde C.A.O. Terecht onderlijnt appellant dat wanneer de voorwaarden van artikel 2 van de wet van 30 juni 1967 vervuld zijn, het Fonds gehouden is tot tussenkomst en vervolgens bij toepassing van artikel 8 van de wet van 30 juni 1967 van rechtswege in de plaats treedt in de rechten en vorderingen van de werknemer tegenover de werkgever-schuldenaar. Ten overvloede kan hierbij worden opgemerkt dat het artikel 3 van het koninklijk besluit van 6 mei 1985 hier niet van toepassing is, omdat de vordering van appellant geen betrekking heeft op de betaling van een aanvullende vergoeding brugpensioen, waarover in de onderneming overigens een afzonderlijke C.A.O. werd gesloten op 27 april 1988, die wel werd neergelegd (zie stuk 1A en 1C van appellant) De betaling van de premies groepsverzekering werd omschreven in de niet neergelegde C.A.O. van 27 april 1988 en zoals hierboven besproken, hebben de partijen bij de arbeidsovereenkomst deze regeling aanvaard. Evenmin kan het Fonds een argument vinden in de rechtspraak met betrekking tot de betaling van de patronale en werknemersbijdragen in verband met de sociale zekerheid. Artikel 2 § 1 stelt enkel als voorwaarde voor de tussenkomst van het Fonds dat de werkgever een geldelijke verplichting tegenover zijn werknemers niet nakomt en dit is hier het geval in verband met de bijdragen groepsverzekering. Ten onrechte wil het Fonds deze bepaling lezen alsof dit enkel zo zou zijn, wanneer het gaat om geldelijke verplichtingen die de werkgever rechtstreeks aan de werknemer dient te betalen. Artikel 2, § 1 slaat op alle verplichtingen die vermeld zijn in ten 1ste en ten 2de. Wanneer artikel 2, § 1 stelt dat het Fonds hun dient te betalen dan moet dit gelezen worden in de zin van artikel 1239 B.W., dat voorschrijft dat een betaling zowel aan de schuldeiser zelf kan gebeuren als aan iemand die volmacht van hem heeft of die door de rechter of door de wet gemachtigd is om voor hem te ontvangen. Uit de algemene voorwaarden (meer bepaald II. 3) van het groepsverzekeringscontract, dat door de heer V. op 23 februari 1968 mede ondertekend werd als verzekerde (zie stuk 8 van hemzelf), volgt dat de premie betaalbaar is aan de verzekeringsmaatschappij, zodat een dergelijke betaling voldoet aan de vereisten van artikel 1239 B.W. en het Fonds dan ook het loon bestaande uit deze premie aan hem betaalt, al is het dan via degene die volmacht van hem heeft. Aldus kan de betaling van de premie op grond van artikel 2 van de wet van 30 juni 1967 wel degelijk ten voordele van de werknemer gebeuren bij de verzekeringsmaatschappij (vgl. Arbeidsrechtbank Brussel 17 juni 1996, Soc. Kron. 2001, 316 + noot, bevestigd door het Arbeidshof Brussel op 10 februari 2002). III.3 IN HOEVERRE MOET HET FONDS TUSSENKOMEN? Terecht merkt het Openbaar Ministerie op dat het gevorderde bedrag (59.113,68 EURO) hoger ligt dan het maximumbedrag van de betalingen te verrichten door het Fonds bepaald in artikel 7 van het koninklijk besluit van 6 juli 1967 (22.310,42 EURO). In het formulier BC 901 vroeg appellant naast de premies groepsverzekering ook betaling van intresten ingevolge een overeenkomst en het is dus niet duidelijk of er naast de premies groepsverzekering nog een andere betaling door geïntimeerde gebeurde, zodat niet kan worden nagegaan of het maximumbedrag reeds gedeeltelijk werd benut. Bovendien vordert appellant intresten, maar in de door appellant aangehaalde rechtspraak, met name het vonnis van de Arbeidsrechtbank Brussel 17 juni 1996 wordt omstandig uitgelegd waarom geen wettelijke, verwijl- of gerechtelijke intresten verschuldigd zijn, wanneer de werknemer een loonelement wenst te zien uitbetalen aan een groepsverzekerings-maatschappij. Partijen dienen hierover verdere toelichting te verstrekken. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik vande talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk eensluidend advies van de heer André, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 10 januari 2008; Gelet op de replieken van beide partijen neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 1 februari 2008; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en principieel gegrond Doch alvorens verder te beslissen, heropent de debatten teneinde de partijen nader te zien besluiten omtrent het maximumbedrag van de betalingen te verrichten door het Fonds en omtrent de gebeurlijk verschuldigde intresten; Stelt de heropening der debatten op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van dit Hof op 23 oktober 2008 te veertien uur dertig, te 1000 Brussel, Poelaertplein 3, zaal 0.
- Houdt de kosten Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zes maart tweeduizend en acht. Waar aanwezig waren : De heer L. LENAERTS, Raadsheer de heer G. JACOBS, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer D. REGA, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER L. LENAERTS D. REGA G. JACOBS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090219.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div