← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090226.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090226.10 Rolnummer: 50.189 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-02-17 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 19:17 Fiche 1 Na heropening van de debatten is het geding beperkt tot hetgeen het voorwerp van de heropening van de debatten heeft uitgemaakt. Er kunnen geen nieuwe vorderingen meer wordt ingesteld. Evenmin kunnen nieuwe stukken voorgelegd worden, tenzij de voorlegging van deze stukken het voorwerp uitmaakte van de heropening van de debatten. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van het debat Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Heropening der debatten - Nieuwe stukken - Gerechtelijk Wetboek, artikel

  1. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 775 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Gerangschikt onder I A art.
  2. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I A artt. 702, 3° en
  3. Fiches 2 - 3 Ten einde te voldoen aan de vereisten van artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek dient de dagvaarding een feitelijke uiteenzetting in te houden (het is dat wat bedoeld wordt door' korte samenvatting van de middelen van de vordering'), die de gedaagde toelaat met zekerheid (en zonder te moeten gissen) te begrijpen waarop de eisende partij (de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid) zich steunt om de betaling van bijdragen te vorderen. Aan deze vereiste wordt niet tegemoet gekomen wanneer de eiser in de loop van de procedure stukken meedeelt die de gedaagde toelaten de feitelijke grondslag van de vordering te kennen. Artikel 702, 3° voorziet immers uitdrukkelijk dat de middelen van de vordering in de dagvaarding zelf moeten vermeld worden. De schending van de bepaling van artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek leidt slechts tot nietigheid indien de verweerder door de schending benadeeld wordt. Dit is het geval wanneer de stukken waarop de dagvaarding steunt, en die de verweerder verder kunnen informeren over het precieze voorwerp van de vordering, met een zo grote vertraging worden neergelegd dat de verweerder niet meer in staat is om een afdoend verweer te organiseren. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Belangenschade Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Ontvankelijkheidsvoorwaarden van de dagvaarding - Nietigheid - Obscuri libelli - Belangenschade - Gerechtelijk Wetboek, artikel 702,3°. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 702,3° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Gerangschikt onder I A art. 702, 3°. Eveneens gerangschikt onder I A art.
  4. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I A art.
  5. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Ontvankelijkheidsvoorwaarden van de dagvaarding - Nietigheid - Obscuri libelli - Belangenschade - Gerechtelijk Wetboek, artikel
  6. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 861 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Gerangschikt onder I A art.
  7. Eveneens gerangschikt onder I A art. 702, 3°. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I A art.
  8. Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER socialezekerheidsbijdragen werkgever op tegenspraak definitief In de zaak : V.G. , wonende te [xxx], appellant, vertegenwoordigd door meester E. Van Gaver , advocaat te Antwerpen, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester I. Lysen loco meester J. Mommaerts, advocaat te Leuven * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het hof neemt kennis van de volgende procedurestukken: Gelet op het tussenarrest van deze kamer van 22 mei 2008 (waarnaar verwezen wordt voor de bespreking van de procedurestukken, de uiteenzetting van de feiten en het voorwerp van de betwisting tot dit tussenarrest), waarbij het hoger beroep van de heer V.G. ontvankelijk werd verklaard en, vooraleer recht te doen ten gronde, de heropening van de debatten bevolen werd ten einde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten zijn stukken, met een gedetailleerde inventaris, neer te leggen ter griffie; Gelet op de neerlegging ter griffie van de stukken van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de daarbij gevoegde inventaris en gelet op de stukken van de heer V.G. Gelet op de besluiten van de partijen na tussenarrest; Gehoord partijen ter zitting van 29 januari 2009, waarna de zaak in beraad wordt genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * * DE NEERLEGGING DER STUKKEN EN DE PROCEDURE NA TUSSENARREST.
  9. De heer V.G. houdt voor dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn dossier niet heeft neergelegd binnen de termijn voorzien door het tussenarrest. Het tussenarrest beval de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn dossier met inventaris neer te leggen uiterlijk binnen de maand na de uitspraak van het arrest. Uit de ontvangststempel, afgeleverd door de griffie aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, blijkt dat de stukken van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ter griffie ontvangen werden op 20 juni 2008, d.i. binnen de maand na de uitspraak van het arrest. De exceptie van de heer V.G. kan aldus niet aanvaard worden.
  10. De besluiten van de heer V.G. werden niet neergelegd vóór 1 september 2008, zoals voorzien door het tussenarrest. Ter zitting verklaart de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid echter dat hij geen bezwaar heeft tegen het behoud van deze besluiten in de debatten.
  11. De heer V.G. stelt verder dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ten onrechte andere stukken heeft neergelegd dan deze die voorzien waren door het tussenarrest. Bij de behandeling van de zaak op 24 april 2008 was, zoals blijkt uit het tussenarrest, betwisting gerezen over de vraag of de op dat ogenblik door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid neergelegde stukken, overeenstemden met de stukken die aan appellant werden voorgelegd. Deze betwisting was mogelijk omdat, zowel voor de arbeidsrechtbank als voor het arbeidshof, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als stuk verwezen had naar "het administratief dossier". Het arbeidshof oordeelde in zijn tussenarrest dat het voor het hof onmogelijk was uit te maken of de neergelegde stukken al dan niet overeenstemden met de oorspronkelijke inventaris. Het hof beval daarom de heropening van de debatten en vroeg aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn dossier opnieuw neer te leggen samen met een inventaris. Het voorwerp van de heropening van de debatten was aldus in feite het opstellen van de inventaris van de stukken, die neergelegd waren en een verder debat over deze stukken. Overeenkomstig artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt de rechter, indien de heropening van de debatten bevolen wordt, de dag en het uur waarop de verschenen partijen ‘over het door hem bepaalde onderwerp' zullen gehoord worden. Daaruit volgt dat, na de heropening der debatten, tussen de partijen enkel debat kan worden gevoerd over het door de rechter bepaalde onderwerp (Cass. 23.12.1976, Arr. Cass. 1977, 462). Daaruit volgt eveneens dat, na heropening van de debatten, geen nieuwe vorderingen meer kunnen worden gesteld en dat bestaande vorderingen, die buiten het aangewezen onderwerp vallen, niet kunnen worden uitgebreid of gewijzigd (Cass. 23.10.2003,Pas. 2003, I, 1729). Om dezelfde reden kan niet aanvaard worden dat, na heropening van de debatten, andere stukken worden neergelegd dan degenen die het voorwerp uitmaakten van de debatten vóór de heropening van de debatten, behoudens de hypothese dat die voorlegging precies bevolen zou zijn. Uit de inventaris van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid blijkt dat de stukken 48 tot en met 86 bijkomende stukken zijn, die niet vóór het arrest tot heropening van de debatten aan de tegenpartij werd in medegedeeld. Deze stukken dienen dan ook uit de debatten geweerd te worden.
  12. De heer V.G. herneemt verder de exceptie, die hij voor het tussenarrest had opgeworpen, dat ook de stukken opgenomen onder nr.1 tot 47 van de inventaris, of althans een gedeelte ervan, niet mogen neergelegd worden, omdat zij niet, zoals vereist door artikel 740 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laatste tegelijk met de conclusies werden overgelegd. Volgens de heer V.G. kunnen alleen de stukken waarnaar uitdrukkelijke verwezen wordt in de inventaris, gehecht aan de conclusies, voor de arbeidsrechtbank neergelegd worden. De heer V.G. verwijst daarbij naar een cassatiearrest van 6 september 2002 (Arr.Cass. 2002, 1733) In het tussenarrest van 22 mei 2008 heeft het hof geoordeeld dat geen gebruik kon gemaakt worden van stukken die niet vooraf aan de wederpartij waren medegedeeld en dat, in afwachting, de rechtspleging diende geschorst worden. Het arbeidshof oordeelde verder dat het noodzakelijk was om de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten het dossier, met volledige inventaris neer te leggen, en dat partijen in de gelegenheid moesten gesteld worden om te concluderen over deze stukken. Het hof heeft aldus geoordeeld dat de stukken, zoals die werden neergelegd vóór het tussenarrest, in het debat konden behouden worden, mits daarvan een behoorlijk inventaris werd opgesteld en de heer V.G. de mogelijkheid had om over deze stukken te besluiten. Het hof is gebonden door deze beslissing van het tussenarrest en kan daar in geen enkel geval op teruggekomen. De rechtsmacht van het hof over dit geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen die openstaan tegen het tussenarrest. Ten overvloede dient daaraan toegevoegd te worden dat de bepaling van artikel 740 van het Gerechtelijk Wetboek uiteraard niet belet dat in een verder stadium van de procedure, of in graad van beroep, nieuwe stukken worden voorgelegd op voorwaarde dat deze zijn opgenomen in een bijkomende inventaris en samen met de nieuwe besluiten, zijn voorgelegd. Het Cassatiearrest van 6 september 2002 heeft op dit punt niet de draagwijdte die de heer V.G. eraan wil geven. BEOORDELING.
  13. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vorderingen.
  14. De heer V.G. voert, zoals voor de eerste rechter, aan dat de dagvaardingen, die zich ertoe beperkten te verwijzen naar een bijgevoegd rekeninguittreksel, nietig zijn omdat zij niet, zoals vereist door artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek een korte samenvatting van de middelen van de vordering inhielden. De eerste rechter was van oordeel dat de uitgebrachte dagvaardingen(en) wel als rechtsgeldig diende beschouwd te worden omdat uit de code, die vermeld werden op het rekeninguittreksel, bleek dat de vordering steunde op een eigen aangifte van de heer V.G.. De rechtbank oordeelde dat op die manier de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de middelen van de vordering voldoende uiteengezet had en dat, mede op basis van het dossier, de heer V.G. een voldoende kennis had van hetgeen van hem gevorderd werd, en van de grondslag van deze vordering. De heer V.G. stelt daartegenover dat, in tegenstelling met hetgeen door de eerste rechter werd aangenomen, de vordering geenszins steunde op een eigen aangifte maar wel op een ambtshalve onderwerping. De heer V.G. voegt daaraan toe dat, op basis van de stukken zoals die voorgelegd werden voor de arbeidsrechtbank, hij onmogelijk kon vaststellen op welke feitelijke elementen de dagvaardingen gesteund waren. De heer V.G. stelt verder dat de mededeling van de stukken ook volstrekt laattijdig gebeurde, op een ogenblik dat hij niet meer in staat was om een volledige verweer te voeren tegen de vordering.
  15. De heer V.G. toont thans aan, op basis van briefwisseling van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat, in tegenstelling met hetgeen de eerste rechter oordeelde, de vorderingen niet steunden op een eigen aangifte, maar wel hun grondslag vonden in een ambtshalve onderwerping. Met de eerste rechter kan aangenomen worden dat, wanneer het gaat om een vordering die steunt op een eigen aangifte van de werkgever, de dagvaarding zich kan beperken tot een verwijzing naar een (aangehecht) rekeninguittreksel, dat het kwartaal vermeld waarop de vordering betrekking heeft, dat het bedrag van de bijdragen, bijdrageopslagen en intresten per kwartaal vermeld en dat bovendien, door de verwijzing naar een aantal codes (kengetallen) een aanwijzing inhoudt van de aard van de gevorderde bijdragen. Wanneer de vordering steunt op een ambtshalve aanslag is de situatie echter verschillend. In dat geval dient de dagvaarding, ten einde te voldoen aan de vereisten van artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek een feitelijke uiteenzetting in te houden (het is dat wat bedoeld wordt door " korte samenvatting van de middelen van de vordering"), die de gedaagde toelaat met zekerheid ( en zonder te moeten gissen) te begrijpen waarop de eisende partij zich steunt om de betaling van bijdragen te vorderen. Aan deze vereiste wordt niet tegemoet gekomen wanneer de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in de loop van de procedure stukken meedeelt die de gedaagde toelaten de feitelijke grondslag van de vordering te kennen. Artikel 702, 3° voorziet immers uitdrukkelijk dat de middelen van de vordering in de dagvaarding zelf moeten vermeld worden ( cfr. Arbsh. Antwerpen, 14.12.2004, A.R. 203567; St. Gilson, " À propos des décisions et citations de l'ONSS : « Exeptio obscuri libelli, ..., Soc. Kron. 2004, 513). De oorspronkelijke dagvaardingen zijn dan ook principieel nietig overeenkomstig artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek.
  16. Overeenkomstig artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter echter een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid, de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. De heer V.G. voert in dit verband aan, zonder tegengesproken te worden dat, alhoewel de oorspronkelijke dagvaardingen uitgebracht werden in het jaar 1992, de stukken door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid slechts medegedeeld werden in de loop van het jaar 2004, hetzij 12 jaar na de dagvaardingen. De heer V.G. voegt daaraan toe dat deze stukken niet werden medegedeeld met een duidelijk inventaris en dat deze stukken hem niet toelieten te begrijpen welke de feitelijke grondslag was van de vorderingen. Het hof is van oordeel dat in deze de heer V.G. wel degelijk in zijn belangen geschaad werd door de niet vermelding van de feitelijke grondslag van de vordering in de dagvaardingen. De mededeling van de stukken, 12 jaar na de inleiding van de vordering, en 14 tot 15 jaar na de periode waarop de vordering betrekking hebben, liet de heer V.G. niet meer toe zich op een behoorlijke wijze te verdedigen tegen de vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Zoveel jaren na de feiten was het niet meer mogelijk voor de heer V.G. om nog alle nuttige de stukken terug te vinden, die hij nodig had voor zijn verweer en om eventueel getuigen op te roepen, die zijn verweer konden staven. De heer V.G. was verder geschaad door de omstandigheid dat de laattijdig medegedeelde stukken zelfs niet eens vergezeld waren van een gedetailleerde inventaris, zodanig dat het thans niet meer mogelijk is uit te maken welke stukken in eerste aanleg werden medegedeeld, en welke stukken in de loop van de beroepsprocedure eventueel aan dat dossier werden toegevoegd. Indien in de beroepsprocedure nieuwe stukken werden neergelegd, heeft de heer V.G. bovendien niet de gelegenheid gehad om tenvolle gebruik te maken van de dubbele aanleg,die door het Gerechtelijk Wetboek voorzien is. Het verweer van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, dat de heer V.G. zelf de procedure had kunnen benaarstigen en mee verantwoordelijk is voor te schade die hij opgelopen heeft, kan in de concrete omstandigheden van de zaak niet aanvaard worden. Overeenkomstig artikel 736, al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek dient de eiser de overlegging van zijn stukken te doen binnen de 8 dagen na de inleiding van de zaak. Het is slechts na de mededeling van de stukken dat, overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het van toepassing was op het ogenblik van het inleiden van de vordering, de termijn voor de heer V.G. om te besluiten, begon te lopen. Het kwam niet aan de heer V.G., die geconfronteerd werd met nietige dagvaardingen, toe om initiatieven te nemen die er toe moesten leiden de nietigheid van de dagvaardingen zonder uitwerking te laten. Het verweer van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de heer V.G., op grond van de briefwisseling die gevoerd werd voor de inleiding van de zaak, perfect wist waarop de vordering steunde, kan evenmin aanvaard worden. De berichten van wijziging van bijdragen die zich (thans) in het dossier bevinden vermelden enkel: "ambtshalve regularisatie overeenkomstig artikel 22 van de wet van 27/06/1969 ingevolge het verslag van onze controleur. Globale aangifte mogelijk ingevolge artikel 22 van de wet van 27/06/1969, ingevoegd door artikel 19 van de programmawet van 06/07/1989". De heer V.G. toont dan ook voldoende aan dat hij in zijn belangen geschaad werd, zodanig dat de vorderingen, ingeleid door de dagvaardingen van 2 december 1991 en 15 januari 1992, als onontvankelijk dienen afgewezen te worden.
  17. Ten gronde : (ten overvloede). Ten overvloede dient vastgesteld te worden dat op basis van de voorgelegde stukken, waarvan het hof kennis kon nemen, de vorderingen als onvoldoende bewezen dienen beschouwd te worden. Tussen de neergelegde stukken bevindt zich geen enkel onderzoeksrapport dat toelaat na te gaan op welke basis tot regularisatie werd overgegaan. De voorgelegde stukken met vermelding " boekhoudraam" en "personeelsstaat"vermelden nergens de naam van de betrokken werknemer, maar vermelden integendeel dat de namen van de werknemers onbekend zijn. De voorgelegde stukken " personeelsoverzicht," die in de inventaris aangeduid worden met verwijzing naar een voornaam, bevatten enkel een voornaam en bevatten voor het overige geen enkel gegeven dat toelaat na te gaan over welke personen het precies gaat en onder welke voorwaarden deze personen door de heer V.G. zouden zijn tewerkgesteld. Door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan dienaangaande ter zitting ook geen enkele toelichting gegeven worden. Verder laat het dossier niet toe om na te gaan op welke basis de bijdragen berekend werden. Op basis van bepaalde documenten in het dossier kan vastgesteld worden dat het om een " globale bijdrage" gaat zoals voorzien in art. 22 van de wet van 27 juni
  18. Deze bepaling laat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe om, wanneer er geen aangifte gedaan is, het bedrag van de verschuldigde bijdragen vast te stellen "aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens". Echter laat niets in het dossier toe welke de voorhanden zijnde gegevens zijn geweest waarop de bijdragen werden berekend.
  19. De tegeneis van de heer V.G..
  20. De heer V.G. had voor de eerste rechter een tegeneis ingediend tot het bekomen van een schadevergoeding van 7.500,00 euro wegens het tergend en roekeloos karakter van de procedure. De eerste rechter heeft deze schadevergoeding afgewezen. De heer V.G. heeft ook tegen dit onderdeel van het vonnis hoger beroep aangetekend en heeft in graad van beroep, het bedrag ervan verhoogd tot 22.500,00 euro . De heer V.G. verrechtvaardigt zijn vordering door het feit dat de procedures hem heel wat "nodeloos hoofdbrekens" hebben gekost en een zeer grote periode van onzekerheid met zich hebben meegebracht.
  21. Het hof is van oordeel dat de heer V.G. in ieder geval niet de schade aantoont die hij geleden heeft ingevolge het inleiden van de procedure. Bovendien is die schade mede het gevolg is van zijn eigen stilzitten. De heer V.G. had de mogelijkheid, op het ogenblik van het inleiden van de procedure, onmiddellijk besluiten neer te leggen, waarin de nietigheid van de dagvaardingen werd opgeworpen evenals de niet mededeling van de stukken. Aldus had hij zichzelf heel wat "nodeloos hoofdbreken" kunnen besparen. Integendeel heeft de heer V.G. ook zelf de zaken op zijn beloop gelaten.
  22. De kosten van de procedure. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dient veroordeeld te worden tot de kosten van beide aanleggen. Vermits het bedrag van de betwisting zich situeert tussen de 100.000,01 euro en 250.000,00 euro bedraagt het bedrag van rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep 5.000,00 euro , en niet 10.000,00 euro zoals, zonder verdere motivering, gevorderd wordt door de heer V.G.. Dit bedrag dekt het geheel van de kosten van tussenkomst van de raadsman: in de nieuwe wettelijke regeling is geen bijkomende rechtsplegingsvergoeding voorzien voor de heropening der debatten. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24 Rechtsprekende op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en verklaart de vorderingen, ingeleid bij dagvaardingen van 2 december 1991 en 15 januari 1992, onontvankelijk. Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de heer V.G. afwijst van zijn tegenvordering. Veroordeelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoofde van de heer V.G. op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 156,44 euro als kosten van de dagvaarding in hoger beroep en 5.000,00 euro als rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; J.-M. Boulogne, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; H. Silon, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven H. Silon J.-M. Boulogne En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel op zesentwintig februari tweeduizend en negen door : F. Kenis raadsheer Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090226.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.