id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090226.4 Rolnummer: 50.077 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-05-05 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 19:17 Fiche De term 'uitdiensttreding' die gebruikt wordt in art. 129, 2e van het K.B. van 25 november 1991 dat de categorieën opsomt van werknemers die dienen te voldoen aan bijkomende voorwaarden en modaliteiten, bepaald door de Minister, om een anciënniteitstoeslag te kunnen genieten, dient begrepen te worden als 'ontslag', term die gebruikt wordt in de Franstalige versie van het artikel. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Berekening uitkering - Andere uitkeringen Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - anciënniteitstoeslag Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 129, 2e - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. 580, 2° Ger. W. werkloosheidsuitkering op tegenspraak definitief In de zaak : RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, vertegenwoordigd door meester P. Quadflieg loco meester E. De Bock, advocaat te Vilvoorde, tegen : T. D., geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester V. Stroobants loco meester H. Ketsman, advocaat te Brussel, * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de twintigste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 29 juni 2007 en ter kennis gebracht van de partijen bij gerechtsbrief van 9 juli 2007 overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek; -het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 19 juli 2007; -de conclusies voor de heer T., neergelegd ter griffie op 10 oktober 2007 en op 20 februari 2008 -de conclusies voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, neergelegd ter griffie op 5 februari 2008, De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 18 december
- Het openbaar ministerie heeft zijn schriftelijk advies op 6 januari 2009 ter griffie neergelegd. Partijen hadden de mogelijkheid om tot 30 januari 2009 een repliek op dit advies ter griffie neer te leggen. De heer T. legde op 27 januari 2009 een repliek neer ter griffie. Op 31 januari 2009 werd de zaak van rechtswege in beraad genomen om uitspraak te doen op heden. * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- De heer T., geboren op ... 1948, werd op 3 juli 2003, dus op de leeftijd van 55 jaar, door zijn werkgever ontslagen in het raam van een herstructurering. Hij had op dat ogenblik een anciënniteit van ca. 35 jaar. In de overeenkomst, afgesloten met zijn werkgever, werd een opzeggingstermijn voorzien van 21 maanden, die hij echter niet effectief diende te presteren en die liep van 1 augustus 2003 tot 30 april
- Na afloop van de opzeggingstermijn ontving hij een zogenaamde "Canada Dry" brugpensioenregeling, gefinancierd door zijn werkgever.
- Op 3 mei 2005 heeft de heer T. een werkloosheidsuitkering aangevraagd, die hem werd toegekend. Via het formulier C 22, betekend aan de uitbetalingsinstelling op 28 april 2006, heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de heer T. ter kennis gebracht dat hij vanaf 3 mei 2006 geen aanspraak kon maken op de anciënniteitstoeslag, voorzien door artikel 126 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 betreffende de werkloosheidsreglementering.
- De heer T. heeft tegen deze beslissing beroep aangetekend bij de arbeidsrechtbank te Brussel. Bij vonnis van 29 juni 2007 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel zijn beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing vernietigd en voor recht gezegd dat de heer T. aanspraak kon maken op de anciënniteittoeslag vanaf 3 mei
- Bij verzoekschrift van 19 juli 2007 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het werd ingediend binnen de maand na de uitspraak van het vonnis van de arbeidsrechtbank (en dus binnen de maand van de kennisgeving van dit vonnis), en is aldus tijdig. III. BEOORDELING.
- De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening steunt zijn weigering om aan de heer T. een anciënniteitstoeslag uit te keren blijkbaar op twee gronden. De eerste grond, die vermeld wordt in het administratief dossier, is dat de heer T. niet voldeed aan de voorwaarde gesteld door art. 126, 8° van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991, te weten dat, alhoewel hij aan de voorwaarden voldeed om te kunnen genieten van een conventioneel brugpensioen, hij dit brugpensioen zou geweigerd hebben of er afstand van zou gedaan hebben. De tweede grond, die verder wordt ontwikkeld in besluiten, is dat de heer T. niet zou voldoen aan de bijkomende voorwaarden gesteld door artikel 129 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 en door artikel 74 van het Ministerieel Besluit van 26 november 1991, genomen in uitvoering van artikel 129 van het Koninklijk Besluit van 25 november
- De heer T. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Hij stelt dat, op het ogenblik van zijn ontslag (opzegging), hij de leeftijd om recht te hebben op brugpensioen nog niet bereikt had en dat hij bijgevolg dit brugpensioen niet kon geweigerd hebben of er afstand van kon gedaan hebben. Hij stelt verder dat hij ook beantwoordt aan de voorwaarden gesteld door artikel 129 van het Koninklijk Besluit, en met name aan de voorwaarden gesteld door art. 129,3°, zoals verder uitgevoerd door artikel 75 van het Ministerieel Besluit van 26 november
- Overeenkomst artikel 126 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 wordt het basisbedrag van de werkloosheidsuitkering, bedoeld in artikel 114 van hetzelfde besluit, verhoogd met een anciënniteitstoeslag indien de werkloze aan een aantal cumulatieve voorwaarden voldoet. Niet betwist wordt dat de heer T. voldeed aan de voorwaarden 1 tot 7 van dit artikel. Enkel aan de orde is de vraag of voldaan is aan de 8° en laatste voorwaarde, met name dat de werkloze, terwijl hij aan de voorwaarden voldeed om aanspraak te maken op brugpensioen dit brugpensioen niet mag geweigerd hebben, noch afstand gedaan hebben van de aanvullende vergoeding. Op het ogenblik dat de heer T. ontslagen werd, d.i. op 3 juli 2003, voldeed hij niet aan de leeftijdvoorwaarde die gesteld werd door de toepasselijke C.A.O. van 25 april 2001, afgesloten binnen het Paritair Comité 218, om aanspraak te maken op een brugpensioen. Deze leeftijdsvoorwaarde was immers gesteld op 58 jaar. Ook bij het verstrijken van de opzeggingstermijn had de heer T. de brugpensioenleeftijd nog niet bereikt: hij was toen is 57 jaar oud. Bijgevolg, en zoals terecht geoordeeld werd door de eerste rechter, kon de heer T. het brugpensioen niet geweigerd hebben, noch afstand gedaan hebben van de aanvullende vergoeding.. In artikel 3.1 van de " Kaderovereenkomst ter omkadering van het einde van de loopbaan" die de heer T. op 4 augustus 2003 ondertekende, wordt overigens uitdrukkelijk bevestigd dat de zogenaamde "Canadra Dry" brugpensioenregeling slechts werd toegekend omdat de heer T. niet beantwoordde aan de voorwaarden om te genieten van het conventioneel brugpensioen, zoals georganiseerd binnen het Paritair Comité nummer
- De stelling van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat de heer T. afgezien heeft van het conventioneel brugpensioen, door de overeenkomst die hem aangeboden was door de werkgever te aanvaarden, kan niet gevolgd worden. In hoofde van de heer T. bestond geenszins de keuzevrijheid om deze overeenkomst niet te ondertekenen en daardoor in dienst te blijven van zijn werkgever. In de inleidende uiteenzetting op de overeenkomst wordt immers uitdrukkelijk gesteld dat "partijen de wens (geuit) hebben het einde van de loopbaan van de bediende binnen de vennootschap te organiseren teneinde de tewerkstelling van de bediende niet louter en onmiddellijk te beëindigen". De heer T. voldeed dus aan al de voorwaarden van art. 126 van het Koninklijk Besluit om aanspraak te kunnen maken op een anciënniteitstoeslag.
- Volgens artikel 129 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 bepaalt de Minister, na advies van het Beheerscomité, onder welke bijkomende voorwaarden en modaliteiten, bepaalde categorieën van werknemers, die verder worden opgesomd en die voldoen aan de voorwaarden van artikel 126, kunnen genieten van een anciënniteitbijslag. De draagwijdte van deze bepaling is dus het recht op de anciënniteitbijslag, voor sommige categorieën van personen, aan bijkomende beperkingen te onderwerpen. Die categorieën zijn o.m.: 1° de werknemer die, op de datum van uitdiensttreding, de leeftijd van 58 jaar bereikt heeft; 2° de werknemer die, op de datum van uitdiensttreding, de minimum brugpensioenleeftijd, voorzien in de C.A.O. die geldt voor de onderneming voor de categorie van werknemers waartoe hij behoort, verminderd met twee jaar, bereikt heeft, voor zover hij op deze minimumleeftijd aan de anciënniteitsvereiste voor het brugpensioen zou voldoen; 3° de werknemer die geniet van een aanvullende vergoeding in het kader van een stelsel van begeleidingsmaatregelen, in geval van volledige werkloosheid; Artikel 129 bepaalt verder dat de Minister, na advies van het Beheerscomité, bepaalt wat moet worden verstaan onder een stelsel van begeleidingsmaatregelen. De Minister heeft in de artikelen 74 en 75 van het Ministerieel Besluit van 26 november 1991, heeft uitvoering gegeven aan artikel
- Het artikel 74 heeft betrekking op de werknemers bedoeld in artikel 129,1° en 2° van het Koninklijk Besluit. Het voorziet o.m. dat, om aanspraak te kunnen maken op een anciënniteitstoeslag, deze werknemers moeten voldoen aan één van de volgende voorwaarden: minder dan 55 jaar oud zijn bij de uitdiensttreding, minder dan vijf jaar in dienst zijn, deeltijdse werknemer zijn, tewerkgesteld zijn in een (erkende) onderneming in moeilijkheden, of werkloos geworden zijn tengevolge van het faillissement van de werkgever. Het artikel 75 bepaalt in zijn eerste lid wat dient verstaan te worden onder ‘een stelsel van begeleidingsmaatregelen', zoals bedoeld in artikel 129, 3°. Het gaat om ieder stelsel waarbij door de werkgever een vergoeding wordt verleend ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering. Het artikel 75 voegt daaraan, in een tweede lid, toe dat de werknemer die geniet van een stelsel van begeleidingsmaatregelen, kan genieten van een anciënniteittoeslag.
- De stelling van de heer T. dat, hij alleen moet voldoen aan de voorwaarden opgelegd door artikel 75, vermits hij een werknemer is die bedoeld wordt door art. 129,3 kan niet gevolgd worden. De werknemer die geniet van een stelsel van begeleidingsmaatregelen, kan tegelijkertijd een werknemer zijn, bedoeld door art. 129, 1° en 2° van het Koninklijk Besluit. Indien dat het geval is dient hij, om aanspraak te maken op de anciënniteittoeslag, eveneens te beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld door artikel 74 van het Ministerieel Besluit (Cass. 226.11.2007, niet uitgegeven; Arbh. Brussel, 28.02.2008, A.R. 50024, Juridat, http://jure.juridat.just.fgov.be). De vraag is echter of de heer T. inderdaad valt onder de toepassing van artikel 129, 1° of 2°. van het Koninklijk Besluit. Hij valt zeker niet onder de toepassing van artikel 129,1° omdat hij noch op het ogenblik van zijn ontslag, noch op het ogenblik van zijn uitdiensttreding, de leeftijd van 58 jaar bereikt had. De vraag of hij onder toepassing van artikel 129,2° valt is echter delicater. Wanneer men steunt op de Nederlandstalige tekst van artikel 129, 1° dan valt de heer T., onder voorbehoud van hetgeen verder gesteld wordt, onder de toepassing van deze bepaling. Op het ogenblik dat de opzeggingstermijn beëindigd werd, was hij immers 57 jaar oud, en dus minder dan 2 jaar beneden de leeftijdsgrens, die door de toepasselijke C.A.O. op 58 jaar gesteld is. Zoals echter reeds opgemerkt in het arrest van dit hof van 28 februari 2008, (hierboven reeds vermeld) is de Nederlandse tekst van artikel 129, 2° verschillend van de Franstalige tekst. In de Franstalige tekst is sprake van ‘la date de son licenciement', wat betekent ‘de dag van het ontslag'. Met de term "ontslag" of ‘licenciement" wordt bedoeld de handeling waarbij een partij aan de andere partij ter kennis brengt dat zij besloten heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen (Cass.14.10.2002, J.T.T.2003, 109 - term ontslag en Cass. 14.05.1975, J.T. 1976, 206 - term licenciement). Krachtens art. 7 van de Wet van 31 mei 1961 op het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, het bekendmaken en inwerkingtreding van wetten en verordeningen, worden verschillen tussen de Nederlandse en de Franse tekst opgelost naar de wil van de wetgever, die bepaald wordt volgens de gewone interpretatieregels en zonder dat aan de ene tekst de voorkeur wordt gegeven boven de andere. Bij het onderzoek naar de wil van de wetgever dient in de eerste plaats vastgesteld te worden dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in zijn eigen documentatie (opgenomen in het administratief dossier, het woord "ontslag" gebruikt i.p.v. "uitdiensttreding" ("Anciënniteitstoeslag: schema 2": Leeftijdgroep 56 of 57 jaar bij ontslag"). In de tweede plaats kan moeilijk begrepen worden waarom, voor de toekenning van de anciënniteitstoeslag, een verschil zou gemaakt worden tussen de werknemers naargelang het ontslag onmiddellijk gebeurt, met betaling van een vervangende opzeggingsvergoeding of naargelang het ontslag gebeurt met inachtneming van een opzeggingstermijn. In het eerste geval zouden de betrokken werknemers niet onder de beperkende regel van artikel 129, 2° vallen, in het tweede geval wel, terwijl de vergoeding die beiden geniet voor hun ontslag dezelfde is. Bij twijfel dient een wettelijke regel zo geïnterpreteerd te worden dat hij geen discriminatie creëert tussen twee categorieën van ontslagen werknemers (art. 10 en 11 van de Grondwet). Het hof is dan ook van mening dat de Franstalige term "licenciement" de bedoeling van de wetgever weergeeft en dan ook in aanmerking moet genomen worden. Op het ogenblik van zijn ontslag was de heer T. slechts 55 jaar oud en viel hij aldus niet onder toepassing van art. 129, 2°. Daaraan dient, voor wat betreft de voorliggende zaak, toegevoegd worden dat, indien volgens de tekst van de overeenkomst, de arbeidsovereenkomst in stand gehouden bleef voor de duur van de opzeggingstermijn, de heer T. deze opzeggingstermijn niet heeft moeten presteren, zodat hij in feite "uit dienst" getreden is op het ogenblik van zijn ontslag.
- Het vonnis van de eerste rechter dient op deze basis bevestigd te worden. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat- generaal, neergelegd ter griffie op 6 januari
- Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de kosten van het hoger beroep overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, begroot op 145,78 euro. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; K. Gacoms, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven K. Gacoms I. Van Damme En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel op zesentwintig februari tweeduizend en negen door : F. Kenis raadsheer Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090226.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div