← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090227.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 27 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090227.1 Rolnummer: 48.495 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-03-04 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-02 19:17 Fiche Wanneer een werkgever een exploitatiezetel heeft in het Nederlandse taalgebied, kan de overeenkomst tot vaststelling van de opzeggingstermijnen, bedoeld in artikel 82 § 5 van de arbeidsovereenkomstenwet niet afgeleid worden uit Engelstalige correspondentie of uit onderhandelingen die ook in het Engels zijn gevoerd. Dergelijke akten en individuele sociale contacten zijn nietig; deze absolute nietigheid brengt mee dat zij geldt ex tune en dat het document geacht wordt niet te hebben bestaan; hieruit volgt dat de rechter geen rekening mag houden met de inhoud ervan, inzonderheid niet met de wilsuitdrukking. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Taalgebruik in sociale zaken Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - DECRETEN - Vlaamse Gemeenschap - Decreet tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers (Taaldecreet 19/07/1973) - Nietigheid. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 19-07-1973 - 10 - 01 ELI link Pub nr 1973071902 Nota: Gerangschikt onder I F A (Decreet Vl. Gem. 19/07/1973), art.

  1. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 27 FEBRUARI
  2. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer R. Marc, thans wonende te [xxx], Appellant geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter L. Sempels, advocaat te 2230 Ramsel; Tegen : DE N.V. UNIPART, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3300 Tienen, Soldatenplein Zone 2, Industriepark, 33, met als ondernemingsnummer 0424.742.313, in haar hoedanigheid van rechtsopvolger van het Belgisch filiaal van PARTCO LTD, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter G. Decraemere loco Mter J. De Roo, advocaat te 3001 Leuven-Heverlee; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven (1ste kamer B) op 9 maart 2006; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 6 april 2006; - de besluiten, synthesebesluiten en vervangende synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 12 september 2006, 27 juni 2008 en 22 oktober 2008; - de besluiten en synthesebesluiten voor appellante neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 6 juni 2007 en 29 augustus 2008; - de bundel met stukken van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 22 oktober 2008; - de bundel met stukken van appellante neergelegd ter griffie op 24 december 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de buitengewone openbare terechtzitting van 30 januari 2009, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x
  3. FEITEN EN RECHTSPLEGING. De heer Marc R. kwam op 19 maart 2001 in dienst van het toenmalige Partco Ltd, thans N.V. Unipart in de functie van business manager. Deze aanwerving werd voorafgegaan door Engelstalige briefwisseling en e-mail correspondentie, die het gevolg was van Engelstalige onderhandelingen met de werkgever. Bij zijn stuk 2 brengt de N.V. een niet ondertekende en onbegrijpelijke zogenaamde Nederlandstalige versie voor van wat een arbeidsovereenkomst zou kunnen zijn en deze werd als bijlage gevoegd bij een e-mail van 10 augustus
  4. Op 22 augustus 2003 beëindigde de werkgever in een Nederlandstalige aangetekende brief de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 3 maanden, ingaande op 1 september
  5. Bij aangetekend schrijven van 27 augustus 2003 liet de heer R. weten dat hij niet akkoord ging met de voorgestelde opzeggingsperiode en hij stelde 7 maanden voor. Bij antwoordschrijven van 2 september 2003 liet de werkgever weten dat de opzeggingstermijn van 3 maanden overeenkwam met wat afgesproken was bij de zgn. ondertekening van de arbeidsovereenkomst. Partijen kwamen hierbij niet tot overeenstemming en op 25 november 2004 dagvaardde de heer R. zijn werkgever voor de arbeidsrechtbank te Leuven in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van 4 maanden of euro 24.242,44 , te vermeerderen met intresten en kosten. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Leuven van 9 maart 2006 werd deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard ten belope van euro 6.196, meer intresten op netto en afgifte sociale en fiscale documenten plus de kosten; de werkgever had een tegenvordering ingesteld wegens tergend en roekeloos geding, die in de motivering ongegrond werd bevonden maar die niet werd opgenomen in het beschikkend gedeelte van het vonnis. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 6 april 2006, tekende de heer R. hoger beroep aan en vroeg de hervorming van het vonnis in zoverre de eerste rechter slechts rekening had gehouden met een totale opzeggingstermijn van 4 maanden en hij hernam zijn oorspronkelijke vordering tot het bekomen van een totale opzeggingstermijn van 7 maanden of een aanvullende opzeggingsvergoeding van 4 maanden, die werd herbecijferd tot euro 24.784, te vermeerderen met interesten op netto en kosten. De N.V. Unipart tekende incidenteel beroep aan en vroeg de afwijzing van de oorspronkelijke vordering; er is geen incidenteel beroep in verband met de oorspronkelijke tegenvordering.
  6. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. 2.
  7. Artikel 82 §5 arbeidsovereenkomstenwet. De N.V. Unipart houdt voor dat de opzeggingstermijn van de heer R. vooraf kon bepaald worden op 3 maanden ingevolge artikel 82 §5 arbeidsovereenkomstenwet. Dit artikel luidt als volgt : Wanneer het jaarlijks loon euro 32.200 overschrijdt op het ogenblik van de indiensttreding, mogen de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijnen, in afwijking van §3 ook vastgesteld worden bij overeenkomst, gesloten ten laatste op dat ogenblik. De opzeggingstermijnen mogen in elk geval niet korter zijn dan de in §2, eerste en tweede lid, vastgestelde termijnen. Bij ontstentenis van een overeenkomst blijven de bepalingen van §3 van toepassing. ... Niet betwist wordt dat het jaarloon van de heer R. de grens, vermeld in artikel 82 §5 , in 2003 gebracht op euro 51.842, overschrijdt. Wel is er discussie tussen partijen of er een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de in acht te nemen opzeggingstermijnen, die ten laatste gesloten werd op het ogenblik van de indiensttreding. Alleszins kan dergelijke overeenkomst niet volgen uit de Engelstalige correspondentie tussen partijen, daar deze nietig is ingevolge artikel 10 van het taaldecreet van 19 juli 1973; deze nietigheid dient ambtshalve door de rechter te worden vastgesteld, maar de nietigverklaring kan geen nadeel berokkenen aan de werknemer. Ingevolge artikel 5 van het taaldecreet worden alle wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de werkgever in het Nederlands gesteld; ingevolge de artikelen 2 en 3 is de te gebruiken taal voor sociale betrekkingen tussen de werkgever en zijn werknemers, alsmede voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden, het Nederlands. De sociale betrekkingen omvatten zowel de mondelinge als schriftelijke individuele en collectieve contacten tussen de werkgevers en de werknemers, die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de tewerkstelling. Aldus voldoet de Engelstalige correspondentie niet aan deze bepalingen en dient ze ambtshalve nietig te worden verklaard. Hetzelfde geldt voor de handelingen die in strijd met het taaldecreet zijn gesteld, wat hier van belang is in verband met de aan de e-mail correspondentie voorafgaande onderhandelingen, die eveneens in het Engels plaatsvonden, zoals bleek ter zitting. Er is dan ook geen reden om hierover een getuigenverhoor te laten plaatsvinden, temeer daar enkel de partijen zelf bij deze onderhandelingen betrokken waren. Deze absolute nietigheid brengt mee dat zij geldt ex tunc en dat het document geacht wordt niet te hebben bestaan (Cassatie, 31 januari 1978, T.S.R. 1978, 329); hieruit volgt dat de rechter geen rekening mag houden met de inhoud ervan, inzonderheid niet met de wilsuitdrukking (Cassatie, 9 juni 1980, R.W. 1980-1981, 1737). Deze nietigheid raakt dus zowel de akte als de wilsuiting, die erin vervat ligt (Arbeidshof Gent, 19 maart 2003, Soc. Kron. 2004, 450). In die omstandigheden bestond er geen op het ogenblik van de indiensttreding vastgestelde overeenkomst, waarbij de opzeggingstermijnen zou zijn vastgesteld met inachtneming van de minimumtermijn. Voor zover als nodig, kan worden opgemerkt dat de onbegrijpelijke niet ondertekende Nederlandstalige tekst, gevoegd bij de e-mail van 10 augustus 2001, alleszins geen overeenkomst is die tot stand kwam ten laatste op het ogenblik van de indiensttreding. Hieruit volgt dat de opzeggingstermijnen moeten worden vastgesteld op grond van artikel 82 §3 van de arbeidsovereenkomstenwet. 2.
  8. De opzeggingsvergoeding. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). De partij die de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder inachtneming van de normale opzeggingstermijn, is gehouden aan de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van het resterend gedeelte van de opzeggingstermijn; deze opzeggingsvergoeding behelst niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst. De reden waarom bij de bepaling van de opzeggingstermijn rekening moet worden gehouden met de belangen van beide partijen wordt toegelicht in de conclusie van advocaat - generaal H. Lenaerts bij Cass., 19 januari 1977 in De grote arresten van het Hof van Cassatie in sociale zaken, 1996, 327 in de zin dat de bepaling van de opzeggingstermijn door de rechter in de plaats komt van de overeenkomst tussen partijen, zodat hij dus de termijn dient te bepalen zoals partijen dat zouden gedaan hebben, indien zij overeenstemming hadden bereikt. Dit houdt in dat de rechter beider belang in aanmerking moet nemen, zoals zij dat zelf zouden gedaan hebben, en daartussen een billijk evenwicht moet zoeken dat partijen zelf niet hebben bereikt. Hierbij mag de rechter wel rekening houden met het algemene opzet van de wettelijke opzeggingsregeling, die om genoemde redenen het belang van de werknemer hoger aanslaat dan dat van de werkgever. In geen geval mag hij echter bewust het belang van deze laatste volledig buiten beschouwing laten. Het algemene opzet blijft echter dat men tegemoet moet komen aan de kans van de werknemer om een gelijkwaardige betrekking te vinden en hierbij is de concrete economische of financiële situatie van de werkgever geen richtinggevend element ( Arbeidshof Brussel, 29 april 1998, J.T.T. 1998, 438; Arbeidshof Brussel, 16 mei 2008, J.T.T. 2008, 334; RYCKX, Bepaling van opzeggingstermijnen voor hogere bedienden in CBR Jaarboek 2003 - 2004, 437). Mits een juiste evaluatie te geven aan de in aanmerking te nemen elementen, zoals de anciënniteit ( van 19 maart 2001 tot 22 augustus 2003), de leeftijd ( 44 jaar, ° 1 september 1959), de functie van business manager en het jaarloon van euro 74.351,76 kan de kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden worden geraamd op 6 maanden, zodat de heer R. aanspraak kan maken op een aanvullende opzeggingsvergoeding van 3 maanden. Hierbij wordt vooral in acht genomen dat een dergelijke functie op het aangegeven loonniveau niet zo gemakkelijk te vinden is op de leeftijd van 44 jaar. Bij het bepalen van de opzeggingstermijn dient enkel rekening te worden gehouden met de kans van de werknemer om een gelijkwaardige betrekking te vinden, zodat de houding van de werknemer bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet relevant is ( Cass., 23 februari 1987, J.T.T. 1987, 265). Het saldo opzeggingsvergoeding kan dan ook worden begroot op euro 74.351,76/12 x 3 = euro 18.587,
  9. Ingevolge artikel 10 van de loonbeschermingswet van 12 april 1965 is hierop van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop dit saldo opeisbaar wordt en de heer R. vordert deze intresten vanaf 30 november
  10. Niet betwist wordt dat deze intresten moeten worden aangerekend op het overeenstemmende nettobedrag. De heer R. stelde zijn vordering binnen de verjaringstermijn en er kan hem niet worden verweten dat hij een nalatige afwachtende proceshouding zou hebben aangenomen. Partijen gaan akkoord met het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, zijnde euro
  11. Deze dient te laste te worden gelegd van de N.V. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en ongegrond. Vernietigt het betreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante gedeeltelijk gegrond en Veroordeelt de N.V. Unipart tot betaling aan de heer R. van een bedrag van 18.587,94, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 30 november 2003 en de gerechtelijke intresten op het overeenstemmende nettobedrag. Wijst het meer gevorderde af. Veroordeelt de N.V. Unipart tot betaling van de gerechtskosten aan de zijde van de heer R. begroot op dagvaarding euro 116,14 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 218,64 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 2.000,00 totaal euro 2.334,78 aan de zijde van de N.V. voor zover als nodig begroot op euro 2.218,64 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De Heer E. VAN LAER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer H. ENGELEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS, E. VAN LAER. H. ENGELEN. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 27 februari 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090227.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.