id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 02 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090302.15 Rolnummer: 49.146;49.660 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-11-26 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 19:18 Fiche De niet-betaling van het loon, voorzien door een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, dient beschouwd te worden als een voortgezet misdrijf waarvan de verjaring slechts begint te lopen bij het laatste feit dat met hetzelfde opzet werd gepleegd. Het misdrijf het door een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst opgelegde loon niet betaald te hebben, veronderstelt geen bijzonder opzet: het misdrijf bestaat van zodra de door de wet opgelegde verplichting niet nagekomen is, zonder dat moet onderzocht worden of deze niet-nakoming het gevolg is van bijzonder opzet, nalatigheid of onvoorzichtigheid. De vergissing met betrekking tot de toepassing en appreciatie van de toepasselijke loonscategorie maakt geen onoverwinnelijke dwaling uit. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Verjaring Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - STRAFVORDERING - Sociaal recht - Arbeidsrecht - Loonsvordering - Vordering ex delictu - Aard van de verjaring - Bestandselemeneten van het misdrijf. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 26 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 2 MAART
- 5DE KAMER Arbeidscontract Tegensprekelijk Definitief Inzake : A.R. 49.146 D.B. , wonende te [xxxx]. Appellant en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. S. LIBOTTON loco Mr P. JACKERS, advocaat te Tienen. Tegen: B.V.B.A. WONINGBOUW VAN MEEUWEN, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3271 SCHERPENHEUVEL-ZICHEM, Heidebosstraat
- Geïntimeerde en appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. B. SIFFERT, advocaat te Brussel. En inzake : A.R. 49.660 B.V.B.A. WONINGBOUW VAN MEEUWEN, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3271 SCHERPENHEUVEL-ZICHEM, Heidebosstraat
- Appellante, vertegenwoordigd door Mr. B. SIFFERT, advocaat te Brussel. Tegen:
- VZW ACERTA SOCIAAL SECRETARIAAT, met zetel gevestigd te 3000 LEUVEN, Diestsevest
- Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. W. DE VRIESE, advocaat te Schilde.
- D.B. , wonende te [xxx]. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. LIBOTTON loco Mr P. JACKERS, advocaat te Tienen. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Leuven op 27 juli 2006, - het verzoekschrift in hoger beroep van de heer D.B. ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 20 oktober 2006; - het verzoekschrift in hoger beroep van de BVBA Woningbouw Van Meeuwen ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 16 maart 2007; - de besluiten en synthesebesluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 2 februari 2009 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken. I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- De heer D.B. is in dienst getreden van de (nv) Woningbouw Van Meeuwen op 11 augustus 2008 als schrijnwerker. Hij werd betaald met een loon dat overeenstemde met dit van ongeschoold arbeider. Op 9 februari 2001 heeft hij de onderneming verlaten.
- Op 7 februari 2002 heeft de heer D.B. de nv Woningbouw Van Meeuwen gedagvaard voor de Arbeidsrechtbank te Leuven in betaling van :
(1)de som van 16.813,50 euro als achterstallig loon voor de ganse periode van zijn tewerkstelling;
(2)de som van 435,54 euro als mobiliteitsvergoeding;
(3)de som van 663,95 euro als verplaatsingsvergoeding, alle sommen te verhogen met de wettelijke intresten.
- Bij tussenvonnis van 30 juli 2004 oordeelde de arbeidsrechtbank te Leuven dat de heer D.B., vanaf het ogenblik van zijn indiensttreding tot en met 30 juni 1998, had dienen bezoldigd te worden als een geoefend werkman in de zin van de C.A.O. van 30 juni 1980 afgesloten in het paritair comité nr. 124 van het bouwbedrijf, en vanaf 1 juli 1998 als geschoolde eerste graad. De rechtbank oordeelde echter verder dat de vordering verjaard was voor de periode die 7 februari 1997 voorafging omdat de vordering een louter contractuele basis had, en dat derhalve de verjaringstermijn diende toegepast te worden, voorzien door artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten. De rechtbank beval de heropening van de debatten ten einde de heer D.B. toe te laten de afrekening op te stellen voor de periode vanaf 7 februari
- De vordering met betrekking tot de mobiliteitsvergoeding werd als verjaard afgewezen. De vordering met betrekking tot de verplaatsingsvergoeding werd toegekend voor een bedrag van 301,83 euro .
- Op 25 november 2004 bracht de heer D.B. een nieuwe dagvaarding uit, waarbij het gedeelte van de vordering, dat door de eerste rechter op contractuele basis als verjaard beschouwd werd, opnieuw ingeleid werd maar ditmaal op delictuele basis. Hij vorderde de betaling van een bedrag van 3.783,66 euro als schadevergoeding, overeenstemmend met het loon voor de periode van 11 augustus 1992 tot 6 februari 1997 en 435,54 euro als schadevergoeding voor de niet uitbetaling van een mobiliteitsvergoeding voor de periode 1992 tot
- Bij dagvaardingen van 9 juni 2005 heeft Woningbouw Van Meeuwen de vzw Acerta gedagvaard in gedwongen tussenkomst en gevraagd dat Acerta zou veroordeeld worden tot betaling van de bedragen waartoe zij zou veroordeeld worden ten aanzien van de heer D.B..
- Bij vonnis van 27 juli 2006 heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de beide vorderingen samengevoegd. De oorspronkelijke vordering tot betaling van achterstallig loon op contractuele basis werd toegekend voor een bedrag van 9.739,91 euro . De nieuwe vordering gesteund op delictuele basis werd afgewezen. De rechtbank was van mening dat de vordering, op de nieuwe grondslag, weliswaar niet verjaard was, doch dat de heer D.B. in gebreke bleef aan te tonen dat Woningbouw Van Meeuwen de strafbare gedragingen had kunnen vermijden. De vordering m.b.t. de mobiliteitsvergoeding werd als verjaard beschouwd omdat ze betrekking had op de periode 1992 tot
- De vordering in vrijwaring ten aanzien van Acerta werd als ongegrond afgewezen.
- Bij verzoekschrift van 20 oktober 2006 heeft de heer D.B. beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven, in zoverre dit hem afwees van zijn nieuwe vordering, die gegrond was op een delictuele basis. Bij verzoekschrift van 16 maart 2007 heeft Woningbouw Van Meeuwen op haar beurt hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Het beroep was in de beroepsakte enkel gericht tegen Acerta. In beroepsbesluiten heeft Woningbouw Van Meeuwen een incidenteel beroep ingesteld lastens de heer D.B. en vraagt zij dat de oorspronkelijke vordering van de heer D.B. volledig wordt afgewezen. II. SAMENVOEGING. De beide beroepen zijn gericht tegen hetzelfde vonnis. De beroepen dienen in het belang van goede rechtsbedeling samengevoegd te worden. III. DE ONTVANKELIJKHEID. De beide beroepen zijn regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte van het vonnis voorgelegd zodat het beroep moet geacht worden tijdig te zijn ingesteld. Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk. IV. BEOORDELING.
- Het hoofdberoep van de heer D.B., het incidenteel beroep van Woningbouw Van Meeuwen tegen de heer D.B..
- In de eerste plaats dient vastgesteld te worden dat in het dispositief van haar besluiten Woningbouw Van Meeuwen weliswaar verklaart incidenteel beroep aan te tekenen tegen het vonnis van de eerste rechter, maar terzake geen enkele argumentatie aanbrengt. Het Hof verwijst naar de overwegingen van de eerste rechter in zijn tussenvonnis van 30 juni
- Uit artikel 5 van de C.A.O. van 30 juni 1980, afgesloten in het Paritair Comité 124, en algemeen verbindend verklaard bij Koninklijk Besluit van 3 april 1981 (B.S. 5.05.1981) blijkt dat onder "ongeschoolde werklieden" (de categorie waarin de heer D.B. werd betaald), verstaan wordt "de werklieden die instaan voor de uitvoering van zeer eenvoudige werken, zoals de opruiming van de bouwplaats, het reinigen van de gebouwen en van de keten, alsmede de uitvoering van werken waarvoor geen enkele specialisatie vereist is zoals voor het verplaatsen van materieel, materialen, enz.". Uit artikel 6 van dezelfde C.A.O. blijkt dat onder "geoefende werklieden" worden verstaan, "de werklieden die nog niet volledig vertrouwd zijn met één der in de artikelen 7 en 8 de opgesomde beroepen (waaronder het beroep van schrijnwerker). De heer D.B., die aangeworven werd als schrijnwerker had aldus minstens de kwalificatie van een geoefend werkman vanaf het ogenblik van zijn aanwerving. Verder had de heer D.B., sedert 1 juli 1998, minstens de kwalificatie van "geschoolde arbeider van de eerste graad". De geschoolde werkman van de eerste graad is de werkman die zijn vak ten gronde kent en dit vak sedert ten minste drie jaar met een normale vaardigheid en een normaal rendement uitoefent. De heer D.B. beantwoordde ongetwijfeld aan deze omschrijving.
- De eerste rechter erkent dat de vordering van de heer D.B. op delictuele basis niet verjaard is, gelet op het feit dat het voortgezet misdrijf betreft dat doorliep tot op het ogenblik van het ontslag, maar wijst de vordering af of op de overweging dat de heer D.B. niet bewijst dat Woningbouw Van Meeuwen de strafbare gedragingen had kunnen vermijden. De eerste rechter verwijst daarbij naar artikel 11 van de C.A.O. dat voorziet dat alleen de werkgever de graad van beroepsbekwaamheid van de werkman beoordeelt. Hij stelt verder dat het stukkenbundel van de heer D.B. geen objectieve bewijselementen bevat waaruit zou kunnen blijken dat Woningbouw Van Meeuwen opzettelijk een lager loon heeft uitbetaald. Het moreel bestanddeel van het misdrijf zou aldus niet voorhanden zijn. De heer D.B. stelt daartegenover dat het misdrijf van de niet-betaling van het loon, zoals dit vastgelegd is in een algemeen verbindend verklaarde C.A.O. voltrokken is van zodra vaststaat dat het verplichte loon niet betaald werd, tenzij de werkgever een rechtvaardigingsgrond kan aanvoeren, zoals een onoverwinnelijke dwaling. Woningbouw Van Meeuwen stelt dat er in haren hoofd geen enkel opzet aanwezig was, noch dat er sprake was van enige onachtzaamheid. Er was volgens haar alleen sprake van een dwaling in de voorafgaande kwalificatie van de heer D.B.. Woningbouw Van Meeuwen verwijst daarbij verder naar de verantwoordelijkheid van haar sociaal secretariaat, dat haar niet attent zou gemaakt hebben op de inbreuk op de C.A.O. .
- De niet-betaling van het loon voorzien door een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst dient beschouwd te worden als een voortgezet misdrijf waarvan de verjaring slechts begint te lopen bij het laatste feit dat met hetzelfde opzet werd gepleegd (cfr.Cass.2.02.2004, Soc. Kron. 2004, 837). Ten onrechte roept Woningbouw Van Meeuwen in dat het moreel element van het misdrijf zou ontbreken. Het misdrijf het door een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst opgelegde loon niet betaald te hebben, veronderstelt geen bijzonder opzet: het misdrijf bestaat van zodra de door de wet opgelegde verplichting niet nagekomen is, zonder dat moet onderzocht worden of deze niet-nakoming het gevolg is van bijzonder opzet, nalatigheid of onvoorzichtigheid (Cass. 31.01.1944, Pas. 1944, I, 178; F. Kefer " L'erreur invincible de l'employeur ou l'infraction imputable comme condi-tion d'application de la prescription quinqiennale del'action civile ex delict », Soc. Kron. 2006,257, p. 259-260; C.E. Clesse,'Les causes de justifications en droit pénal social, Orientations, 2007, 1). Enkel wanneer er sprake is van een rechtvaardigingsgrond, bijvoorbeeld bij een onoverwinnelijke dwaling, dient de rechter vast te stellen dat het misdrijf niet ten laste kan gelegd worden van de werkgever. De vergissing met betrekking tot de correcte appreciatie van de toepasselijke loonscategorie maakt geen onoverwinnelijke dwaling uit. Geen argument kan daarbij geput worden in casus uit artikel 11 van de C.A.O. dat bepaalt dat alleen de werkgever oordeelt over de graad van beroepsbekwaamheid van ieder bij hem in dienst zijnde werkman. Deze bepaling stelt immers de werkgever niet vrij van de verplichting het loon te bepalen overeenkomstig de verschillende omschrijvingen van de categorieën van werklieden. Voor de periode die het voorwerp uitmaakt van het beroep voor de heer D.B. (1992 tot 1997) gaat het enkel over de vraag of deze laatste diende beschouwd te worden als ongeschoolde werkman dan wel als een geoefend werkman. Uit de lezing van artikel 5 van de C.A.O., zoals hierboven weergegeven, dient zonder enige twijfel afgeleid worden dat de heer D.B. geen ongeschoolde werkman was, maar minstens een geoefend werkman.
- Ten onrechte roept Woningbouw Van Meeuwen in dat in het kader van een vordering met de delictuele grondslag de gevorderde vergoeding enkel een schade kan zijn, die onderscheiden is van het recht waarop de vordering steunt. Wanneer de niet-betaling van het loon een misdrijf vormt, kan de werknemer een vordering tot herstel van de door dat misdrijf veroorzaakte schade instellen, ook al bestaat de vergoeding van de geleden schade in de betaling van het loon zelf, en zelfs al vormt de niet-betaling van het loon bijgevolg een tekortkoming aan de verbintenissen die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien en bestaat de gevorderde zaak in de uitvoering van die verplichtingen (Cass. 23.10.2006, Verenigde Kamers, http: //jure. juridat.just.fgov.be). De schade, geleden door het misdrijf de niet de door een C.A.O. opgelegde lonen betaald te hebben, bestaat precies in het feit niet het loon gekregen te hebben waarop men recht had. Het gaat om een schadeherstel ‘in natura' en niet om een afgeleid schadeherstel bij wijze van equivalent.
- Het hoger beroep van de heer D.B. is dan ook gegrond, althans voor wat betreft het achterstallig loon als dusdanig. Voor wat betreft de mobiliteitsvergoeding heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat deze vordering verjaard was. De vordering had immers enkel betrekking op de periode 1992-1995, zodat het misdrijf de mobiliteitsvergoeding niet betaald te hebben voltooid was in het jaar
- De in de loop van het jaar 2004 ingestelde vordering is ingesteld is buiten de termijn voorzien door artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en artikel 2262 bis van het Burgerlijk Wetboek.
- De vordering t.a.v. de vzw Acerta.
- Woningbouw Van Meeuwen is van oordeel dat Acerta, als sociaal secretariaat, belast met de volledige "loonsadministratie" haar er had op dienen te wijzen dat het aan de heer D.B. betaalde loon niet in overeenstemming was we met de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst. Zij verwijst daarbij verder artikel 2 van de aansluitingsovereenkomst waarbij Acerta zich verbonden had "voor de aangeslotenen conform de Belgische wetgeving, de opdrachten en diensten te vervullen voorzien in het algemeen reglement". Zij stelt dat Acerta er van in den beginne van op de hoogte was dat de heer D.B. aangeworven was als schrijnwerker, zodat zij had kunnen zien dat het voorgestelde loon niet in overeenstemming was met de C.A.O. .
- In besluiten stelt Woningbouw Van Meeuwen dat zij, in het kader van de procedure, geen mededeling gekregen heeft van het reglement, waarnaar de aansluitingsovereenkomst verwijst. Ter zitting verzet Woningbouw Van Meeuwen zich niet tegen de neerlegging van dit reglement, dat reeds aan de eerste rechter was voorgelegd. Terecht heeft de eerste rechter verwezen naar artikel 1 van de aansluitingsovereenkomst waarin uitdrukkelijk bepaald wordt dat de wederzijdse rechten en verplichtingen van partijen geregeld worden door het algemeen reglement, waarvan de aangeslotene verklaart een exemplaar ontvangen te hebben en er kennis van genomen te hebben. Het door Woningbouw Van Meeuwen ingeroepen artikel 2 van de overeenkomst moet gelezen worden samen met dit artikel. Uit beide artikelen samen blijkt dat de precieze opdracht Acerta in feite wordt bepaald door het algemeen reglement. Volgens artikel 3, A, 1 van dit algemeen reglement gelast het sociaal secretariaat zich met alle formaliteiten ("verder genoemd loonadministratie") welke de werkgevers opgelegd worden door de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten, de wetgeving op de sociale zekerheid voor werknemers, de wetgeving op de bedrijfsvoorheffing en in de wetgeving op de vereenvoudiging van de sociale documenten. Het sociaal secretariaat belast zich verder met het verstrekken van adviezen over sociaalrechtelijke aangelegenheden, voor zover daarom gevraagd wordt (art.3,A, en 2) en in het afleveren van de periodieke loonberekeningen, zoals voorgeschreven door de wetten en besluiten (art.3 A, 3). Overeenkomstig art. 3 A, 4 tenslotte kan, op verzoek van de aangeslotene en mits schriftelijke overeenkomst, het sociaal secretariaat ten behoeve van de aangeslotene andere opdrachten uitvoeren dan deze opgesomd onder 1,2 en 3). Uit deze bepaling blijkt dat, behoudens een bijzondere schriftelijke overeenkomst, die aan het sociaal secretariaat een ruimere opdracht geeft en behoudens de hypothese van bijzonder gevraagde adviezen met betrekking tot de sociaal rechterlijke wetgeving, Acerta zich in feite er enkel toe verbond de formaliteiten opgelegd door de arbeidswetgeving en de sociale zekerheid reglementering te vervullen in naam van de aangeslotene, en niet de verbintenis opnam om de verzekerde te begeleiden in alle loonaangelegenheden. Deze overeenkomst strekt de partijen tot wet. Woningbouw Van Meeuwen voert verder niet aan dat zij door Acerta op enige wijze in dwaling is gebracht met betrekking tot de omvang van de aangeboden diensten. Acerta had aldus niet de contractuele verplichting om Woningbouw Van Meeuwen er op te wijzen dat het loon, dat zij afgesproken had met de heer D.B., niet in overeenstemming was met de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst. De vordering in vrijwaring is op die basis ongegrond. Ten overvloede dient daar nog aan toegevoegd te worden dat, zoals opgeworpen door Acerta, Woningbouw Van Meeuwen ook niet de door haar geleden schade bewijst. Indien Acerta gedaan had wat zij volgens Woningbouw Van Meeuwen had moeten doen, dan zou Woningbouw Van Meeuwen van in den beginne het loon betaald hebben, waartoe zij wettelijk verplicht was. OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Voegt de zaken ingeschreven onder algemene rol nr. 49.146 en 49.660 samen; Verklaart de beide beroepen evenals het incidenteel beroep ontvankelijk; Verklaart het hoger beroep van de heer D.B. grotendeels gegrond. Doet het vonnis van 27 juli 2006 teniet en veroordeelt Woningbouw Van Meeuwen, bovenop de sommen toegekend door de eerste rechter, tot betaling aan de heer D.B. van de som van 3.783,66 euro als schadevergoeding voor te weinig betaald loon over de periode van 11 augustus 1982 tot en met 6 februari 1997, som te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de onderscheiden data van verschuldigdheid; Verklaart het incidenteel beroep van Woningbouw Van Meeuwen tegen de heer D.B. en het beroep van Woningbouw van Meeuwen tegen Acerta ongegrond; Veroordeelt Woningbouw Van Meeuwen tot de kosten van beide aanleggen, in hoofde van de heer D.B. begroot op 106,50 euro en 109,00 euro dagvaardingskosten in eerste aanleg, 214,18 euro rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg en 331,50 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, zoals gevorderd; Veroordeelt Woningbouw Van Meeuwen tot de kosten van haar hoger beroep lastens Acerta, begroot in hoofde van Acerta op 1.100,00 euro ; Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heren : F. KENIS : Raadsheer, G. JACOBS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, D. VRIJSEN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Griffier, G. JACOBS D. VRIJSEN D. DE RAEDT F. KENIS De heer G. JACOBS die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig art. 785 van het Ger. Wb. wordt het arrest ondertekend door de heren F. KENIS en D. VRIJSEN. En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 2 maart 2009 door : De heer F. KENIS : Raadsheer, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Griffier, D. DE RAEDT F. KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090302.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div