id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 05 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090305.6 Rolnummer: 41.348 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-05-05 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-02 19:21 Fiches 1 - 2 Het controleverslag opgemaakt door het R.I.Z.I.V. met betrekking tot prestaties die toegekend werden aan een sociaal verzekerde en dat gericht is aan een verzekeringsinstelling, kan door een sociaal verzekerde die een derde is in de relatie tussen het R.I.Z.I.V. en de verzekeringsinstelling niet worden aangevochten. De verplichting tot betaling van de prestaties van de uitkeringsverzekering rust alleen op de verzekeringsinstellingen (vgl. Cass. 14 februari 1994, R.W. 1994-95, 548). Het R.I.Z.I.V. kan geen uitkeringen betalen aan de verzekerde aangezien de wettelijke bepalingen van de Z.I.V.-wet dit niet voorzien. Het R.I.Z.I.V. is geen verzekeringsinstelling maar is belast met het algemeen beheer, het toezicht en het financieel beleid van de ziekte-en invaliditeitsverzekering terwijl de Landsbonden van ziekenfondsen optreden als uitvoeringsorganen, belast met de uitvoering van de wettelijke ziekteverzekering die de prestaties van de verplichte ziekte-en invaliditeitsverzekering toekennen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Algemeen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS - ZIEKTE-EN INVALIDITEITSVERZEKERING - verhaal van een sociaal verzekerde tegen een controlevaststelling van het R.I.Z.I.V. t.a.v. een verzekeringsinstelling waarvan deze laatste kopie laat geworden aan de sociaal verzekerde - belang bij het instellen van een procedure tegen het R.I.Z.I.V. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 3 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: VII D.N. art.3 Ook gerangschikt onder VII DN art 80, 4° UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Uitkeringsverzekering Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS - ZIEKTE-EN INVALIDITEITSVERZEKERING - verhaal van een sociaal verzekerde tegen een controlevaststelling van het R.I.Z.I.V. t.a.v. een verzekeringsinstelling waarvan deze laatste kopie laat geworden aan de sociaal verzekerde - belang bij het instellen van een procedure tegen het R.I.Z.I.V. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 80, 4° - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: VII D.N. art.80, 4° Ook gerangschikt onder VII DN art 3 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF MAART TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. 580, 2°, Ger. W. ziekteverzekering tegenspraak definitief In de zaak : D. W. A., appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door meester V. Penningen loco meester D. De Maeseneer, advocaat te Leuven, tegen : RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door meester P. Siffert, advocaat te Leuven. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het hof neemt kennis van de volgende procedurestukken: -het op tegenspraak gewezen vonnis door de achtste kamer van de arbeidsrechtbank te Leuven van 12 oktober 1992; -de dagvaarding in hoger beroep, betekend op 15 februari 2001 en neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 4 april 2001; -de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 10 mei 2004, 28 januari 2005, 21 juni 2007 en op 30 juni 2008 -de conclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 14 februari 2002, 30 november 2004, 28 februari 2005, 30 april 2008 en op 4 september 2008 De partijen werd gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de inleidende openbare terechtzitting van 11 december
- Het openbaar ministerie legde op 18 december 2008 zijn advies ter griffie neer. Partijen legden geen repliek op dat advies ter griffie neer. Het arbeidshof nam de zaak van rechtswege in beraad op 30 januari 2009 om uitspraak te doen op heden, eerste nuttige zitting. * * * RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De heer D. W. was op 2-7-1978 het slachtoffer van een verkeersongeval als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt werd erkend sedert die datum. De ongeschiktheidsuitkeringen werden uitbetaald door zijn ziekenfonds. Naar aanleiding van een controle-onderzoek dat op 20-9-1988 door de Dienst voor Administratieve Controle van het RIZIV werd uitgevoerd bij het Verbond van de Liberale Mutualiteiten van Brabant, werd vastgesteld dat de heer D. W. tijdens de periode van 1-9-1983 tot 19-10-1987, een bedrag van 7.665 BEF te weinig zou hebben ontvangen op de invaliditeitsuitkeringen. Deze vaststelling werd bij brief nr. 521391 op 20-9-1988 door het RIZIV meegedeeld aan de Nationale Bond der Liberale Mutualiteitsfederatiën De mutualiteit zond op 5-10-88 een kopie van het controleverslag van 20-9-1988 aan de heer D. W. ter informatie en deelde hem mee dat het bedrag van 7.665 BEF hem vanaf 12-10-1988 per circulaire cheque zou worden uitbetaald. De heer D. W. was het niet eens met die afrekening en spande met dagvaarding van 28-2-89 een geding aan tegen het RIZIV voor de arbeidsrechtbank . Hij vorderde dat deze voor recht zou zeggen: -dat als beginuitkering op 3-7-1978 een bedrag van 903,79 BEF in acht moest worden genomen -dat de wettelijke verhogingen en indexaties op dat bedrag moesten worden berekend -dat vanaf 1-7-1979, hetzij vanaf het tweede jaar van zijn arbeidsongeschiktheid, de uitkering niet langer op 60% maar op 65% van zijn weekloon van 9.038 BEF moest worden berekend -dat op het bekomen bedrag aan daguitkering de wettelijke verhogingen en indexaties moesten worden toegerekend tot op de datum van "heden". Hij vorderde de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van het totale berekende bedrag aan invaliditeitsuitkeringen vanaf 1-9-1983 tot op "heden", onder aftrek van hetgeen voor die periode werd betaald, hetzij op 19-10-1987 een bedrag van 1.264.153 BEF. Tijdens de procedure voor de arbeidsrechtbank stelde het RIZIV dat er geen uitvoerbare beslissing werd getroffen t.a.v. de heer D. W. en het een geschil betrof dat tegen de verzekeringsinstelling moest worden gericht, zodat de vordering t.a.v. het RIZIV onontvankelijk was. Met het bestreden vonnis verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk overwegend dat de beslissingen van de dienst voor administratieve controle bindend zijn voor de mutualiteiten en de heer D. W. anderzijds meende dat hij de vergoedingen niet had ontvangen waarop hij aanspraak kon maken zodat hij dit met reden als een ernstige bedreiging van zijn recht beschouwde. Ten gronde stelde de arbeidsrechtbank vast: -dat het normaal loon van de heer D. W. in de zin van art 22 van het Koninklijk Besluit van 31-12-1963, houdende verordening op de uitkeringen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsuitkering, 1.135,58 BEF per dag bedroeg. -dat de heer D. W. de hoedanigheid had van gerechtigde met gezinslast Zij heropende de debatten met het oog op de overlegging door het RIZIV van een ontwerp-afrekening, rekening houdend met voormelde gegevens en met aanduiding van de per 1-9-1983 aan de heer D. W. verschuldigde uitkeringen in het raam van de wet van 9-8-1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte Ziekte- en invaliditeitsverzekering. Zij hield de beslissing aan inzake alle overige betwistingen en de kosten van het geding. Zij stelde de zaak daartoe op de terechtzitting van 14-12-
- Intussen stelde de Dienst voor Administratieve Controle van het RIZIV een nieuw onderzoek in dat leidde tot een herziening van de vaststelling van 20-9-1988 . Een nieuw controleverslag nr.551658 werd opgesteld op 29-8-1989, hetzij in de loop van de procedure hangende voor de arbeidsrechtbank. De verzekeringsinstelling bracht dit aan de heer D. W. ter kennis en kondigde een terugvordering aan. Volgens dat verslag werd aan de heer D. W. immers 35.021 BEF te veel uitbetaald i.p.v. 7.665 BEF te weinig. Daarop stelde de heer D. W. op 23-10-89 een vordering in tegen de Landsbond der Liberale Mutualiteiten. Het RIZIV werd eveneens in het geding betrokken. Deze vordering werd bij een aparte procedure voor de arbeidsrechtbank behandeld (AR nr.2808/89). Bij vonnis , eveneens daterend van 12-10-1992 verklaarde de arbeidsrechtbank die vordering ontoelaatbaar bij ontstentenis van belang omdat de brief van de verzekeringsinstelling geen uitvoerbare beslissing zou zijn doch een mededeling gepaard gaand met een verzoek tot terugbetaling en het geding niet kon worden beschouwd als een vordering ten einde een gerechtelijke uitspraak te verkrijgen ter verklaring van een recht of om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen. Tegen dat vonnis tekende de heer D. W. geen hoger beroep aan. Anderzijds spande de Landsbond der Liberale Mutualiteiten met verzoekschrift van 26-1-1990 een geding aan voor de arbeidsrechtbank waarbij de veroordeling van de heer D. W. werd gevorderd tot terugbetaling van een bedrag van 34.979 BEF (ingeschreven onder AR 240/90). Die zaak werd doorgehaald op de algemene rol bij vonnis van 29-6-
- Met een later controleverslag nr.582448 van 2-8-1990 werd het eerdere controleverslag opnieuw gewijzigd. Dit laatste verslag vermeldt dat als gevolg van een verkeerde berekening van de daguitkering invaliditeit, een bedrag van 7.665 ten onrechte werd uitgekeerd m.b.t. de periode van 1-9-1983 tot 19-10-
- Na het hier bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank dd. 12-10-92, stelde het RIZIV ontwerp van afrekening op en vernam van zijn inspectiedienst dat de verzekeringsinstelling het dossier reeds had geklasserd nadeat de heer D. W. terugbetaalde wat terugbetaald diende te worden en de verzekeringsinstelling bijpaste wat moest bijgepast worden. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP De heer D. W. stelde bij akte van hoger beroep van 15-2-2001 hoger beroep in tegen het bestreden vonnis. In zijn op 30-6-2008 neergelegde syntheseconclusie verzoekt hij het hof voor recht te verklaren -dat het referteloon op 3-7-1978, conform art 22 lid 4 van de verordening van 15-9-1982 moet berekend worden en bepaald worden op 1.784 BEF (omgerekend 44,22 euro) -dat de wettelijke verhogingen en indexaties op dat bedrag moeten worden berekend -dat hij de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast heeft, zodat hij vanaf 1-7-79, zijnde het tweede jaar van de arbeidsongeschiktheid, gerechtigd is op 65% van het referteloon/dag -dat op het aldus bekomen bedrag aan daguitkering de wettelijke verhogingen en indexaties moeten worden toegekend tot op datum van heden het RIZIV te veroordelen tot betaling van het aldus berekend bedrag, en tot de moratoire intresten daarop aan de wettelijke intrestvoet vanaf de resp. data waarop de schulden ontstonden en tot de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten Het RIZIV stelde bij conclusie incidenteel hoger beroep in en vordert het hoger beroep van de heer D. W. onontvankelijk te verklaren, minstens ongegrond en te zeggen voor recht dat het geschil zonder voorwerp is geworden akte te verlenen aan het RIZIV van zijn incidenteel hoger beroep tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank van 12-10-1992 en dit ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg, het bestreden vonnis te vernietigen, de oorspronkelijke vordering onontvankelijk te verklaren en minstens ongegrond/ BEOORDELING 1.ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld, zodat het ontvankelijk is.
- TEN GRONDE Het incidenteel hoger beroep van het RIZIV betreft de onontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering en wordt derhalve eerst onderzocht. Het RIZIV betoogt dat het controleverslag dat de heer D. W. aanvecht enkel de relatie tussen het Rijksinstituut en de verzekeringsinstelling betreft die deze overeenkomstig de bij art 164,lid 7 van de wet van 14-7-
- kan betwisten, doch niet gericht is tot de verzekerde. Het wijst erop dat de verplichting tot betaling van de prestaties enkel op de verzekeringsinstelling berust en de rechten van de heer D. W. door het controleverslag niet worden bedreigd. Bovendien stelt het RIZIV dat zijn inspectiediensten van de verzekeringsinstelling van de heer D. W. vernam dat het dossier bij de verzekeringsingstelling volledig werd afgehandeld, na de voorlegging van een nieuw berekening in
- Het RIZIV betwist dat de heer D. W. een belang zou kunnen hebben bij het instellen van een vordering van recht. De heer D. W. stelt dat hij wel degelijk een belang heeft bij de ingestelde vordering daar hij het slachtoffer is van een verkeerde berekening door het RIZIV aangezien de verzekeringinstelling deze uitvoert en hem daardoor een te laag bedrag betaalt. Het voorwerp van de vordering van de heer D. W. betreft de veroordeling van het RIZIV tot betaling van uitkeringen overeenkomstig het door hem vooropgestelde dagbedrag dat niet in overeenstemming is met het dagbedrag dat het RIZIV in zijn controleverslag weerhoudt. Het Openbaar Ministerie benadrukt terecht dat het RIZIV geen verzekeringsinstelling is maar belast is met het algemeen beheer, het toezicht en het financieel beleid van de ziekte- en invaliditeitsverzekering terwijl de Landsbonden van ziekenfondsen optreden als uitvoeringsorganen, belast met de uitvoering van de wettelijke ziekteverzekering en de prestaties van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering toekennen. Art 3 van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen van 14-7-1994 ( voorheen art 3 van de ZIV-wet van 9-8-1963) bepaalt : de "landsbonden waarborgen in hun statuten de bij deze wet bedoelde prestaties" Art 80,4° van de gecoördineerde ZIV-wet van 14-7-1994 (voorheen art 40,10° van de wet van 9-8-1963) bepaalt dat het beheerscomité van de dienst voor uitkeringen van het RIZIV vaststelt onder welke voorwaarden aan de verzekeringsinstellingen de geldmiddelen worden voorgeschoten die zij behoeven om de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid of moederschap en de uitkeringen voor begrafeniskosten te betalen. Krachtens Art 193§1 ,2de lid van de gecoördineerde ZIV-wet van 14-7-1994 (voorheen art 123 van de ZIV-wet van 9-8-1963) betaalt het RIZIV aan de verzekeringsingstelingen onder de door het beheerscomité van de Dienst voor Uitkeringen bepaalde voorwaarden, het bedrag van de door hen verleende uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid voor begrafeniskosten en ingevolge moederschap. Uit die bepalingen volgt: -dat de verplichting tot betaling van de prestaties van de uitkeringsverzekering alleen op de verzekeringsinstellingen rust. (Cass. 14-2-94, RW 94-95, 548) -dat het RIZIV geen uitkeringen kan betalen aan de verzekerde, aangezien de wettelijke bepalingen van de ZIV-wet dit niet voorzien. De heer D. W. kan derhalve geen betaling bekomen vanwege het RIZIV van volgens hem verschuldigde invaliditeitsuitkeringen. Het controleverslag dat door het RIZIV gericht is aan de verzekeringsinstelling kan door de heer D. W. die een derde is in de relatie tussen het RIZIV en de verzekeringsinstelling niet worden aangevochten. De beslissing van het RIZIV kan hem niet beletten de beslissing van de verzekeringsinstelling aan te vechten die erop gegrond is, zodat de beslissing van het RIZIV geen ernstige bedreiging vormt van zijn recht. Een eenvoudige verklaring van recht (op een bepaalde daguitkering) zou de heer D. W. overigens niet toelaten betaling te bekomen van achterstallige vergoedingen waarop hij meent aanspraak te kunnen maken. Dergelijke uitspraak zou geen effect sorteren nu de heer D. W. geen vordering heeft ingesteld tegen zijn verzekeringsinstelling. Het hof treedt derhalve de stelling van het RIZIV bij die eveneens door het openbaar ministerie wordt gedeeld dat de heer D. W. geen belang had bij het instellen van de procedure tegen het RIZIV. Het principaal hoger beroep is derhalve ongegrond, het incidenteel hoger beroep gegrond. Met betrekking tot de gerechtskosten houdt het RIZIV voor dat de dagvaardingskosten en de kosten van betekening van de beroepsakte niet te zijnen laste kunnen worden gelegd, daar de heer D. W. de procedure bij verzoekschrift had kunnen inleiden, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Art 1017, 2de lid is toepasselijk telkens als terzake van zulke vorderingen uitspraak wordt gedaan en geldt ook wanneer de vordering door de gerechtigde bij dagvaarding wordt ingeleid i.p.v. bij verzoekschrift of aangetekende brief.(Cass. 30-4-1990, Arr.Cass. 1989-90, 1127) De bepaling van art 704 Gerechtelijk Wetboek die de inleiding van het geding bij verzoekschrift toelaat, laat de algemene bepaling van art 700 krachtens dewelke het geding wordt ingeleid bij dagvaarding immers onverlet. Er is derhalve geen reden toe de kosten van de dagvaarding te laten dragen door de heer D. W. . Hetzelfde geldt voor de inleiding van het hoger beroep bij beroepsakte. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24 Rechtsprekende op tegenspraak. Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal J.-J. André , neergelegd ter griffie op 18-12-
- Verklaart het principaal en het incidenteel hoger beroep beide ontvankelijk. Verklaart het principaal hoger beroep ongegrond, het incidenteel hoger beroep gegrond; Hervormt derhalve het bestreden vonnis, Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer D. W. niet toelaatbaar. Legt de kosten van beide aanleggen ten laste van het RIZIV bij toepassing van art 1017,2de lid Gerechtelijk Wetboek. Vereffent het bedrag van de proceskosten, in hoofde van de heer D. W. begroot op 145, 78 euro als rechtsplegingsvergoeding voor de procedure voor de arbeidsrechtbank (verminderd bedrag), 90,68 euro als kosten van dagvaarding in hoger beroep (verminderd bedrag) en 145,78 euro als rechtsplegingsvergoeding voor de procedure voor het arbeidshof. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: G. Balis, kamervoorzitter; I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; K. Gacoms, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. G. Balis S. Van der hoeven I. Van Damme K. Gacoms De heer I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door G. Balis, kamervoorzitter en K. Gacoms, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider. S. Van der hoeven, griffier. En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel op vijf maart tweeduizend en negen door : G. Balis kamervoorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. G. Balis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090305.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div