id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 05 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090305.7 Rolnummer: 50.697 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 136 - laatst gezien 2026-07-02 19:21 Fiche Het is steeds de bedoeling van de wetgever geweest zowel de contractuele als de buitencontractuele rechtsverhoudingen onder het toepassingsgebied van de wet betreffende de rechten van de patiënt te laten vallen
(1). Aangezien de verzekerings-en controlegeneeskunde betrekking hebben op het 'vaststellen' van de gezondheidstoestand van een patiënt, is de wet ook van toepassing op die domeinen van de geneeskunde. De wet van 8 december 1992 op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer onderwerpt de verwerking van de persoonsgegevens aan bepaalde strikte voorwaarden en kent aan de betrokken persoon bepaalde rechten toe, waaronder een inzagerecht. Het verzamelen van informatie m.b.t. een persoon in een bestand kan reeds worden beschouwd als verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld door die wet. Uit de vermeldingen op het toetredingsformulier waarin het recht om kennis te nemen van persoonlijke gegevens zoals ze in de bestanden geregistreerd werden wordt bevestigt, blijkt dat die gegevens in een bestand zijn verwerkt. Het slachtoffer van een ongeval dat een verzekeringsovereenkomst afsloot in het stelsel van de vrije ziekteverzekering heeft het recht kennis te nemen van de persoonlijke gegevens die hem betreffen en in de bestanden van de Onderlinge ziekenkas van de maatschappij voor onderlinge bijstand werden geregistreerd en niet enkel van het verslag van de adviserend geneesheer van deze verzekeraar.
(1)Bij de wet van 13 december 2006 werd ter verduidelijking van de bestaande tekst in het toepassingsgebied toegevoegd dat zowel de 'contractuele als de buitencontractuele rechtsverhoudingen' werden bedoeld. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Patiëntenrechten - Privacy Vrije woorden: SCIENCE DU DROIT - DROIT - LEGISLATION - BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER Wettelijke bepalingen: Wet - 08-12-1992 - 10 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF MAART TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. 580, 2°, Ger. W. ziekteverzekering op tegenspraak definitief In de zaak : DE ONDERLINGE ZIEKENKAS VAN DE MAATSCHAPPIJ VOOR ONDERLINGE BIJSTAND, met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Louis Mettewielaan 74 -76, appellante, vertegenwoordigd door meester G. Lambrechts, advocaat te Antwerpen, tegen : K. E., geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester F. Norman, advocaat te Leuven. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het hof neemt kennis van de volgende procedurestukken: -het op tegenspraak gewezen vonnis door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Leuven van 22 januari 2008, dat op 29 januari 2008 ter kennis van de partijen werd gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 20 februari 2008; -de conclusie voor de appellant, neergelegd ter griffie op 11 september 2008; -de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 15 juli 2008 en op 31 oktober
- De partijen werd gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 11 december 2008, waarop de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft zijn schriftelijk advies op 19 december 2008 ter griffie neergelegd. De partijen konden tot 29 januari 2009 een repliek op dit advies ter griffie neer leggen. De heer K. heeft op 22 januari 2009 een repliek op dit advies ter griffie neergelegd. De zaak werd op 30 januari 2009 in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op heden, eerste nuttige zitting. * * * RELEVANTE FEITEN EN RECHTPSLEGING In de nacht van 27 op 28-8-2004 liep de heer K. een ongeval op. Hij viel van een balkon van het advocatenkantoor waar hij werkzaam was, gelegen aan de kroonlaan te 1040 Brussel. Het ongeval werd veroorzaakt door het afbreken van de borstwering die slecht verankerd was. Dit gebrek werd erkend door de eigenaar en de aannemer van de werken aan dit pas gerenoveerd gebouw. Door de val van ca 5 meter hoog liep de heer K. ernstige letsels op: kneuzingen, breuken en een hersentrauma. Hij bleef gedurende vijf dagen opgenomen in het Iris ziekenhuis te Elsene-Etterbeek en onderging nog gedurende verschillende maanden bijkomende gespecialiseerde onderzoeken, kinesitherapeutische behandelingen en een cognitief revalidatieprogramma bij de dienst neurologie van het UZ Gasthuisberg. Op het ogenblik van het ongeval was de heer K. ,jurist met masteropleiding, als advocaat stagiair werkzaam sinds september 2001 en als wetenschappelijk medewerker aan de universiteit te Namen (CRID). Als advocaat-stagiair was hij aangesloten bij de dienst dagelijkse vergoedingen van de Onderlinge Ziekenkas die tot 26-4-2005 dagelijkse vergoedingen uitkeerde. De heer K. heeft tijdig aangifte gedaan van het ongeval aan zijn mutualiteit (VEV) en aan de Onderlinge Ziekenkas en hij heeft tot eind december 2005 maandelijks medische getuigschriften overgemaakt waarin zijn arbeidsongeschiktheid van meer dan 65% werd bevestigd. Op 1-6-2005 liet de onderlinge ziekenkas aan de heer K. weten dat uit het verslag van het evaluatieonderzoek op 26-4-2005 uitgevoerd door Dr. Lindemans, neuropsychiater, bleek "dat hij niet meer voor meer dan 65% arbeidsongeschikt kon worden beschouwd in de zin van art 12 van het bijzonder reglement van de onderlinge ziekenkas" en dat het dossier werd afgesloten op 26-4-2005, datum van het onderzoek. De heer K. verzocht de onderlinge ziekenkas herhaalde malen om inzage te krijgen in zijn medisch dossier, doch dit werd hem geweigerd. De heer K. stelde tegen die beslissing een verhaal in bij de arbeidsrechtbank te Leuven die bij tussenvonnis van 12-4-2006 Dr. Ringoet aanstelde als deskundige. Dr.Ringoet kwam tot het besluit dat de heer K. voor de periode van 26-4-2005 tot 31-12-2005 een economische en fysiologische invaliditeit vertoonde van meer dan 66% in functie van zijn hoofdberoep van advocaat-stagiair. Vanaf 1-1-2006 verhuisde de heer K. naar het buitenland en liet hij zich van zijn arbeidsongeschiktheid ontslaan, hoewel Dr. Coppens, controlearts van Partena nog een arbeidsongeschiktheid voorzag tot eind juli
- Beide partijen hebben de conclusie van de deskundige aanvaard. Er was echter eveneens een betwisting m.b.t. het bedrag van de daguitkeringen waarop de heer K. aanspraak kon maken. De heer K. meende aanspraak te kunnen maken op een daguitkering van 38 euro per werkdag, overeenkomstig de met de balie afgesloten overeenkomst die op 1-1-2005 was ingegaan. In het bestreden vonnis van 22-1-2008: - sloot de arbeidsrechtbank zich aan bij de bevindingen van de deskundige, besliste zij : -dat de heer K., aangezien hij gedurende de periode van 26-4-2005 tot en met 31-12-2005 een invaliditeit van meer dan 65% vertoonde, overeenkomstig art 12, 1e lid, § § 1 en 2 van het bijzonder reglement van de onderlinge ziekenkas in aanmerking kwam voor de betaling van dagelijkse vergoedingen -dat hij ingevolge de overeenkomst van 19-1-2005 toegetreden was tot de basireeks C38 en recht had op op de basisvergoeding van 38 euro per dag vanaf 1-1-2005, dat art 50 van de statuten en het eenzijdig schrijven van de Onderlinge Ziekenkas van 20-2-2005 geen toepassing vonden, -dat de aanvraag tot inzage in het medisch dossier overeenkomstig de Wet betreffende de rechten van de patiënt dd. 22-8-2002 gerechtvaardigd was en er geen reden was om af te wijken van de bepalingen van die wet in het raam van expertise of controlegeneeskunde. Zij veroordeelde de onderlinge ziekenkas tot betaling aan de heer K. van 1 euro symbolische schadevergoeding en tot de kosten van het geding. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP De Onderlinge Ziekenkas kan zich niet neerleggen bij de beslissing van de arbeidsrechtbank behalve voor wat de weerhouden periode van arbeidsongeschiktheid betreft. Zij verzoekt het hof het bestreden vonnis (voor het overige) te vernietigen en te zeggen voor recht dat de heer K. voor de periode van 1-1-2005 tot 31-12-2005 slechts recht heeft op de uitkering van dagelijkse vergoedingen in de reeks C0, ten bedrage van 10,41 euro per werkdag en zijn vorderingen voor het overige als ongegrond af te wijzen. De heer K. verzoekt het hof het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en stelt bij conclusie incidenteel hoger beroep in. Zijn vordering, zoals aangepast in zijn laatste conclusie beoogt: -de veroordeling van de Onderlinge Ziekenkas tot betaling van een bedrag van 10.618,23 euro aan achterstallige dagvergoedingen, alsook van de materiële schadevergoeding ten bedrage van 1791,77 euro en een morele schadevergoeding ten bedrage van 1000 euro, te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf de gemiddelde datum van 4-7-2005 -de toekenning van een integraal, rechtstreeks en volledig inzagerecht in zijn dossiers en persoonlijke gegevens op straffe van een dwangsom van 200 euro per dag vertraging - de publicatie van het arrest in zijn geheel, of bij uittreksel, in één of meer dagbladen op de wijze die de rechtbank nader bepaalt, op kosten van appellante -appellante tevens te veroordelen tot de kosten van het geding -het arrest uitvoerbaar te verklaren BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Het beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld, zodat het ontvankelijk is.
- Ten Gronde Er bestaat geen betwisting meer m.b.t. de uit het ongeval voortvloeiend arbeidsongeschiktheid doch enkel m.b.t. het bedrag van de daguitkering waarop de heer K. aanspraak kon maken enerzijds en het inzagerecht in het medisch dossier anderzijds.
- Bedrag van de dagelijkse vergoeding De betwisting kadert in een aanvullende vrije verzekering waarbij de heer K. als advocaat-stagiair was aangesloten via de balie te Brussel. Dergelijke verzekering valt onder de bepalingen van de wet van 6-8-1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. Art 9, § 1, 4° van die wet bepaalt dat de statuten van het ziekenfonds de diensten moeten vermelden welke geörganiseerd worden, de voordelen die daarbij worden toegekend en de voorwaarden waaronder zij worden verleend. De heer K. ondertekende op 3-10-2001 een aansluitingsverklaring bij de dienst dagelijkse vergoedingen van de Onderlinge Ziekenkas voor de basisreeks -C0, Balie Brussel, stagiairs. Binnen die basisreeks bedroeg de dagvergoeding in geval van arbeidsongeschiktheid van meer dan 65% 10,41 euro per werkdag. In zijn aansluitingsverklaring verklaarde hij zich akkoord met de statuten en reglementen van de vereniging en bevestigde hij een exemplaar van het bijzonder reglement te hebben ontvangen. De heer K. meent dat hij aanspraak kan maken op de dagvergoeding van 38 euro per werkdag zoals bedongen in de nieuwe overeenkomst die op 19-1-2005 tussen de Nederlandse Orde van Advocaten van de balie van Brussel en de Onderlinge Ziekenkas werd afgesloten. De aanhef van die overeenkomst vermeldt dat de overeenkomst tot doel heeft "aan alle Vlaamse advocaten een gelijke inkomensbescherming te bieden bij arbeidsongeschiktheid en is vanaf 1 januari 2005 toepasselijk op alle advocaten die zijn ingeschreven bij een Vlaamse balie en de toetredingsformaliteiten hebben vervuld." Het is de vraag of de heer K. op basis daarvan automatisch aanspraak kan maken op het nieuwe vergoedingsbarema. Die bepaling kan niet los worden gezien van de overige bedingen van de overeenkomst. Art 6 van die overeenkomst bepaalt "de bepalingen van de overeenkomst(zijn) integraal van toepassing op alle reeds aangesloten leden van de Onderlinge Ziekenkas. Het tijdstip waarop de relevante fysieke ongeschiktheid wordt geëvalueerd is voor de reeds aangesloten leden de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. In de artt. 3, 4 en 5 wordt nader bepaald in welke mate vooraf bestaande aandoeningen al dan niet worden uitgesloten. Het tweede lid van art 6 met betrekking van de evaluatie van de "relevante fysieke ongeschiktheid" voor de reeds aangesloten leden moet worden samen gelezen met de bepalingen van art 3,4 en 5, zoniet lijkt die bepaling geen enkele zin te hebben. Overeenkomstig art 1161 Burgerlijk Wetboek moeten alle bedingen van een overeenkomst worden uitgelegd "het ene door het andere, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele akte voortvloeit. De arbeidsrechtbank stelde dan ook terecht dat die bepaling in die zin kan geïnterpreteerd worden dat voor de arbeidsongeschikte aangeslotenen, de gezondheidstoestand op 1-1-2005 wordt beoordeeld. De interpretatie van de verzekeringsovereenkomst is onderworpen aan de regels van art 1156 tot 1164 Burgerlijk Wetboek. De tekst van de overeenkomst moet, overeenkomstig art 1156 Burgerlijk Wetboek, gelezen worden in het licht van de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen die ze hebben gesloten. De bedoeling van partijen kan uit extrinsieke elementen aan de overeenkomst blijken. In de technische fiche m.b.t. die overeenkomst wordt duidelijk gesteld dat de fysieke ongeschiktheid van de reeds bij de Onderlinge Ziekenkas aangesloten advocaten wordt geëvalueerd op 1-1-
- In de begeleidende brief aan de Stafhouder van 20-2-2005 wordt vermeld: De advocaten die op datum van 31-12-2004 arbeidsongeschikt zijn, kunnen echter niet genieten van de verhoogde voordelen. Bij werkhervatting zal de overschakeling geregistreerd worden. Deze advocaten worden momenteel niet aangeschreven." In een brief aan de Stafouder van 12-9-2005 m.b.t. de situatie van de heer K. herhaalde de Onderlinge Ziekenkas: De overeenkomst met de Orde van Vlaamse Balies voorzag de automatische overschakeling op datum van 1-1-2005 naar de nieuwe basisreeks C38 zonder vervulling van administratieve verplichtingen en zonder wachttijd, voor alle advocaten die niet arbeidsongeschikt waren op datum van 31-12-
- Volgens de algemene verzekeringsprincipes gelden de nieuwe voorwaarden voor de arbeidsongeschiktheid opgetreden na het in voege treden van de overereenkomst (1-1-2005). Voor de advocaten die arbeidsongeschikt waren op 31-12-2004, wordt bij werkhervatting een regularisatie doorgevoerd. .. Het blijkt niet dat de Stafhouder tegen deze uitlegging van de overeenkomst heeft gereageerd waaruit kan worden opgemaakt dat daarmee de gemeenschappelijke bedoeling van partijen werd vertolkt. Tevens blijkt dat voor de heer K. nog steeds een lagere bijdrage werd gevorderd en betaald, nl. deze die gold voor de reeks C0 en niet deze die gold voor de reeks C
- Aan de advocaten die van de nieuwe regeling genoten werd een bericht gestuurd zoals door de Onderlinge Ziekenkas meegedeeld aan de Stafhouder bij brief van 10-2-
- de heer K. heeft dergelijke brief niet ontvangen. Uit de uitvoering van de overeenkomst door partijen blijkt derhalve eveneens dat in geval van een voor 1-1-2005 bestaande arbeidsongeschiktheid de nieuwe voorwaarden niet werden toegepast. Volgens de interpretatieregel van art 1160 Burgerlijk Wetboek moet een overeenkomst worden aangevuld met de daarbij gebruikelijke bedingen hoewel die er niet in zijn uitgedrukt. Derhalve kan ook nuttig worden verwezen naar de bepalingen van de statuten die volgens de wet van 6-8-90 de aangeboden diensten moeten vermelden en de voorwaarden waaronder zij worden verstrekt en naar deze van het bijzonder reglement. De heer K. heeft bij zijn toetreding verklaard van beide teksten kennis te hebben gekregen. De inhoud van de brief aan de Stafhouder sluit aan bij de bepaling van art 50 van de statuten van de Onderlinge Ziekenkas die de grondregels vormen voor het verstrekken van de diensten. In art 50 worden de voorwaarden vermeld waaronder een arbeidsongeschikt lid kan vragen over te gaan naar een andere reeks van de "dagelijkse vergoedingen". Een overgang van een lagere naar een hogere reeks, is volgens die bepaling slechts mogelijk voor zover het lid niet arbeidsongeschikt is. Art 6 van het Bijzonder Reglement bepaalt dat een niet arbeidsongeschikt lid op ieder ogenblik kan aanvragen naar een andere formule van de Dienst Dagelijkse vergoedingen over te gaan. Krachtens §2 geschiedt een overgang van een lagere tussenkomst naar een hogere onder dezelfde voorwaarden als die bepaald voor de toetreding en worden de rechten waarop het lid aanspraak kon maken in de formule waarbij hij aangesloten was tijdens de nieuwe wachttijd behouden. De toetredingsvoorwaarden voorzien o.m. in een medisch onderzoek. De heer K. merkt daarbij op dat zowel art 50 van de statuten als art 6 van het Bijzonder Reglement betrekking hebben op de situatie waarin het lid zelf een wijziging van categorie aanvraagt. Die bepalingen zijn volgens hem niet van toepassing. Het hof stelt vast dat in de statuten geen specifieke regeling wordt vermeld ingeval van collectieve aansluitingen, zodat kan aangenomen worden dat de daarin beschreven regels in alle gevallen gelden, behoudens indien een bijzondere overeenkomst ervan afwijkt. De aangehaalde bepalingen komen bovendien logisch voor nu de overgang naar een hogere reeks de verplichtingen voor de verzekering verzwaren. Zij diende daardoor een hogere dagvergoeding toe te kennen terwijl het risico zich reeds had voorgedaan en de evolutie ervan onzeker was. Zij beantwoorden aan de eigenheid van het verzekeringscontract dat wordt gesloten en waarbij de premie wordt berekend na een appreciatie door de verzekeraar van de ernst van het risico die o.m. gesteund is op de verklaringen van de betrokkenen (verzekerden of begunstigden ) die een beoordeling van het risico mogelijk maken.(M.Fontaine, Droit des assurances, Larcier 2006 nr. 16, nr. 262) In de begeleidende brief aan de Stafhouder worden trouwens dezelfde voorwaarde herhaald. De interpretatieregel van art 1162 Burgerlijk Wetboek waarnaar de heer K. verwijst, geldt slechts subsidiair indien de daaraan voorafgaande interpretatieregels de rechter niet toelaten de overeenkomst uit te leggen, hetgeen hier niet het geval is. Bij eerdere overeenkomsten tussen de Onderlinge Ziekenkas en de balie te Brussel (o.m. deze afgesloten in 1996), werd via de bemiddeling van de Orde van Advocaten van de Balie te Brussel, eveens reeds aan de advocaten en de stagiairs de mogelijkheid geboden aan te sluiten bij de basisreeks van de dienst Dagelijkse Vergoedingen waarbij vergoedingen werden voorzien ingeval van arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte of ongeval met een graad van arbeidsongeschiktheid van meer dan 66% en stopzetting van iedere persoonlijke beroepsactiviteit. Daarin werden volgende toetredingsformaliteiten voorzien: - invullen en ondertekenen van een administratief toetredingsformulier - invullen en ondertekenen van een vertrouwelijk medisch inlichtingenblad + verklaring op eer i.v.m. de gezondheidstoestand - beslissing zonder verhaal vanwege de Raad van Bestuur over de al dan niet aanvaarding en over toegestane afwijkingen -doorlopen van een wachttijd van 6 maanden ondertekening van het inlichtingenblad De overeenkomst bepaalde dat een overgang naar een andere basisreeks mogelijk was op eenvoudig schriftelijk verzoek van de Stafhouder en geschiedde zonder administratieve of medische formaliteiten. Evenmin was een wachttijd voorzien. Deze bepaling kan evenwel niet als grondslag dienen voor de aanspraken van de heer K. op de basisreeks C 38, aangezien die overeenkomst werd vervangen deze van 19-1-2005 die een nieuwe overeenkomst is, binnen de welke de bepaling van art 6, in samenlezing met artt. 3,4 en 5 tot een andere conclusie leiden, zoals hierboven uiteengezet. Het hof is derhalve van oordeel dat de heer K. voor de periode van arbeidsongeschiktheid van 1-1-2005 tot 31-12-2005 geen aanspraak kan maken op de dagvergoedingen in de basisreeks C38 aangezien hij gelet op de reeds vooraf bestaande arbeidsongeschiktheid door de Onderlinge Ziekenkas niet tot die basisreeks werd toegelaten. 2.Inzage medisch dossier De heer K. verduidelijkt dat hij geen "inzagerecht" vordert maar overeenkomstig de Privacy- en Patiëntenrechtenwet om inzage verzoekt in zijn bestand (dossier) met verwijzing naar art 1.3 Privacywet waarin onder "bestand" wordt verstaan: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd is of verspreid op een functioneel of geografisch bepaalde wijze. Het gaat om het bestand met persoonsgegevens dat de Onderlinge Ziekenkas sedert zijn toetreding in 2001 over hem bijhoudt, verwerkt en raadpleegt. De Onderlinge Ziekenkas betwistte aanvankelijk het recht van de heer K. op inzage van zijn medisch dossier. De heer K. noteert dat zij in haar verzoekschrift tot hoger beroep dit recht voor het eerst heeft erkend doch hij stelt nog steeds geen inzagerecht in zijn dossier te hebben gekregen. Art 9 van de wet van 22-8-2002 betreffende de rechten van de patiënt, bepaalt dat de patiënt recht heeft op inzage in het hem betreffend patiëntendossier en dat aan zijn verzoek tot inzage onverwijld en binnen de 15 dagen na ontvangst ervan gevolg wordt gegeven. Het toepassingsgebied van die wet werd aanvankelijk als volgt bepaald: "Deze wet is van toepassing op privaatrechtelijke en prubliekrechtelijke rechtsverhoudingen inzake gezondheidszorg verstrekt door een beroepsbeoefenaar aan een patiënt". De patiënt wordt in die wet omschreven als "de natuurlijke persoon aan wie gezondheidszorg wordt verstrekt" en de gezondheidszorg als "de diensten verstrekt door een beroepsbeoefenaar met het oog op het bevorderen, vaststellen, behouden, herstellen of verbeteren van de gezondheidstoestand van een patiënt of om de patiënt bij het sterven te begeleiden." Aangezien verzekerings- en controlegeneeskunde betrekking hebben op het "vaststellen" van de gezondheidstoestand van een patiënt, is de wet ook van toepassing op die domeinen van de geneeskunde. Toch was er geruime tijd onduidelijkheid m.b.t. de toepassing van die wet op de verzekerings- en controlegeneeskunde. In het jaarverslag van de Federale Ombudsdienst "Rechten van de patiënt" van 2005 werd zulk bevestigd en werd als aanbeveling gegeven dat de wetgever duidelijk de manier zou aangeven waarop de wet betreffende de rechten van de patiënt op de expertise- en controlegeneeskunde van toepassing is en dit op basis van art 3§2 van de wet betreffende de rechten van de patiënt. Daarom werd bij de wet van 13-12-2006 ter verduidelijking van de bestaande tekst in het toepassingsgebied zoals hierboven aangehaald toegevoegd dat zowel "de contractuele als de buitencontractuele rechtsverhoudingen" werden bedoeld. (art 61 van de wet van 13-12-2006, in werking getreden op 1-1-2007) In de memorie van toelichting van de wet werd vermeld dat het steeds de bedoeling was geweest dat zowel de contractuele als de buitencontractuele rechtsverhoudingen onder het toepassingsgebied vallen. (Parl. St. Kamer 2005-06, 51 -2594/1,56) Bovendien verwijst de wet van 22-8-2002 naar de wet van 8-12-1992 op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Die wet onderwerpt de verwerking van de persoonsgegevens aan bepaalde strikte voorwaarden en kent aan de betrokken persoon bepaalde rechten toe, waaronder een inzagerecht. Het verzamelen van informatie m.b.t. een persoon in een bestand kan reeds worden beschouwd als verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld door die wet. Art 1 §2 van die wet definieert de verwerking als "elke bewerking of geheel van bewerkingen m.b.t. persoonsgegevens al dan niet uitgevoerd met geautomatiseerde procédés, als verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerking, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei wijze ter beschikking stellen , samen brengen, met elkaar in verband brengen, alsmede uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens." Art 10 §2 van die wet bepaalt verder dat "onverminderd hetgeen is bepaald in art 9 §2 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, heeft elke persoon het recht om hetzij op rechtstreekse wijze, hetzij met behulp van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg kennis te krijgen van de persoonsgegevens die betreffende zijn gezondheid worden verwerkt". De heer K. verwijst naar de vermeldingen op het toetredingsformulier van appellante waarin het recht om kennis te nemen van persoonlijke gegevens zoals ze in haar bestanden geregistreerd werden wordt bevestigd. Daaruit blijkt dat die gegevens in een bestand zijn verwerkt. Terecht heeft de arbeidsrechtbank beslist dat appellante die wettelijke bepalingen heeft miskend. Zij is er inderdaad toe gehouden de heer K. krachtens art 9§2 patiëntenrechtenwet inzage te verlenen zijn volledig patiëntendossier en krachtens art 10, § 2, privacywet kennis te geven van de persoonlijke gegevens die hem betreffen en die in haar bestanden werden geregistreerd en niet enkel het verslag van dr. Lindemans waarvan de heer K. erkent dat hij er intussen inzage van heeft kunnen nemen. De heer K. houdt ten onrechte voor dat hem door appellante het recht op verdediging en verhaalsrecht werd belet door hem de toegang tot zijn dossier te ontzeggen. Zoals het openbaar ministerie terecht opmerkt kon hij zich tegen de weigering wenden tot de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kortgeding, zoals voorzien bij art 14 van de wet verwerking persoonsgegevens en kon hij de mededeling van deze gegevens eveneens via de gevoerde procedure voor de arbeidsrechtbank vorderen. Wat de niet-tegenstelbaarheid van het in opdracht van appellante uitgevoerde medisch onderzoek betreft, stelt het hof vast dat het medisch deskundig onderzoek dat door de arbeidsrechtbank werd bevolen in ieder geval tegensprekelijk gebeurde. De heer K. vordert een materiële schadevergoeding voor het opsporen en vaststellen van de schade en het herstel in rechte waarvoor hij een beroep heeft gedaan op een raadsman en andere medische dienstverleners en voor de kosten van het samenstellen en opvolgen van het dossier, in het bijzonder het aangetekend versturen van bepaalde briefwisseling aan appellante. Aanvankelijk vorderde hij hiervoor een bedrag van 750 euro, waaronder: administratiekosten: 250 euro, talrijke verplaatsingen, 250 euro en kosten medische dienstverleners 250 euro. In zijn laaste conclusie wordt dit bedrag verhoogd tot 1.791,77 euro zonder verdere verantwoording. Wat de materiële schadevergoeding betreft, meent het hof dat enkel voor de erelonen van de medische dienstverlener een bewijs wordt voorgelegd. Die kosten houden verband met een betwisting van de conclusie m.b.t. de graad van arbeidsongeschiktheid van Dr.Lindemans die de heer K. in opdracht van appelante onderzocht. Die kosten staan derhalve niet in verband met een fout die appellante zou kunnen worden aangerekend. Dergelijke kosten kunnen worden verhaald t.o.v. de voor het ongeval aansprakelijke derde, als deel van de opgelopen schade. Voor het overige aanvaardt het hof slechts materiële kosten t.b.v. 100 euro ex aequo et bono. Verder vordert de heer K. een morele schadevergoeding van 1000 euro. Hij meent deze te kunnen verantwoorden door de onrechtmatige verbreking van de overeenkomst door het stopzetten van de vergoedingen op basis van een eenzijdige overeenkomst, schending van de algemene zorgvuldigheidsplicht o.m. wegens het niet volgen van de uitdrukkelijke uitsluitingsprocedure en met betrekking tot haar onjuiste toepassing van de patiëntenrechtenwet en privacywet tegen het expliciet standpunt van de Orde van Geneesheren en de Ombudsdienst FOD Volksgezondheid. Het hof weerhoudt enkel de miskenning door appellante van de rechten van de heer K. op grond van de patiëntenrechtenwet en de privacywet, en bepaalt omwille van haar halsstarrige houding de morele schadevergoeding hiervoor op 250 euro, ex aequo et bono. Het hof acht geen tekortkoming bewezen aan de informatieverplichting met betrekking tot de verzekeringsovereenkomst. Het hof acht zich niet bevoegd tot het uitspreken van strafsancties als bepaald in art 39 en in art 40 van de wet van 8-12-1992 van de wet bescherming persoonsgegevens. Deze kunnen enkel door de strafrechter worden opgelegd. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24 Rechtsprekende op tegenspraak. Gelet op het grotendeels eensluidend schriftelijk advies van de heer J.-J. André neergelegd ter griffie op 19-12-2008 en op de repliek van de heer K. daarop, neergelegd ter griffie op 22-1-2009 Verklaart het principaal en het incidenteel hoger beroep beide ontvankelijk Verklaart zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep gedeeltelijk gegrond in de hierna bepaalde mate. Hervormt het bestreden vonnis in de mate dat daarin bepaald werd dat de heer K. recht had op dagvergoedingen aan 38 euro voor de periode van 1-1-2005 tot en met 31-12-2005 en in de mate dat de Onderlinge Ziekenkas veroordeeld werd tot 1 euro symbolische schadevergoeding. Bevestigt het voor het overige. Zegt voor recht dat de heer K. voor de periode van 1-1-2005 tot en met 31-12-2005, slechts aanspraak kan maken op de dagvergoedingen aan 10,41 euro per werkdag. Zegt voor recht dat de Onderlinge Ziekenkas gehouden is de heer K. volledige en rechtstreekse inzage te verlenen in zijn dossiers en persoonlijke gegevens die zij in haar bestand heeft geregistreerd, met uitzondering van de persoonlijke notities van de beroepsuitoefenaar en van de gegevens die betrekking hebben op derden, binnen de 15 dagen na de kennisgeving van voorliggend arrest, op straffe van een dwangsom van 50 euro per dag vertraging. Veroordeelt de Onderlinge Ziekenkas tot betaling aan de heer K. van een materiële schadevergoeding t.b.v. 100 euro ex aequo et bono en een morele schadevergoeding t.b.v 250 euro wegens miskenning van zijn recht tot inzage van zijn gegevens op basis van de wet van 22-8- 2002 met betrekking tot de rechten van de patiënt en van de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van 8-12-
- Legt de proceskosten in hoger beroep ten laste van onderlinge ziekenkas van de onderlinge maatschappij overeenkomst artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. Begroot het bedrag van de proceskosten in hoofde van de Ewout op 145,78 euro als rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: G. Balis, kamervoorzitter; I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; K. Gacoms, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. G. Balis S. Van der hoeven I. Van Damme K. Gacoms De heer I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door G. Balis, kamervoorzitter en K. Gacoms, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider. S. Van der hoeven, griffier. En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel op vijf maart tweeduizend en negen door : G. Balis kamervoorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. G. Balis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090305.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div