← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090306.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090306.6 Rolnummer: 50.619 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 19:21 Fiche Voor de forfaitaire vergoeding van artikel 106 AOW voorzien bij scheriding van een concurrentiebeding van een handelsvertegenwoordiger geldt hetzelfde loonbegrip al dit van artikel 39 AOW. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Handelsvertegenwoordigers Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - HANDELSVERTEGENWOORDIGERS - Loonbegrip schending concurrentiebeding. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 106 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 MAART

  1. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer T.L. , wonende te [xxx], Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter H. Veestraeten loco Mter W. Meuwissen, advocaat te 2018 Antwerpen; Tegen : DE N.V. HYDROFLEX HYDRAULICS BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1853 Grimbergen, Otto de Mentockplein, 19, met ondernemingsnummer 0406.409.115, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter G. Coene, advocaat te 1040 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op 26 oktober 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 29 januari 2008; - de besluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof op 25 maart 2008; - de besluiten voor appellant neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 mei 2008; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 6 februari 2009, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x
  2. FEITEN EN RECHTSPLEGING. De heer T.L. kwam met ingang van 3 mei 1982 in dienst van de N.V. Hydroflex-Euroflex ( thans genaamd de N.V. Hydroflex Hydraulics Belgium, hierna afgekort tot Hydroflex) als handelsvertegenwoordiger. In artikel 11 van de geschreven arbeidsovereenkomst van 27 april 1982 werd een concurrentiebeding opgenomen, als volgt : De werknemer verbindt er zich toe om, bij de beëindiging van het onderhavig dienstverband, binnen de twaalf maanden volgend op deze beëindiging, geen soortgelijke activiteit uit te oefenen, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden bij een concurrerende werkgever, in de sector waarin hij zijn activiteit uitoefent. Bij de minste schending door de werknemer van bovenstaand concurrentiebeding zal de werknemer aan de werkgever een forfaitaire schadevergoeding verschuldigd zijn, gelijk aan drie maanden loon, berekend over het gemiddelde van de laatste twaalf maanden van het dienstverband. ... In artikel 10 van deze overeenkomst wordt het gebied omschreven waarin de heer T.L. zijn handelsvertegenwoordigingactiviteiten uitoefende. Samen met een aantal andere wijzigingen werd dit artikel 10 aangepast in een wijzigingsovereenkomst van 9 januari 2006, waar het werkgebied werd bepaald als volgt : Antwerpen ( regio 70), Limburg ( regio 71), Oost-Vlaanderen ( regio 72), West-Vlaanderen ( regio 73) en Vlaams-Brabant ( regio 74), in België welke zijn onderverdeeld in de desbetreffende regio's gebaseerd op de bestaande postcodes. Op 19 april 2004 had de heer T.L. een aangetekend schrijven ontvangen in verband met zijn functioneren waarin hem duidelijk werd gemaakt dat hij in zijn functie van vertegenwoordiger een commerciële gangmaker binnen de aan hem toegewezen sector diende te zijn. Bij schrijven van 24 januari 2006 liet de heer T.L. aan Hydroflex weten dat hij het bedrijf wenste te verlaten op 31 januari
  3. Hierover werd een overeenkomst opgemaakt op 27 januari 2006 waarbij de beëindigingdatum bij onderling akkoord werd vastgelegd op 31 januari 2006 te 24 uur. In artikel 2 van deze overeenkomst bevestigen partijen dat het artikel 11 Concurrentiebeding van de bestaande arbeidsovereenkomst van 27 april 1982 onverminderd van kracht zal blijven tot 31 januari 2007 te 24 uur. Op 21 februari 2006 stelde Hydroflex de heer T.L. aangetekend in gebreke wegens schending van dit concurrentiebeding en er werd hem een schadevergoeding gevraagd van euro 12.301,
  4. Op 8 maart 2006 betwistte de heer T.L. deze ingebrekestelling en preciseerde hij dat hij tewerkgesteld was bij de van de Eriks groep deeluitmakende firma LMC-couplings N.V., die geen soortgelijke activiteiten uitoefende en dat hij bovendien werkzaam was in de Waalse provincies. Op 15 mei 2006 bevestigde Hydroflex de schending van het concurrentiebeding en verwees hiervoor naar een verklaring van de N.V. Union en naar het feit dat hij ondanks zijn beweringen regelmatig actief was voor de N.V. Vemoflex in zijn voormalig werkgebied. Ook dit werd opnieuw door de heer T.L. betwist op 24 mei 2006, waarbij hij zich hield aan zijn eerder standpunt. Partijen kwamen aldus niet tot overeenstemming en op 20 juli 2006 dagvaardde Hydroflex de heer T.L. in betaling van : - een schadevergoeding wegens schending van een niet- concurrentiebeding van euro 21.660,60, meer de moratoire intresten vanaf 21 februari 2006; - euro 1 provisioneel wegens advocatenkosten. Bij conclusie van 7 mei 2007 werd deze vordering op grond van artikel 807 Ger. Wb. uitgebreid met een schadevergoeding van euro 21.660,60 wegens oneerlijke concurrentie, meer de vergoedende intresten vanaf 21 februari
  5. Bij vonnis van 26 oktober 2007 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd de gevraagde schadevergoeding wegens schending van het niet- concurrentiebeding toegekend maar werd het meergevorderde afgewezen. Dit vonnis werd betekend op 3 januari
  6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 29 januari 2008, tekende de heer T.L. hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering van Hydroflex volledig ongegrond zou worden verklaard; in ondergeschikte orde vroeg hij een herleiding van de schadevergoeding wegens schending van het niet- concurrentiebeding tot euro 12.301,
  7. Hydroflex tekende incidenteel beroep aan en vroeg dat haar volledige vordering, zoals uitgebreid, gegrond zou worden verklaard, behalve de gevraagde advocatenkosten waarvoor zij nu het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding vraagt.
  8. BEOORDELING. Gelet op de betekening van het vonnis van de eerste rechter op 3 januari 2008, werd het hoger beroep op 29 januari 2008 tijdig ingesteld. Ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten werd voldaan, wat overigens niet wordt betwist. Het incidenteel beroep is evenzeer ontvankelijk.
  9. De schending van het niet-concurrentiebeding. Alhoewel de geldigheid van het niet-concurrentiebeding voor de eerste rechter werd aanvaard, houdt Hydroflex thans voor dat het niet-concurrentiebeding niet zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 65 van de arbeidsovereenkomstenwet, zoals uitgebreid tot de bedienden door artikel 86 van deze wet, omdat in artikel 11 van de initiële arbeidsovereenkomst voor de territoriale omschrijving verwezen wordt naar de sector, terwijl in de andere bepalingen van deze arbeidsovereenkomst hiervoor het woord gebied (vgl. artikel 10) wordt gebruikt. In de huidige interpretatie van de heer T.L. zou het woord sector dan ook eerder betrekking hebben op een afdeling van het economisch leven. Deze koerswijziging van de heer T.L. is weinig overtuigend, omdat ook tijdens zijn tewerkstelling het woord sector samen met het woord gebied werd gebruikt voor de territoriale omschrijving van zijn werkzaamheid. Dit kan afgeleid worden uit het schrijven van 19 april 2004 waarin zijn verantwoordelijkheid als vertegenwoordiger werd benadrukt als commerciële gangmaker binnen de aan u toegewezen sector. Partijen hebben bovendien het woord sector in hun onderlinge briefwisseling nooit gebruikt om te verwijzen naar een afdeling van het economisch leven. Op grond van artikel 1156 B. W. moet in de overeenkomst de gemeenschappelijke bedoeling van partijen worden nagegaan, veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden. Bovendien moeten de bewoordingen worden opgevat in de zin die met de inhoud van het contract het best overeenstemt ( artikel 1158 B.W.). Een lezing als zou het woord sector in artikel 11 verwijzen naar een afdeling van het economisch leven leidt tot een moeilijk begrijpbare constructie, daar in de tekst van art. 11 ook reeds verwezen werd naar de verbintenis om geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen. Met het woord sector werd dan ook wel degelijk verwezen naar de geografische omschrijving en dit was de gemeenschappelijke bedoeling van partijen. Het concurrentiebeding is dan ook geldig en niet mis te verstaan. De heer T.L. heeft het niet-concurrentiebeding niet overtreden door in dienst te treden bij de N.V. LMC Couplings., er wordt immers niet betwist dat deze onderneming een andere activiteit uitoefende dan Hydroflex en dat de werkzaamheid van de heer T.L. zich situeerde in een andere geografische sector, met name het Waalse landsgedeelte. Nochtans behoorde deze nieuwe werkgever van de heer T.L. tot de Eriks groep, waartoe ook de N.V. Vemoflex behoort die wel een rechtstreekse concurrent van Hydroflex is, zoals aangetoond wordt door de catalogi van beide vennootschappen ( zie stuk 15 Hydroflex). Vemoflex en LMC Couplings zijn gevestigd op hetzelfde adres, maar hebben daar wel een afzonderlijk telefoonnummer, faxnummer en website ( zie stuk 12 Hydroflex). Op 27 april 2007 bevestigde de afgevaardigd beheerder van de bvba Claeys & Zn. dat uw oud werknemer, de heer T.L. die hier in de afgelopen jaren de producten van Hydroflex Hydraulics heeft verkocht, ons in het jaar 2006 heeft bezocht en producten heeft aangeboden en verkocht van het concurrerende bedrijf Vemoflex N.V. ( stuk 13 Hydroflex). Dit stuk wijst op een feitelijke en daadwerkelijke schending van het niet- concurrentiebeding. Deze verklaring ligt in dezelfde lijn dan de eerdere bevestiging van de afgevaardigde beheerder van de bvba Claeys & Zn. van 4 september 2006 waarin gezegd wordt dat ze sedert februari 2006 niet meer bij Hydroflex kocht omwille van de persoon T.L. , bij wie ze hun aankopen deden. Samen met de eerste rechter is ook het hof van oordeel dat de complaisance-ontkenning van 4 juni 2007 in die omstandigheden niet geloofwaardig is, temeer daar geen enkel feitelijk element wordt aangegeven waarom de gedetailleerde bevestiging van 27 april 2007 onjuist zou zijn. Ook uit de verklaring van de N.V. Union van 1 september 2006 volgt dat de heer T.L. na februari 2006 zich als concurrerende leverancier heeft aangeboden; het feit dat de verklaring bevestigt dat men de expertise van T.L. gevolgd is, kan niet anders beduiden dan dat de heer T.L. zich aldaar actief concurrerend heeft opgesteld. Terecht onderlijnt de eerste rechter dat de daadwerkelijke contacten van de heer T.L. namens de concurrerende firma Vemoflex ook geïllustreerd worden door het feit dat hij zijn documenten via de fax van deze zusteronderneming verzendt, terwijl LMC Coupling, alwaar hij ingeschreven is als werknemer, op hetzelfde adres over een ander faxtoestel beschikt. Met het geheel van deze elementen en verklaringen is het voor het arbeidshof dan ook aangetoond dat het niet-concurrentiebeding in de feiten door de heer T.L. werd overtreden, zodat de eerste rechter terecht de bedongen schadevergoeding van 3 maanden heeft toegekend. In artikel 11 van de arbeidsovereenkomst wordt aanvaard dat deze forfaitaire schadevergoeding, gelijk aan 3 maanden loon, berekend wordt over het gemiddelde van de laatste 12 maanden van het dienstverband. Partijen hebben discussie over de berekeningswijze van deze vergoeding. Ze aanvaarden dat de vergoeding moet worden berekend op het gemiddelde van het vast maandelijks loon en van het commissieloon. Dit kan worden nagegaan op grond van de individuele rekening 2005 en de loonfiche januari 2006, zoals voorgebracht onder de stukken 10 en 11 van Hydroflex. Terecht wijst de heer T.L. erop dat voor het gewone loon niet enkel mag rekening worden gehouden met het loon van januari 2006 maar dat het gemiddelde voor de laatste 12 maanden euro 1.638,75 bedraagt. Anderzijds dient Hydroflex te worden gevolgd dat het gemiddeld commissieloon van de laatste 12 maanden euro 27.209/12 = euro 2.267,42 bedraagt (de heer T.L. vergist zich in het commissieloon van april 2005 = euro 2.891,76 i.p.v. euro 1.891,76). Met verwijzing naar een arrest van het arbeidshof Gent van 11 februari 2005 houdt de heer T.L. voor dat voor de berekening van de schadevergoeding geen rekening mag gehouden worden met het dubbel vakantiegeld dat niet als loon kan worden beschouwd doch enkel als voordeel verworven krachtens de overeenkomst in de zin van artikel 39 § van de arbeidsovereenkomstenwet. Het arbeidshof volgt deze stelling niet. In verband met de jaarlijkse loongrens waaronder het concurrentiebeding als onbestaande wordt beschouwd in de zin van artikel 104 van de arbeidsovereenkomstenwet heeft het Hof van Cassatie immers uitdrukkelijk bepaald dat hier hetzelfde loonbegrip geldt als dit van artikel 39 § 1 van de arbeidsovereenkomstenwet (Cassatie, 16 juni 1998, J.T.T. 1999, 80 met noot D.Aguilar). Waar in artikel 106 voor de bepaling van de forfaitaire vergoeding verwezen wordt naar 3 maanden loon, dient ook voor deze bepaling hetzelfde loonbegrip in acht te worden genomen (zie in dezelfde zin Arbeidshof Antwerpen, 3 februari 1997, R.W. 1996-1997, 1444 en Arbeidshof Antwerpen, 2 maart 1989, J.T.T. 1989, 141). De voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst zijn overigens in beginsel toegekend als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeidsovereenkomst gepresteerde arbeid en zijn dus in beginsel bestanddelen van het loon in de arbeidsrechtelijke zin (Cassatie, 6 februari 2006, J.T.T. 2006, 250; R.W. 2006 -07, 1084., Soc. Kron 2007, 136). Hieruit volgt dat juist zoals bij artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet ook hier met het dubbel vakantiegeld moet worden rekening gehouden. De schadevergoeding moet dan ook worden berekend als volgt : vast loon euro 19.665,02 : 12 = euro 1.638,75 commissieloon euro 27.209,00 : 12 = euro 2.267,42 totaal euro 3.906,17 x 13,92 = euro 54.373,89 privaat gebruik firmawagen euro 300 x 12 = euro 3.600,00 loon 12 maanden euro 57.973,89 Een schadevergoeding van drie maanden bedraagt derhalve 57.973,89/12 x 3 = euro 14.493,47 In die mate is het hoger beroep gegrond. 2.
  10. Schadevergoeding wegens onrechtmatige concurrentie. Terecht heeft de eerste rechter vastgesteld dat deze uitbreiding van de vordering bij conclusie van 7 mei 2007 verjaard is omdat zij meer dan een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst werd ingesteld. Het voorwerp van deze nieuwe vordering was niet virtueel begrepen in het voorwerp van de bij dagvaarding geformuleerde eis. Het arbeidshof verwijst hiervoor naar de nauwgezette motivering van de eerste rechter die het als volledig hernomen beschouwt. Terecht heeft de eerste rechter ook overwogen dat in zoverre de vordering zou steunen op daden van oneerlijke concurrentie die hebben plaatsgevonden na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, deze vordering niet verjaard is in zoverre ze betrekking heeft op feiten die zich hebben voorgedaan minder dan één jaar voor 7 mei 2007, maar dat er geen elementen worden aangebracht die zouden wijzen op enige oneerlijke concurrentie tijdens die periode, omdat er buiten de feiten van gewone concurrentie geen andere feiten worden naar voren gebracht die blijk zouden geven van een bijzonder opzet om de vroegere werkgever te benadelen of om misbruik te maken van vertrouwelijke informatie die de heer T.L. had bekomen in het kader van zijn eerdere tewerkstelling. De verklaringen i.v.m. de werkzaamheid voor Vemoflex wijzen enkel op een gewone concurrentiële activiteit, die alleen omwille van het niet-concurrentiebeding niet toegestaan was. Het incidenteel beroep is dan ook ongegrond. Gelet op het feit dat beide partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk zijn gesteld, dienen de gerechtskosten van het hoger beroep te worden omgeslagen bij gelijke helften; beide partijen aanvaarden het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, zijnde euro
  11. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond, Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond., Hervormt het bestreden vonnis wat betreft de begroting van de toegekende schadevergoeding wegens schending van het niet-concurrentiebeding, die dient te worden herleid tot euro 14.493,47; bevestigt het vonnis voor al het overige; Compenseert de gerechtskosten van het hoger beroep en verdeelt deze bij gelijke helften over beide partijen, deze aan de zijde van beide partijen begroot op euro 2500 ( basisvergoeding). Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De Heer E. VAN LAER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer H. ENGELEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS, E. VAN LAER. H. ENGELEN. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 maart 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090306.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.