id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTB
§ 3
. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - TIJDELIJKE ARBEID EN UITZENDARBEID. Wettelijke bepalingen: Wet - 24-07-1987 - 1 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Nota: Gerangschikt onder II K II art. 1. Eveneens gerangschikt onder II K II artt. 20 en 21 en onder II CN art. 67 § 1. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I L (Wet 8/08/1980), art. 73 en I A artt. 1022, 3°
§ 3
. Wettelijke bepalingen: Wet - 24-07-1987 - 20 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Nota: Gerangschikt onder II K II art.
- Eveneens gerangschikt onder II K II artt. 1 en 21 en onder II CN art. 67 §
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I L (Wet 8/08/1980), art. 73 en I A artt. 1022, 3°
§ 3
. Wettelijke bepalingen: Wet - 24-07-1987 - 21 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Nota: Gerangschikt onder II K II art.
- Eveneens gerangschikt onder II K II artt. 1 en 20 en onder II CN art. 67 §
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I L (Wet 8/08/1980), art. 73 en I A artt. 1022, 3°
§ 3. Fiche 5 Wanneer men voorhoudt dat de Koning geen bevoegdheid heeft om een K.B.
uit te vaardigen omwille van een periode van lopende zaken, dan bedoelt men met 'lopende zaken' zowel de dringende als de lopende zaken (R.v.St. 18 december 2007, nr. 178.
(19): als lopende zaken worden beschouwd: zaken die de normale voortzetting zijn van een voor het ontslag van de regering regelmatig ingezette procedure, wat in concreto moet worden getoetst. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Federale wetgevende macht - Algemeen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - PUBLIEK- EN ADMINISTRATIEF RECHT - Lopende zaken. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1980 - 73 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Nota: Gerangschikt onder I L (Wet 8/08/1980), art. 73. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder II CN art. 67 § 1; II K II artt. 1, 20 en 21; I A artt. 1022, 3°
§ 3
. Fiches 6 - 7 In de mate dat de wet verhaalbaarheid van 21 april 2007 enkel voorziet in de forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen ten voordele van een in het gelijkgestelde partij, die door een advocaat wordt vertegenwoordigd, heeft ze tot gevolg dat de collectivisering van het risico van rechtsbijstand van door vakbondsafgevaardigden vertegenwoordigde werknemers eerder wordt gehypothekeerd dan gecorrigeerd. Artikel 1022, derde lid Ger.Wb. voorziet niets in verband met het door geïntimeerde gevraagde onderschrijden van het minimumbedrag. zodat de rechter bij interpretatie van de wettekst in het licht van de standstill-inhoud van artikel 23 van de Grondwet hiertoe kan beslissen teneinde het syndicaal rechtsbijstandstelsel. dat zijn grondslag vindt in artikel 728 §3 Ger. Wb., in zijn eerdere vorm te zien standhouden. De precisering van de minister van Justitie in de parlementaire voorbereiding dat de regering niet beoogt toe te staan dat een rechtsplegingsvergoeding onder het minimum wordt vastgelegd (Parl. St., Kamer, 2006 -2007, DOC 51 - 2891/002, p. 14), doet hieraan geen afbreuk. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Onderschrijden van minimumrechtsplegingsvergoeding verschuldigd door een werknemer, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1022,L3 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Gerangschikt onder I A art. 1022, 3° lid. Eveneens gerangschikt onder I A art. 728 §
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder II CN art. 67 § 1; II K II artt. 1, 20 en 21 en onder I L (Wet 8/08/1980), art.
- UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Verschijning van partijen - Syndicaal vertegenwoordiger Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Onderschrijden van minimumrechtsplegingsvergoeding verschuldigd door een werknemer, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 728,§3 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Gerangschikt onder I A art. 728 §
- Eveneens gerangschikt onder I A art. 1022, 3° lid. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder II CN art. 67 § 1; II K II artt. 1, 20 en 21 en onder I L (Wet 8/08/1980), art.
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 MAART
- 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Mevrouw F. P., Appellante, vertegenwoordigd door Mevrouw E. Vande Velde, syndicaal afgevaardigde, drager van volmacht; Tegen : CASINOS AUSTRIA INTERNATIONAL HOLDING GMBH, vennootschap naar Oostenrijks recht, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Duquesnoystraat, 14, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter S. Cockx, advocaat te 1000 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (4de kamer) op 4 februari 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 4 april 2008; - de besluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 juli 2008; - de besluiten voor appellante neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 september 2008; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 6 februari 2009, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x
- FEITEN EN RECHTSPLEGING. Mevrouw P. werkte van 31 oktober 2005 tot en met 30 december 2005 als interim-kracht voor GMBH Casinos Austria International holding (hierna afgekort als Casinos Austria) via Adecco Personnel Services. Daaropvolgend werd zij door Casinos Austria met ingang van 2 januari 2006 aangeworven als marketing bediende; in de arbeidsovereenkomst, opgemaakt op 28 december 2005, werd een proefbeding van 6 maanden opgenomen. Op 9 mei 2006 werd deze arbeidsovereenkomst beëindigd met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 7 dagen. Bij schrijven van de vakorganisatie van mevrouw P. van 17 juli 2006 werd een aanvullende opzeggingsvergoeding op basis van 3 maanden gevraagd, met verwijzing naar rechtspraak die oordeelt dat na een interim-tewerkstelling voor dezelfde functie een proefbeding geen bestaansreden heeft en ongeldig zou zijn. Casinos Austria verwees daarop naar andersluidende rechtspraak die de geldigheid van het proefbeding wel aanvaardt en ze betwistte de vordering van mevrouw P.. Partijen kwamen niet tot overeenstemming en op 9 maart 2007 dagvaardde mevrouw P. Casinos Austria voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 6.680,26, feestdagenloon van euro 92,31 en vakantiegeld hierop van euro 14,16 en in de afgifte van de aangepaste sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom; tijdens de procedure werd het feestdagenloon en het vakantiegeld hierop uitbetaald. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 4 februari 2008 werd de vordering, behoudens de afgifte van de juiste sociale en fiscale documenten, afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond omwille van het geldige proefbeding. De gerechtskosten werden ten laste van mevrouw P. gelegd. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 4 april 2008, tekende mevrouw P. hoger beroep aan en hernam ze haar oorspronkelijke vordering in verband met de opzeggingsvergoeding; tevens vorderde ze de betaling van de gerechtskosten.
- BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.1 Is het proefbeding geldig? Mevrouw P. verwijst naar rechtspraak die stelt dat een proefbeding de geschiktheid van een werknemer beoogt na te gaan, zodat een proefbeding niet kan aanvaard worden wanneer de werknemer vooraf reeds éénzelfde functie voor de werkgever had uitgeoefend. Artikel 67 §1 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt : De arbeidsovereenkomst kan een beding van proeftijd bevatten. Op straffe van nietigheid moet dat beding voor iedere bediende afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld, uiterlijk op het tijdstip waarop de bediende in dienst treedt. De verwijzing naar de indiensttreding houdt in dat het uitoefenen van een zelfde functie voor de werkgever maar kan gelden als bezwaar voor een proefbeding, wanneer het gaat over een indiensttreding bij dezelfde werkgever. Bij uitzendarbeid wordt weliswaar een deel van het werkgeversgezag uitgeoefend door de gebruiker, maar het werkgeverschap komt toe aan het uitzendbureau, daar de arbeidsovereenkomst tussen uitzendkracht en uitzendbureau wordt afgesloten. Ongeacht de complementariteit vanuit het oogpunt van de uit te oefenen werkzaamheid, vormen een uitzendbureau en de gebruiker niet dezelfde economische exploitatie-eenheid, omdat uitzendarbeid essentieel gericht is op een tijdelijke tewerkstelling; in deze zaak was de duur van de uitzendarbeid bovendien korter dan de toegelaten duur van een proefperiode, zodat hier op geen enkele wijze kan worden voorgehouden dat de finaliteit van een proefbeding in het gedrang zou zijn gebracht (vgl. M. Demedts, Het beding van proeftijd bij verandering van werkgever, RABG 2007, 69). Hieruit volgt dat, wanneer de gebruiker bij een regelmatige uitzendovereenkomst nadien dezelfde arbeidskracht zelfstandig aanwerft, dit een andere indiensttreding betreft, zodat er een beding van proeftijd in de nieuwe arbeidsovereenkomst kan worden opgenomen mits dit voldoet aan de voorwaarden van artikel 67 (Arbh. Brussel, 16 oktober 2007, J.T.T. 2008, 125). Weliswaar wil mevrouw P. hiertegenover het arrest van het arbeidshof Luik van 23 januari 2007 ( J.T.T. 2007, 201) stellen omdat in dit arrest gezegd wordt dat een overeenkomst en dus ook het proefbeding een geoorloofd voorwerp en een geoorloofde oorzaak moeten hebben, wat niet het geval zou zijn wanneer de werknemer voorafgaandelijk als interim-kracht een zelfde functie zou hebben uitgeoefend. Nochtans wijst ook dit arrest op het feit dat de rechtspraak en rechtsleer de geldigheid van een dergelijk proefbeding in de regel aanvaarden omdat het uitzendbureau en de nadien aanwervende werkgever verschillende entiteiten zijn. Hiervan kan afgestapt worden wanneer de interim-arbeid oneigenlijk gebruikt wordt; immers artikel 21 van de wet van 24 juli 1987 bepaalt dat tijdelijke arbeid maar toegelaten is binnen de termen van artikel 1 van deze wet en dat anders ingevolge artikel 20 van de wet de gebruiker en de interim-kracht beschouwd worden als verbonden door een arbeidsovereenkomst. Volgens artikel 1 van de wet van 24 juli 1987 is tijdelijke arbeid maar mogelijk wanneer het gaat om de vervanging van een vaste werknemer of over arbeid, die beantwoordt aan een tijdelijke vermeerdering van werk die zorgt voor de uitvoering van uitzonderlijk werk. In huidige zaak bevestigen partijen ter zitting dat er geen betwisting meer is over de regelmatigheid van het interim-werk van 31 oktober 2005 tot 30 december 2005 ( zie overigens stuk 5 van de werkgever). Er is dus geen oneigenlijk gebruik van de interim-arbeid, zodat ook in het licht van het door appellante aangehaalde arrest van het arbeidshof Luik het proefbeding geldig is. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. 2.2 De gerechtskosten. 2.2.
- Het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding. Wat betreft de exceptie van illegaliteit t.a.v. het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, stelt geïntimeerde dat de Koning dit K.B. heeft uitgevaardigd op een ogenblik dat de regering ontslagnemend was en dus enkel bevoegd kon zijn voor lopende zaken. Wanneer men voorhoudt dat de Koning geen bevoegdheid heeft om een K.B. uit te vaardigen omwille van een periode van lopende zaken, dan bedoelt men met "lopende zaken" zowel de dringende als de lopende zaken (R.v.St. 18 december 2007, nr. 178.019); als lopende zaken worden beschouwd : zaken die de normale voortzetting zijn van een voor het ontslag van de regering regelmatig ingezette procedure, wat in concreto moet worden getoetst (R.v.St. 3 november 1997, nr. 69.331, overweging 3.1.3). In deze zaak verwijst geïntimeerde enkel naar een aantal adviezen, die werden ingewonnen vóór het ontslag van de regering; aldus komt geïntimeerde te kort om in concreto aan te tonen dat de Koning buiten zijn bevoegdheid zou hebben gehandeld in een periode van lopende zaken door een regelmatig ingezette procedure abnormaal voort te zetten; de exceptie van illegaliteit is in de huidige stand niet in concreto bewezen. De vraag of de machtiging door de wetgever aan de Koning om de basisbedragen, minima en maxima van de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen in strijd is met het wettigheidsbeginsel dat voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet, werd onderzocht in de overwegingen B.6 van het arrest 182/2008 van 18 december 2008 van het Grondwettelijk Hof. Deze vraag wordt daar negatief beantwoord omdat de wetgever het onderwerp van de maatregelen heeft aangegeven waarvan hij de tenuitvoerlegging aan de Koning heeft overgelaten en omdat het een materie betreft die mogelijk in de toekomst op vrij soepele manier moet kunnen worden aangepast (B.6.4). In deze zaak werd de vordering van mevrouw P. niet vrijwillig ingewilligd voordat de zaak op de rol werd ingeschreven en evenmin werd de zaak afgesloten met een beslissing bij verstek, zodat de toepassing van de artikelen 1 en 6 van het K.B. van 26 oktober 2007 hier niet aan de orde is. 2.2.
- De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Geïntimeerde houdt voor dat de wet 21 april 2007 niet toepasbaar is en verwijst hiervoor naar vijf beroepen tot vernietiging die werden ingediend bij het Grondwettelijk Hof en die inmiddels hun beslag gekregen hebben in het arrest 182/2008 van 18 december
- In dit arrest wordt op grond van de aangedragen argumenten geoordeeld dat het verschil bij de verhaalbaarheid van de gerechtskosten tussen een partij die door een advocaat wordt verdedigd en een partij die door een vakbondsafgevaardigde wordt verdedigd, berust op een objectief en pertinent criterium ( B.17.2 en B.17.3). Hierbij wordt de mogelijke (on)gelijkheid bezien vanuit de individuele betrokkenheid van de partijen. Dit verschil in verhaalbaarheid van de gerechtskosten leidt ertoe dat de rechtsplegingsvergoeding wel tegemoetkomt in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijkgestelde partij, maar niet in deze van de vertegenwoordiger van de in het gelijkgestelde partij of van de kosten van de in het gelijkgestelde partij in persoon. Dergelijke ongelijkheid riskeert het systeem van de tenlastelegging van de gerechtskosten te ontwrichten. Men dient immers te erkennen dat de diensten van advocaten soortgelijk zijn aan de diensten van vakbondsafgevaardigden die voor de arbeidsgerechten hun aangesloten vertegenwoordigen en voor hen pleiten (B.17.3 van arrest 182/08) en dat zij hiervoor gespecialiseerde juridische diensten hebben ontwikkeld (B.18.3). Aldus collectiviseren de vakorganisaties het risico op een efficiënte juridische procesbijstand rekening houdend met de onvoldoende individuele financiële draagkracht van hun leden. Ten aanzien van de diensten van advocaten wordt dit risico gebeurlijk op een vergelijkbare wijze gecollectiviseerd via een stelsel van rechtsbijstandverzekeringen. De lasten van deze rechtsbijstandsystemen verhoogden reeds substantieel door de verhoging van de rechtsplegingsvergoedingen, maar het door de vakorganisaties ingerichte systeem wordt verder scheefgetrokken doordat ze enerzijds tot betaling worden verplicht, wanneer hun aangeslotene in het ongelijk wordt gesteld, maar anderzijds niet tot recuperatie van hun kosten kunnen komen in het omgekeerde geval. Het recht op juridische bijstand wordt in artikel 23 van de Grondwet gekaderd binnen de sociaal-economische grondrechten. Deze worden o.m. vormgegeven in het sociaal recht, waarin de ongelijkheid tussen individuen wordt gecorrigeerd door de erkenning van collectieve rechten die het verschil in machtspositie compenseren. In de mate dat de wet verhaalbaarheid van 21 april 2007 enkel voorziet in de forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen ten voordele van een in het gelijkgestelde partij, die door een advocaat wordt vertegenwoordigd, heeft ze tot gevolg dat de collectivisering van het risico van rechtsbijstand van door vakbondsafgevaardigden vertegenwoordigde werknemers eerder wordt gehypothekeerd dan gecorrigeerd. Soms wordt deze ongerijmdheid onderkend, doordat ten aanzien van een werknemer, vertegenwoordigd door een vakbondsafgevaardigde, genoegen genomen wordt met de minimumvergoeding. Dit gebeurt ook in deze zaak. Geïntimeerde vraagt echter in het beschikkend gedeelte van haar beroepsbesluiten dat dit minimumbedrag zou worden onderschreden tot euro 223,10, zijnde de rechtsplegingsvergoeding die van toepassing was bij de aanvang van de procedure op 9 maart
- Het arbeidshof stelt vast dat het Grondwettelijk Hof in het aangehaalde arrest 182/2008 aanvaardt dat, ofschoon in de parlementaire voorbereiding van de wet is verklaard dat het niet de bedoeling is dat de rechtsplegingsvergoeding onder het minimum zou worden verlaagd (Parl. St., Kamer, 2006 -2007, DOC 51 - 2891/002, p. 14) artikel 1022, vierde lid Ger.Wb. ingevolge de standstill- verplichting van artikel 23 van de Grondwet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat de rechtsplegingsvergoeding in dat geval kan worden vastgesteld onder het door de Koning bepaalde minimum. (B.7.6.5 en B.7.6.6). In het hierboven aangehaalde Kamercommissieverslag leest men dat een commissielid de Minister er uitdrukkelijk op wees dat de tekst van artikel 1022, vierde lid het mogelijk maakt om de rechtsplegingsvergoeding onder het minimum te verlagen in het geval van een kennelijk onredelijke situatie, waarop de minister van Justitie preciseerde dat dit niet de bedoeling was, alhoewel ze toegaf dat dergelijke letterlijke lezing mogelijk was, maar niet langer kon toegestaan zijn zodra de bepaling in haar geheel werd beschouwd. Dit weerhield er het Grondwettelijk Hof niet van om de tekst in het licht van artikel 23 van de Grondwet te interpreteren in de zin zoals aangebracht door het commissielid. Een zelfde moeilijkheid rijst bij het hier van toepassing zijnde artikel 1022, derde lid Ger. Wb. wat betreft het overschrijden van het minimumbedrag; deze onduidelijkheid kan enkel opgelost worden door een gelijkaardige grondwetsconforme interpretatie. Artikel 1022, derde lid Ger. Wb. bepaalt immers dat de rechter de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen zonder de door de Koning bepaalde ... minimumbedragen te overschrijden. Het woord overschrijden betekent volgens Van Dale verder gaan dan ( Van Dale, 12e druk, 2177) het tegendeel van overschrijden is onderschrijden( Van Dale, 12e druk, 2025). Artikel 1022, derde lid Ger. Wb. voorziet niets in verband met het door geïntimeerde gevraagde onderschrijden van het minimumbedrag, zodat de rechter bij interpretatie van de wettekst in het licht van de standstill-inhoud van artikel 23 van de Grondwet hiertoe kan beslissen teneinde het syndicaal rechtsbijstandstelsel, dat zijn grondslag vindt in artikel 728 §3 Ger. Wb., in zijn eerdere vorm te zien standhouden. De precisering van de minister van Justitie in de parlementaire voorbereiding dat de regering niet beoogt toe te staan dat een rechtsplegingsvergoeding onder het minimum wordt vastgelegd (Parl. St., Kamer, 2006 -2007, DOC 51 - 2891/002, p. 14), doet hieraan geen afbreuk (vgl. B.7.6.4 arrest 182/2008 Gr. H.). In artikel 4 van het K.B. van 26 oktober 2007 werden, gelet op de precaire financiële situatie van de overheidsfinanciën, de rechtsplegingsvergoedingen in het sociaal contentieux verminderd tot de vroeger bestaande bedragen ten aanzien van gerechtigden versus de overheid of instellingen belast met de wetten op sociale zekerheid. Rekening houdend met de financiële draagkracht van appellante, die onder druk staat door het scheeftrekken van haar syndicaal rechtsbijstandstelsel, kan in deze zaak een vergelijkbare rechtsplegingsvergoeding worden opgelegd, zijnde euro 291,
- OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis, en veroordeelt appellante tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van geïntimeerde begroot op euro 500 en door het hof herleid tot euro 291,
- Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De Heer E. VAN LAER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer H. ENGELEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS, E. VAN LAER. H. ENGELEN. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 maart 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090306.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div