← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090313.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 13 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090313.2 Rolnummer: 50.727 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 19:23 Fiches 1 - 2 De geldigheidsvoorwaarden van een concurrentiebeding raken niet de openbare orde; ze gelden ten voordele van de werknemer die alleen het recht heeft de nietigheid op te werpen. Een werknemer kan derhalve een compenserende niet-concurrentie vergoeding vorderen, wanneer er een niet-concurrentiebeding werd afgesloten, niettegenstaande zijn basisjaarloon tussen de grenzen ligt van artikel 65 §2, tweede lid AOW en er geen collectieve arbeidsovereenkomst of akkoord werd afgesloten, zoals voorzien in deze bepaling. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Concurrentiebeding Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Compenserende niet-concurrentie vergoeding, wanneer niet voldaan is aan de geldigheidsvoorwaarden van het niet-concurrentiebeding. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 65,§2,L2 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II CN art. 65 § 2, 2° lid. Eveneens gerangschikt onder II CN art. 86 §

  1. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 86,§1 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II CN art. 86 §
  2. Eveneens gerangschikt onder II CN art. 65 § 2, 2° lid. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 MAART
  3. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE N.V. SAFETY KLEEN BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1070 Anderlecht, Industrielaan, 149 bus 20 en bij de Kruispuntbank der Ondernemingen gekend onder het nummer 0433.154.488, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter A. Boljau loco Mter Th. L'Allemand, advocaat te 2000 Antwerpen; Tegen : De Heer B. R., Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter S. Staes-Pollet, advocaat te 1050 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op 19 oktober 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 3 maart 2008; - de besluiten en aanvullende synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 7 augustus 2008 en 24 december 2008; - de besluiten voor appellante neergelegd ter griffie van dit Hof op 28 november 2008; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie van dit Hof op 27 januari 2009; - de bundel met stukken neergelegd door appellante partij ter griffie van dit Hof op 12 februari 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 13 februari 2009, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x
  4. FEITEN EN RECHTSPLEGING. De heer B. kwam in dienst van de N.V. Safety Kleen op 29 oktober 2001 met een niet gedateerd bediendecontract voor bepaalde tijd van 29 oktober 2001 tot 28 oktober 2002, waarbij hij werd aangeworven in de hoedanigheid van technisch commercieel afgevaardigde. Deze arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werd nadien omgezet in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd en op 21 oktober 2002 ondertekenden partijen hiertoe een aanvullende overeenkomst. Zowel in het eerste contract als in de overeenkomst van 21 oktober 2002 wordt in artikel 4 voorzien in een vaste maandelijkse bezoldiging, aangevuld met een veranderlijke bezoldiging en in artikel 11 van deze overeenkomsten is een niet-concurrentie clausule opgenomen. Volgens een brief van de onderneming aan alle personeelsleden dd. 27 april 2004 werd de heer B. benoemd tot Branch Operating Manager ( afgekort als BOM), waardoor hij de andere verkoopscollega's in hun activiteiten diende bij te staan; tevens wordt melding gemaakt van een aanpassing van het commissiesysteem met ingang van 1 januari
  5. Uit de loonfiches blijkt dat vanaf mei 2004 het vast maandloon aangevuld werd met een vast commissieloon van euro 1.852; dit vast commissieloon werd uitbetaald tot augustus 2005, hetzij gedurende 16 maanden. Op 8 februari 2006 stelden de raadslieden van de heer B. de N.V. Safety Kleen in gebreke omdat vanaf november 2005 een nieuwe commissiesysteem werd gehanteerd dat nadelig was voor de heer B.. In een navolgend schrijven van 21 februari 2006 werd achterstallig loon gevorderd ten bedrage van euro 2.236,
  6. In een antwoordbrief van 27 februari 2006 van de raadsman van de N.V. betwistte deze de afspraken, zoals voorgesteld door de heer B. en stelde ze dat het commissieloon van euro 1.852 slechts toegekend was in een proefperiode die niet tot voldoening van de N.V. werd afgewerkt en die in januari 2006 resulteerde in de vraag van de heer B. om terug te keren naar zijn vroegere functie; als bijlage werd een aanhangsel aan het arbeidscontract van de heer B. gevoegd, dat echter door geen van beide partijen was ondertekend. De raadslieden van de heer B. betwistten op hun beurt deze beweringen, meer bepaald het niet ondertekende aanhangsel van het arbeidscontract, dat voordien nooit ter kennis was van de heer B.. Op 27 maart 2006 beëindigde de heer B. zijn arbeidsovereenkomst door middel van een opzegging met een termijn van 7 dagen, ingaande op dezelfde dag en die voor akkoord werd aanvaard door de N.V. Op 6 juni 2006 protesteerde de heer B. via officiële briefwisseling tussen de raadslieden de betaling van een éénmalige en forfaitaire compenserende vergoeding van 6 maanden wegens de niet-concurrentie clausule; tevens werd de N.V. in gebreke gesteld in verband met achterstallen wat betreft het vast loon, het feestdagenloon en de eruit voortvloeiende aanpassing van het vakantiegeld en de 13e maand. Partijen kwamen betreffende al deze twistpunten niet tot overeenstemming en op 14 november 2006 werd dagvaarding uitgebracht voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van : - loonachterstallen van euro 302,36, meer aanpassing vertrekvakantiegeld van euro 46,04, - commissieloon achterstallen van euro 5.119,35, meer aanpassing vertrekvakantiegeld van euro 785,31, - achterstallig feestdagenloon van euro 2.354,50, meer aanpassing vertrekvakantiegeld van euro 361,15, - de compenserende niet-concurrentie vergoeding van euro 25.441,66, minstens euro 23.358,77, - advocaatkosten van euro 3500, dit alles meer intresten en kosten. Bij besluiten van 16 maart 2007 breidde de heer B. zijn vordering uit in betaling van telkens de eindejaarspremie op de vermelde achterstallen, zijnde voor de loonachterstallen euro 25,19, voor de commissieloonachterstallen euro 426,61 en voor het verlofgeld euro 202,
  7. Bij besluiten van 18 januari 2007 stelde de N.V. een tegenvordering in betaling van euro 1 provisioneel, meer de vergoedende intresten vanaf 18 december 2003, de gerechtelijke intresten en de kosten, wegens schade ingevolge een incident bij een vechtpartij op 18 december
  8. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 19 oktober 2007 werden de vorderingen in verband met de loonachterstallen, de commissieloonachterstallen, het achterstallig feestdagenloon telkens te vermeerderen met het vertrekvakantiegeld en de eindejaarspremie, toegekend zoals gevraagd en werd de compenserende niet-concurrentie vergoeding toegekend ten bedrage van euro 23.491,47, alle bedragen te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op de overeenstemmende netto bedragen; al het overige werd ongegrond verklaard en de N.V. werd veroordeeld tot de gerechtskosten. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 3 maart 2008, tekende de N.V. hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke hoofdvordering integraal ongegrond zou worden verklaard en de tegenvordering gegrond. De heer B. stelde incidenteel beroep in en vorderde voor de commissieloonachterstallen en het achterstallig feestdagenloon en het hieruit volgend vakantiegeld en eindejaarspremie intresten op de bruto bedragen en hij vroeg tevens de veroordeling tot de compenserende niet-concurrentie vergoeding ten bedrage van euro 25.441,66, minstens euro 23.491,44, eveneens te vermeerderen met intresten op de bruto bedragen.
  9. BEOORDELING. De N.V. maakt melding van de betekening van het bestreden vonnis op 5 februari 2008, zodat kan worden aangenomen dat het hoger beroep van 3 maart 2008 tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. De N.V. herneemt haar betwisting in verband met de uitbreiding van de vordering bij conclusies voor de eerste rechter van 16 maart 2007; zij houdt voor dat de uitbreiding naar de eindejaarspremies niet kan teruggebracht worden tot een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zodat geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 807 Ger. Wb. Oordeelkundig heeft de eerste rechter erop gewezen dat de vordering, zoals gesteld in de inleidende dagvaarding, betrekking heeft op loonregularisaties en dat ook de eindejaarspremie deel uitmaakt van het loon (Arbh. Luik, 18 januari 2006, J.T. 2006, 471). Terecht heeft de eerste rechter dan ook de uitbreiding van de vordering ontvankelijk verklaard. 2.
  10. De loonachterstallen. Evenzeer terecht heeft de eerste rechter vastgesteld dat het overeengekomen loon voor de maanden november en december 2002 niet volledig werd betaald, zodat de vordering in loonachterstal, samen met de eruit voortvloeiende aanpassing van het vertrekvakantiegeld en de eindejaarspremie, gegrond werd verklaard, temeer daar de N.V. zich voor de eerste rechter hieromtrent naar de wijsheid had gedragen en ter zitting had bevestigd dat de bedragen niet meer werden betwist. Niettegenstaande dat, tekent de N.V. opnieuw hoger beroep aan wat betreft dit onderdeel, zonder evenwel enige grief hieromtrent naar voor te brengen. Het hoger beroep is met betrekking tot deze onderdelen dan ook ongegrond en de heer B. aanvaardt dat deze loononderdelen opeisbaar waren voor 1 juli 2005, zodat de wettelijke intresten slechts op de overeenstemmende netto bedragen kunnen worden aangerekend.
  11. De commissieloonachterstallen. De N.V. verwijt aan de eerste rechter dat zij met betrekking tot het bewijs van de commissieloonafspraak de bewijslast omgekeerd heeft door deze bij de N.V. te leggen, terwijl de bewijslast bij de oorspronkelijk eisende partij, zijnde de heer B., hoort. Vervolgens stelt de N.V. dat de heer B. de geldende afspraken niet bewijst en dat hij het stopzetten van de proefperiode aanvaard heeft. Terecht stelt de heer B. dat een overeenkomst bewezen wordt door haar uitvoering en dat uit de door hem voorgebrachte loonfiches voor de periode mei 2004 tot augustus 2005 ( zijn stukken 5) blijkt dat de N.V. het vaste commissiebedrag van euro 1.852 onveranderd maandelijks betaald heeft. Ook uit de door de N.V. voorgebrachte verklaring van de heer J. P. van 30 april 2007 volgt dat er een afspraak was om tijdens de uitvoering van de functie als BOM aan de heer B. een vast commissieloon toe te kennen. De verwijzing naar de zogenaamde proefperiode in verband met de BOM-functie is hierbij niet ter zake dienend, omdat volgens de beroepsbesluiten van de N.V. van 28 november 2008 deze testperiode slechts zes maanden bedroeg, met name de periode van april tot en met oktober 2004 ( zie 1.3). Het vaste commissieloon werd echter veel langer betaald, met name tot augustus 2005, zodat kan aangenomen worden dat vanaf november 2004 de heer B. definitief geschikt werd bevonden voor de BOM-functie. Terecht verwijst de heer B. in dat verband ook naar een e-mail van de heer J. D. van 7 november 2005 waarin zijn resultaten en deze van zijn team als zeer succesvol werden beschreven. In welke omstandigheden vervolgens deze BOM-functie teniet werd gedaan, is onduidelijk. In dezelfde besluiten van de N.V. wordt voorgehouden dat de stopzetting van de BOM-functie zou plaatsgevonden hebben met ingang van september 2005 (wat eigenaardig voorkomt gelet op bovenvermelde e-mail), terwijl dit volgens punt 10 van het officieel schrijven van de raadsman van de N.V. in januari 2006 zou gebeurd zijn; in de verklaring van de heer J. P. wordt dan weer verwezen naar na enige tijd. Maar alleszins mocht de N.V. op dat ogenblik niet éénzijdig de verworven looncomponenten in het nadeel van de heer B. wijzigen. Door middel van de officiële brieven van zijn raadslieden van 8 en 21 februari 2006 heeft de heer B. overigens deze wijzigingen geprotesteerd en aanspraak gemaakt op zijn vroegere verloning. De grieven van de N.V. tegen de correcte motivering van de eerste rechter kunnen dan ook niet worden ontmoet en ook op dit punt is het hoger beroep ongegrond. Immers de becijfering van de commissieloonachterstallen en de eruit voortvloeiende aanpassing van het vakantiegeld en de eindejaarspremie wordt niet betwist. Wel tekent de heer B. terecht incidenteel beroep aan wat betreft de intresten op deze loonachterstallen en eindejaarspremie, die opeisbaar zijn na 1 juli 2005, zodat deze intresten op het bruto bedrag moeten worden aangerekend. De loonbeschermingswet is niet van toepassing op het vakantiegeld, zodat voor dit onderdeel het incidenteel beroep niet kan worden aangenomen. Immers, artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 ( inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. 2.
  12. Het achterstallig feestdagenloon. De N.V. roept als grief in dat de beoordeling van de vordering in verband met het achterstallig feestdagenloon volgt uit de beoordeling van de commissieloonachterstallen, waarvoor haar hoger beroep ongegrond werd bevonden. De becijfering van het feestdagenloon en de eruit voortvloeiende aanpassing van het vakantiegeld en de eindejaarspremie, zoals voorgebracht door de heer B., wordt niet betwist. Uit het bovenstaande volgt dan ook dat op dit punt het hoger beroep ongegrond is. Het incidenteel beroep i.v.m. de aanrekening van de intresten op bruto is gegrond, wat betreft het feestdagenloon en de eruit voortvloeiende aanpassing van de eindejaarspremie voor zover ze betaalbaar zijn na 1 juli 2005, wat het geval is voor 4/10 van de bedragen aangerekend voor 2005 (of euro 313,42, en euro 26,12) en deze voor 2006 (of euro 75,15 en euro 12,07). 2.
  13. De compenserende niet- concurrentie vergoeding. De N.V. roept in dat bij toepassing van artikel 65 §1 van de arbeidsovereenkomstenwet het niet-concurrentiebeding maar kan toegepast worden voor de categorieën van functies of de functies die bij een in een paritair comité of paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst zijn bepaald, omdat het basisjaarloon van de heer B. gelegen is tussen de loongrenzen van euro 27.597 en euro 55.
  14. Door het ontbreken van een dergelijke C.A.O. zou het niet-concurrentiebeding niet kunnen toegepast worden, zodat de N.V. evenmin gehouden is om de corresponderende vergoeding te betalen. De geldigheidsvoorwaarden van een concurrentiebeding raken echter niet de openbare orde; ze gelden ten voordele van de werknemer die alleen het recht heeft de nietigheid op te werpen ( Cass., 30 april 2003, J.T.T. 2003, 398). Deze nietigheid wordt door de heer B. niet opgeworpen, zodat het concurrentiebeding toepasselijk is; hij houdt voor zich hieraan ook te hebben gehouden; hij trad in dienst bij Group 4 als bewakingsagent. De argumentatie van de N.V. Safety Kleen dat de heer B. geen concurrentie kon voeren en dat hij aldus aan de N.V. Safety Kleen geen schade kon berokkenen, kan niet gevolgd worden. Immers uit de brief aan alle personeelsleden van 27 april 2004 volgt dat de heer B. de organisatie en planning van gans de verkoopsactiviteit diende te beheersen, wat moest resulteren in meer training van de mensen ten behoeve van een grotere groei en omzetverhoging van de onderneming. Aangezien de N.V. Safety Kleen niet verzaakt heeft aan de toepassing van het niet-concurrentiebeding, heeft de heer B. dan ook recht op de compenserende vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan 6 maanden bezoldiging, zijnde de helft van het brutoloon van de heer B. dat overeenstemt met de toepassingsduur van het beding. De basis van dat bedrag wordt gevormd door het brutoloon dat hij diende te ontvangen gedurende de maand voorafgaand aan de dag waarop de dienstbetrekking een einde nam. Terecht heeft de eerste rechter dan ook dit basisloon berekend uitgaande van het vast loon en het vast commissieloon, vermeerderd met vakantiegeld en 13e maand, zonder echter rekening te houden met een vergoeding voor het privé-gebruik van de firmawagen; Ten onrechte houdt de heer B. voor dat dit privé-gebruik was toegestaan, terwijl in artikel 6 laatste lid van de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk het omgekeerde was bedongen. De heer B. toont niet aan dat deze bepaling zou zijn gewijzigd. Aldus werd het basisloon correct berekend op euro 49.982,96, zodat de heer B. recht heeft op een compenserende vergoeding van euro 23.491,
  15. Aangezien deze vergoeding verschuldigd is na 1 juli 2005, dienen ook hier de intresten te worden berekend op het bruto bedrag. Het hoger beroep is dan ook ongegrond en het incidenteel beroep is enkel gegrond wat betreft de intresten.
  16. De bij de oorspronkelijke tegenvordering gevorderde schadevergoeding. De N.V. Safety Kleen verwijst naar een vechtpartij op 18 december 2003 zonder enige verdere nuttige precisering, zodat geen enkel bewijs wordt voorgebracht dat aan de voorwaarde van artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet zou zijn voldaan. Niet alleen de feiten, maar ook de schade en het oorzakelijk verband blijven in het duister, zodat de eerste rechter terecht de oorspronkelijke tegenvordering ongegrond heeft verklaard bij gebrek aan enig bewijs of begin van bewijs. Het hoger beroep is ongegrond. De heer B. stelt in zijn aanvullende en synthese beroepsconclusies dat hij vrede neemt met het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, doch hij begroot deze foutief op euro 4000, zodat ze dient te worden herleid tot euro
  17. Een zelfde herleiding is van toepassing op de rechtsplegingsvergoeding die door de N.V. wordt gevraagd. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, en deels gegrond, Bevestigt het bestreden vonnis behalve in zoverre de wettelijke en gerechtelijke intresten op de hierna vermelde onderdelen worden toegekend op de met de bruto bedragen overeenstemmende netto bedragen, Wijzigt het bestreden vonnis enkel op dit punt en kent deze intresten toe op de bruto bedragen voor wat betreft : - de commissieloonachterstallen van euro 5.119,35 en de eindejaarspremie hierop van euro 426,61, - het feestdagenloon van euro 388,57 en de eindejaarspremie hierop van euro 38,19, - de compenserende niet- concurrentievergoeding van euro 23.491,47 Veroordeelt de N.V. Safety Kleen tot betaling van de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van de heer B. begroot op euro 4.000 en door het hof herleid tot het basisbedrag van euro 2.000 en voor zover als nodig aan de zijde van de N.V. begroot op euro 5.000 en door het hof herleid tot het basisbedrag van euro 2.
  18. Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De Heer E. VAN LAER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS, E. VAN LAER. A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 13 maart 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090313.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.