id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 27 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090327.3 Rolnummer: 50.954 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2009-06-18 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 19:28 Fiche De vermogensrechten in verband met software gaan ingevolge artikel 3 van de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de bescherming van computerprogramma's (B.S. 27 juli 1994) over op de werkgever. De vermogensrechten in verband met hardware komen aan de werkgever, wanneer de ontwikkeling ervan een dienstuitvinding betreft; de grondslag voor de overdracht van deze vermogensrechten is immers gelegen in de arbeidsovereenkomst zelf, omdat de werknemer de verbintenis aangaat om onder gezag arbeid te presteren, waardoor het gepresteerde werk toekomt aan de werkgever. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht - Algemeen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht - Beschermingsomvang auteursrecht - Vermogensrechten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht - Titularis auteursrecht - Arbeidsovereenkomst/statuut HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht - Titularis auteursrecht - Werk op bestelling Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - NIEUWE TECHNOLOGIEEN EN PROCEDURES - Auteurs- en vermogensrechten ingevolge een dienstuitvinding. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1994 - 3 - 36 ELI link Pub nr 1994009587 Nota: Gerangschikt onder I N (Wet van 30/06/1994), art.
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 27 MAART
- 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer W. , wonende te [xxx], Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, verschijnend in persoon, bijgestaan door Mter E. Conruyt, advocaat te 1730 Asse; Tegen : DE N.V. KRAUTLI, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1702 Dilbeek, Industrielaan, 15, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter A. Vanden Abeele, advocaat te 1170 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (12de kamer ) op 14 maart 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 9 mei 2005; - de besluiten en aanvullende synthesebesluiten voor geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 10 september 2008 en 15 januari 2009; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 23 februari 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 27 februari 2009; appellante partij legde haar bundel neer, alsook stukken betreffende een zgn. manual user, waartegen geïntimeerde partij zich verzet heeft, daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. x x x
- FEITEN EN RECHTSPLEGING. Op 26 december 1973 kwam de heer W. als bediende in dienst van de N.V. Krautli. Hij oefende de functie uit van technisch directeur. Na enkele fricties met de zoon van de eigenaar van het bedrijf werd hij op 7 december 2005 ontslagen met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 33 maanden. Bij schrijven van zijn raadsman van 11 februari 2006 stelde hij dat deze opzeggingsvergoeding berekend werd uitgaande van een verkeerd maandloon en hij vroeg na herberekening een saldo van euro 53.735,
- Tevens beschouwde hij het ontslag als willekeurig omdat het gegeven werd wegens zijn gezondheidstoestand en hij vorderde hiervoor een aanvullende vergoeding van euro 52.926,
- Partijen kwamen over hun geschilpunten niet tot overeenstemming en op 20 juli 2006 dagvaardde de heer W. de N.V. Krautli voor de arbeidsrechtbank te Brussel en vorderde betaling van euro 98.372,75 wegens aanvullende opzeggingsvergoeding, eindejaarspremie 2005 en morele schadevergoeding en euro 10.000 wegens wederrechtelijk gebruik van intellectuele rechten. Tevens vroeg hij dat aan de N.V. het verbod zou worden opgelegd verder gebruik te maken van zijn scholingscursussen zonder zijn toestemming en dit onder verbeurte van een dwangsom van euro 1000 per inbreuk. De vordering in verband met het eerste onderdeel werd bij besluiten verder aangevuld en uitgesplitst als volgt : - aanvullende opzeggingsvergoeding euro 53.596,71 - eindejaarspremie 2005 euro 5.000 - schadevergoeding wegens misbruik van ontslag euro 53.085,
- Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 14 maart 2008 werd deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en werd de N.V. Krautli veroordeeld tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 6.952,10 en een eindejaarspremie van euro 5.000, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op de nettobedragen en met de gerechtskosten. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 9 mei 2008, hernam de heer W. zijn oorspronkelijke vordering maar paste hij de aanvullende opzeggingsvergoeding nogmaals aan naar euro 54.456,
- Bij beroepsbesluiten paste hij zijn vordering in hoger beroep nog maar eens aan en vorderde hij: een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 83.323,21 eindejaarsbonus van euro 5.383,33 een aanvullende eindejaarspremie van euro 731,55 een schadevergoeding provisioneel uit hoofde van schadevergoeding wegens wederrechtelijk gebruik van auteursrechten van euro 1.000 een schadevergoeding uit hoofde van morele en psychische schade wegens misbruik van ontslagrecht van euro 10.000 te vermeerderen met intresten op bruto. Tevens behield hij zijn vordering om gebruik te maken van de scholingscursussen onder verbeurte van een dwangsom. De N.V. Krautli tekende incidenteel beroep aan en vroeg dat de vordering van de heer W. volledig ongegrond zou worden verklaard.
- BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. Ter zitting legt appellant bijkomende stukken (user manual) neer, die niet in de inventaris van zijn laatste beroepsbesluiten worden vermeld en waartegen geïntimeerde zich verzet;deze stukken worden uit de debatten geweerd bij toepassing van artikel 740 Ger. Wb. Het hof stelt vast dat onder de stukken 3 nog bijkomende stukken 36 t/m 43 geschoven zijn, die evenmin geïnventariseerd zijn bij de laatste beroepsbesluiten; ook deze dienen uit de debatten te worden geweerd bij toepassing van artikel 740 Ger. Wb. 2.1 De opzeggingsvergoeding. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). De Heer W. vraagt een opzeggingsvergoeding op basis van 34 maanden in plaats van 33 en hij betwist de samenstelling van het jaarloon, meer bepaald wat betreft de waardering van het voordeel van het privé-gebruik van de firmawagen, de laptop en GSM, de aard van de forfaitaire kostenvergoeding en de in aanmerking te nemen bonus en eindejaarspremie. 2.1.
- De waardering van het privé-gebruik van de firmawagen. De heer W. beschikte over een Mazda 6 2000 CDVI en er wordt niet betwist dat binnen normale perken het privé-gebruik was toegestaan. Dit voordeel dient op zijn reële waarde te worden begroot ( Cass., 29 januari 1996, Soc. Kron. 1996, 230) en gelet op de aard van de wagen kan het worden geraamd op euro 350 per maand. De berekening van de heer W., uitgaande van de aankoop van een nieuwe wagen na zijn ontslag, wordt door het arbeidshof niet weerhouden, omdat ze niet leidt tot een vergelijking met het normale privaat gebruik van de ter beschikking gestelde bedrijfswagen. Evenmin vermindert het arbeidshof de hierboven gehanteerde waardering met een zogenaamde eigen bijdrage van de heer W., omdat uit de loonfiches blijkt dat deze bijdrage zowel in plus als in min werd opgenomen. 2.1.
- De waardering van het privé-gebruik van laptop en GSM. De N.V. houdt voor dat de heer W. een laptop ter beschikking kreeg om buiten de burelen toegang te kunnen hebben tot de bedrijfsgegevens en dit met het oog op de normale uitoefening van zijn functie. Dit houdt in dat deze laptop niet ter beschikking werd voor privé-gebruik. De heer W. toont het omgekeerde niet aan en bewijst niet dat er hem op dit punt een privé-voordeel werd toegekend. Het privé-gebruik van de GSM wordt door de N.V. niet betwist en wordt door haar geraamd op euro 15 per maand. Het arbeidshof is van mening dat de werkelijke waarde van dit voordeel dient te worden geraamd op euro 30/maand. 2.1.
- De onkostenvergoeding. Het is aanvaardbaar dat de heer W. in zijn functie van technisch directeur recurrent een aantal kleine uitgaven voor zijn werkgever had, die op forfaitaire wijze worden vergoed teneinde een tijdrovende administratie van bewijsstukken te vermijden. De werkgever heeft deze kostenvergoeding begroot op euro 261,77 en verantwoordde dit bedrag ten aanzien van de sociale inspectiediensten in een fax van 15 september 2005 zonder dat deze diensten hierop nog verdere opmerkingen formuleerden. Deze onkostenvergoeding dekte een reisvergoeding van euro 13,48/dag met een minimum van drie dagen per week buitendienst of euro 161,76 per maand, een forfait van euro 80 per maand als compensatie voor bureau-infrastructuur thuis en aankoop van kleine bureaumaterialen en een forfait van euro 20 per maand voor parkeerkosten van korte duur. Wanneer de heer W. wil voorhouden dat een dergelijke in concreto gepreciseerde kostenvergoeding toch een verdoken loon uitmaakt, dan heeft hij hiervan de bewijslast (Arbh. Gent, 25 september 1998, T.G.R. 1998,236) en hij voldoet hieraan niet door loutere beweringen, temeer daar hij zich wat betreft zijn laptop zelf beroept op thuiswerk. In de briefwisseling voorafgaand aan het ontslag verwijst hij dan weer naar opleidingen bij klanten en tachograaftestritten, zodat zijn functie alleszins buitendienstwerk met zich bracht. Het feit dat er met de werkgever een specifieke afspraak werd gemaakt omtrent de aankoop van een notebook en dat belangrijke maar occasionele zakenlunchen afzonderlijk werden vergoed doet geen afbreuk aan bovenvermelde precisering van de onkosten. Ook de verwijzing naar de onkostenregeling van andere personeelsleden is niet ter zake dienend, daar uit de fax van 15 september 2005 volgt dat al naargelang de functie een verschillende onkostenregeling van toepassing was. Een getuigenverhoor omtrent de onkostenregeling van deze personeelsleden met andere functies is dan ook niet ter zake dienend. 2.1.
- De jaarlijkse bonus en eindejaarspremies. De heer W. toont met stukken aan dat er minstens sedert 1987 jaarlijks in juni en december een bonus werd uitbetaald, die sedert 2001 gebracht werd op respectievelijk euro 2.500 en euro 5.
- Ten onrechte wil de N.V. voorhouden dat deze steeds weerkerende en vaste premie-uitbetaling een liberaliteit zou zijn die telkenmale afhankelijk zou worden gesteld van de stijging van het zakencijfer. Uit niets blijkt immers dat deze vaste toekenning afhankelijk zou zijn van economische schommelingen. De uitbetaling gebeurt niet als vrijgevigheid maar als tegenprestatie voor de geleverde arbeid. Deze bedragen dienen dan ook te worden meegerekend in het lopende loon en maken deel uit van het basisloon bedoeld in artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet. Uit de loonfiches blijkt evenzeer dat jaarlijks een aanvullende eindejaarspremie van laatst euro 679,46 werd toegekend, daar voor de berekening van de eindejaarspremie ook rekening gehouden wordt met het variabel loon. Ook hier kan de N.V. niet gevolgd worden dat een bijkomende eindejaarsvergoeding een liberaliteit zou uitmaken, daar ze omwille van de arbeid is toegekend en dus geenszins als vrijgevigheid kan worden beschouwd. 2.1.
- Recapitulatie basisloon. Rekening houdend met de niet betwiste onderdelen en met het bovenstaande kan het jaarloon dan ook worden becijferd als volgt : - vast loon 13,92 x euro 5.918,95 euro 82.391,78 - patronale bijdrage groepsverzekering AG F. euro 4.487,64 - patronale bijdrage suppletieve groepsverzekering euro 845,00 - patronale bijdrage groepsverzekering PC 218 euro 322,32 - privaat gebruik firmawagen euro 350 x 12 euro 4.200,00 - privaat gebruik GSM euro 30 x 12 euro 360,00 - jaarlijkse bonus euro 7.500 x 12,92/12 euro 8.075,00 - aanvullende eindejaarspremie euro 679,46 x 12,92/12 euro 731,55 totaal euro 101.413,29 Rekening houdend met dit jaarloon en met de anciënniteit ( 32 jaar), de leeftijd ( 53 jaar) en de functie ( technisch directeur) kan de in aanmerking te nemen opzeggingstermijn worden bepaald op 33 maanden. Aldus had de heer W. recht op een opzeggingsvergoeding van euro 101.413,29 x33/12 = euro 278.886,54; in acht genomen de betaling van euro 247.221,43 komt er hem nog een saldo toe van euro 31.665,
- In die mate is zijn hoger beroep op dit punt gegrond en het incidenteel beroep ongegrond. 2.2 De afrekening van de bonus 2005 en de aanvullende eindejaarspremie
- Op goede gronden, die het hof overneemt, heeft de eerste rechter aanvaard dat ook voor de maand december 2005 de bonus van euro 5.000 verschuldigd is. Het hof verwijst bijkomend naar hetgeen hierboven werd gesteld bij de bespreking van de opzeggingsvergoeding; het incidenteel beroep is op dit punt ongegrond. Hetzelfde geldt voor de aanvullende eindejaarspremie van euro 679,46 en ook hier kan verwezen worden naar bovenstaande motivering; de heer W. breidt op dit punt zijn vordering in graad van hoger beroep uit en deze uitbreiding is toelaatbaar en gegrond. Hij toont wel niet aan waarom beide onderdelen zouden moeten becijferd worden door ze te vermenigvuldigen met 12,92/12; hij breidde zijn vordering immers niet uit met dubbel vakantiegeld op deze posten, maar hij vorderde enkel de premies zelf. 2.
- De morele schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht De opzeggingsvergoeding heeft een forfaitair karakter en dekt de volledige schade die door het ontslag werd veroorzaakt, zowel de materiële als de morele schade ( Cass., 7 mei 2001, J.T.T. 2001, 410). Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, m.a.w. voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden (Cass., 26 september 2005, Soc. Kron. 2006,69). Ook hier kan het hof zich aansluiten bij de pertinente motivering van de eerste rechter, die het overneemt. Uit de feiten, zoals ze wederzijds beschreven worden in de briefwisseling voor het ontslag, blijkt dat er een karakter- en visieverschil was tussen de heer W. en de heer Michael Krautli en dat er daardoor ernstige spanningen binnen het bedrijf zijn ontstaan. Het is menselijk dat er in zulke situatie al eens een onvertogen woord valt, maar dit gebeurt meestal wederzijds. Het is spijtig dat de werkgever in een dergelijke spanningsituatie verplicht kan worden om een keuze tussen twee werkkrachten te maken teneinde de negatieve gevolgen voor zijn onderneming in te dijken, maar dergelijke keuze - zelfs indien ze voor kritiek vatbaar kan zijn - leidt niet tot een misbruik van recht. In die zin is een getuigenverhoor niet opportuun, temeer daar enkel een subjectieve waardering van de getuigen verwacht wordt, waardoor geen afbreuk wordt gedaan aan het bovenstaande. Bij de berekening van de opzeggingsvergoeding werd rekening gehouden met de grote anciënniteit van de heer W. en deze vergoeding dekt tevens de morele schade die volgt uit zijn ontslag. Het hoger beroep is op dit punt ongegrond. 2.
- De schadevergoeding wegens wederrechtelijk gebruik van intellectuele rechten. De heer W. heeft een draagbaar apparaat gemaakt voor de controle van tachografen en van begrenzers van vrachtwagens; dit controleapparaat bestaat uit hardware en software. De heer W. houdt voor dat het om een vrije uitvinding gaat, gedaan buiten elk dienstverband. Dit apparaat werd geconcipieerd voor de overheidsinstelling Goca en uit de stukken 7 van de N.V. blijkt dat de correspondentie hierover telkens gebeurde met de heer W. in zijn hoedanigheid van aangestelde van de N.V. Krautli; de briefwisseling gebeurt op briefpapier van de vennootschap en werd zelfs een keer mede ondertekend door de heer Peter W. Krautli ( zie schrijven 15 juni 2004 aan BIVV). In die omstandigheden moet worden aangenomen dat het meettoestel een dienstuitvinding was die gedaan werd in uitvoering van de arbeidsovereenkomst. In de aan het ontslag voorafgaande briefwisseling wordt uitvoerig ingegaan op de controle van het tachograafmateriaal en op de vorming bij de klant Daimler-Chrysler; in de lijst van zijn stuk 36 verwijst de heer W. overigens naar de scholing en herscholing in verband met de snelheidsbegrenzer. Uit deze discussie volgt dat het tot de normale arbeidstaken van de heer W. behoorde om de tachografen en snelheidsbegrenzers te controleren en hierover bij de klant een opleiding te verschaffen. Wanneer de heer W. in dit kader een meettoestel ontwierp, behoorde dat tot de arbeidsprestaties, die hij uitvoerde in het kader van zijn arbeidsovereenkomst. De vermogensrechten in verband met de software in dat meettoestel gaan ingevolge artikel 3 van de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de bescherming van computerprogramma's ( B. S. 27 juli 1994) over op de werkgever. ( P. De Wulf en S. Diels, Overdracht van intellectuele rechten en de arbeidsovereenkomst, Or. 2008, 158; H. Van Hoogenbemt, De arbeidsovereenkomst en het vermogen van de werknemer in Sociaal recht : niets dan uitdagingen (ed. W. Van Eeckhoutte), 1996, 280, nr. 457) Aangezien de hardware een dienstuitvinding betreft, komen ook de vermogensrechten hierop toe aan de werkgever; de grondslag voor de overdracht van deze vermogensrechten is immers gelegen in de arbeidsovereenkomst zelf, omdat de werknemer de verbintenis aangaat om onder gezag arbeid te presteren, waardoor het gepresteerde werk toekomt aan de werkgever ( P. De Wulf en S. Diels, a.w., p 146 en de rechtsleer geciteerd in voetnoot 7; H. Van Hoogenbemt, a.w., p. 254, nr. 415). De heer W. houdt voor dat zijn dienstuitvinding tevens gepaard ging met het geven van opleidingen en dat de cursussen hiertoe onder de auteurswet van 30 juni 1994 vallen, zodat de vermogens - en exploitatierechten op deze cursussen aan hem toekomen, daar er geen uitdrukkelijke overdracht aan de werkgever plaatsvond. Uit de stukken die de heer W. voorbrengt kan afgeleid worden dat hij bij klanten opleidingen gaf, maar uit deze stukken blijkt niet dat hij voor deze opleidingen cursussen zou hebben opgesteld, die wederrechtelijk door de N.V. zouden gebruikt worden. Zijn stuk 36 beperkt zich immers tot een lijst van klanten bij wie opleidingen gegeven zijn, maar geeft geen bewijs van het bestaan van cursussen die van zijn eigen hand zouden zijn. Zijn stukken 14 betreffen evaluatieformulieren van de scholingen, maar ze verwijzen slechts naar de mondelinge uiteenzetting; er is in de evaluatiepunten geen enkele verwijzing naar een uitgeschreven cursus. De heer W. toont dus niet aan dat zijn gebeurlijke auteursrechten zouden zijn geschonden. Het getuigenaanbod zou kunnen verduidelijken dat nadien de heer Toegaert deze opleidingen gaf; het brengt geen klaarheid over de vraag of dit gebeurt op basis van geschreven cursussen van de hand van de heer W., zodat het niet ter zake dienend is. Zijn vordering tot het bekomen van een schadevergoeding wegens miskenning van zijn intellectuele rechten werd dan ook terecht door de eerste rechter ongegrond verklaard; om dezelfde reden kan geen verbod worden opgelegd om het zgn. Belim-toestel of de scholingcursussen te gebruiken; de vermogensrechten van het toestel behoren toe aan de N.V. en van het bestaan van scholingcursussen van de hand van de heer W. wordt geen bewijs voorgebracht. Hij maakt evenmin concreet waardoor zijn morele rechten zouden miskend zijn. Zijn hoger beroep betreffende dit onderdeel is dan ook ongegrond. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 ( inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten verschuldigd zijn op de brutobedragen, daar de laatste datum van tewerkstelling 7 december 2005 was, zijnde na 1 juli
- Wat betreft de gerechtskosten houden beide partijen zich aan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding; deze kan worden bepaald op euro 5.000; gelet op het feit dat beide partijen in het gelijk/ongelijk zijn gesteld, dienen deze gerechtskosten te worden gecompenseerd in de zin dat 2/3 ten laste wordt gelegd van de heer W. en 1/3 ten laste van de N.V. Krautli. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond, Verklaart de uitbreiding van de oorspronkelijke vordering van de heer W. ontvankelijk en deels gegrond, Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Veroordeelt de N.V. Krautli tot betaling aan de heer W. van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 31.665,11 een bonus van euro 5.000 een aanvullende eindejaarspremie van euro 679,46 al deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 7 december 2005 en de gerechtelijke intresten op bruto Wijst al het overige af. Compenseert de gerechtskosten in de zin dat 2/3 ten laste wordt gelegd van de heer W. en 1/3 ten laste van de N.V. Krautli, deze aan de zijde van de heer W. tot op heden slechts begroot op rechtsplegingsvergoeding beroep euro 3.000 en aan de zijde van de N.V. Krautli op rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 5.000,00 rechtsplegingsvergoeding beroep euro 5.000,00 totaal euro 10.000,00 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De Heer Ch. LAURIERS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer H. ENGELEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS, Ch. LAURIERS. H. ENGELEN. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 27 maart 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090327.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div