id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 27 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090327.4 Rolnummer: 44.242 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-06-18 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 19:29 Fiche 1 Artikel 28, 5° van de arbeidsovereenkomstenwet beschouwt de tijd dat de werknemer afwezig is wegens maatregelen van voorlopige vrijheidsberoving waarvan hij het voorwerp is, als wettelijke schorsingsgrond van de arbeidsovereenkomst. De voorlopige hechtenis op zich kan geen ontslag om dringende reden verantwoorden, maar dat neemt niet weg dat een ontslag om dringende reden mogelijk blijft omwille van de feiten die aan de grondslag liggen van de voorlopige hechtenis Wanneer de werkgever tijdens de voorlopige hechtenis de ontslagbeslissing neemt, loopt hij het risico dat bij een eventuele vrijspraak de arbeidsgerechten gebonden zijn door het gezag van gewijsde van deze beslissing, maar wanneer de werknemer strafrechterlijk veroordeeld wordt, dan dienen de arbeidsgerechten deze veroordeling in aanmerking te nemen voor de beoordeling van de dringende reden Het tijdstip waarop men tot ontslag om dringende reden overgaat, dient niet noodzakelijk overeen te stemmen met het tijdstip waarop het mogelijk is dit feit te bewijzen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Schorsing (arbeidsovereenkoms) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Voorlopige hechtenis - Schorsing arbeidsovereenkomst. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 28,L.5 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art. 28, 5°. Eveneens gerangschikt onder II AAN art.
- Fiche 2 Artikel 28, 5° van de arbeidsovereenkomstenwet beschouwt de tijd dat de werknemer afwezig is wegens maatregelen van voorlopige vrijheidsberoving waarvan hij het voorwerp is, als wettelijke schorsingsgrond van de arbeidsovereenkomst. De voorlopige hechtenis op zich kan geen ontslag om dringende reden verantwoorden, maar dat neemt niet weg dat een ontslag om dringende reden mogelijk blijft omwille van de feiten die aan de grondslag liggen van de voorlopige hechtenis. Wanneer de werkgever tijdens de voorlopige hechtenis de ontslagbeslissing neemt, loopt hij het risico dat bij een eventuele vrijspraak de arbeidsgerechten gebonden zijn door het gezag van gewijsde van deze beslissing, maar wanneer de werknemer strafrechterlijk veroordeeld wordt, dan dienen de arbeidsgerechten deze veroordeling in aanmerking te nemen voor de beoordeling van de dringende reden Het tijdstip waarop men tot ontslag om dringende reden overgaat, dient niet noodzakelijk overeen te stemmen met het tijdstip waarop het mogelijk is dit feit te bewijzen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Ontslag - Dringende reden. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art.
- Eveneens gerangschikt onder II AAN art. 28, 5°. Tekst van de beslissing 0 Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 27 MAART
- 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer D. W., Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mters P. Quadflieg en E. De Bock, advocaten te 1800 Vilvoorde; Tegen : DE B.V.B.A. GARAGE VAN AVONDT, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3020 Herent, Brusselsesteenweg, 72, ingeschreven in het HRL onder nr. 20924, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter M. Boghe loco Mter C. Hubrechts, advocaat te 3010 Kessel-Lo; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven (1ste kamer B) op 5 december 2002; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 16 mei 2003; - de besluiten, vervangende besluiten en vervangende synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 25 juli 2005, 24 juli 2007 en 8 december 2008; - de besluiten en korte synthesebesluiten na synthesebesluiten van geïntimeerde voor appellant neergelegd ter openbare terechtzitting van 27 februari 2008; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 8 december 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 27 februari 2009; appellante partij legde haar bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x
- FEITEN EN RECHTSPLEGING. De heer D. kwam in dienst van de B.V.B.A. Van Avondt als verkoper op 16 oktober 1989; de B.V.B.A. baat een garage uit waar uitsluitend BMW voertuigen worden verkocht en onderhouden. Op 16 juni 2000 wordt hij door zijn werkgever ontslagen om dringende redenen, die als volgt werden geformuleerd : - Uw ongewettigde afwezigheden op het werk - Het aanhoudend gerucht dat u zou betrokken zijn in een oplichtingszaak m.b.t. een voertuig, terwijl het verhandelen van voertuigen juist behoort tot de uitbating van onze garage alwaar u tewerkgesteld bent - Donderdag ll dienden wij uw voertuig te laten ophalen bij de BOB te Tienen en tevens werd vernomen dat u in de hulpgevangenis te Leuven zal moeten blijven, minstens tot dinsdag 20/6 ek. Onze garage kan zich absoluut niet permitteren in opspraak te komen, gelet op de risico's, daaraan verbonden t.o.v. ons cliënteel en t.o.v. BMW Belgium - De deining die uw aanhouding heeft veroorzaakt deze feiten zijn ons bekend sedert
- 2000 Op 4 juli 2000 reageerde de raadsman van de heer D. op deze ontslagbrief en veronderstelde dat het vertrouwen tussen werknemer en werkgever schijnbaar ongerept was gebleven vermits de B.V.B.A. hem toeliet afwezig te blijven tot na zijn wettelijk verlof (16 augustus 2000) en hem zijn BMW terug ter beschikking stelde; omdat de werkgever echter op 28 juni 2000 gevraagd had de auto terug binnen te leveren, stelde de raadsman voor dat er een samenkomst zou worden georganiseerd omtrent de verdere samenwerking. Op 11 juli 2000 antwoordde de raadsman van de B.V.B.A. dat de heer D. na zijn vrijlating uit voorlopige hechtenis op 21 juni 2000 de feiten was komen minimaliseren, maar dat de zaakvoerder van de B.V.B.A. geenszins besloten had om terug te komen op het ontslag; tevens werd verwezen naar de verdere onderzoeksdaden in de garage en werd voorbehoud gemaakt in verband met een vordering tot schadevergoeding wegens benadeling en schending van de goede naam. Op 4 november 2002 werd de heer D. door de correctionele rechtbank te Leuven veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van acht maanden met uitstel gedurende drie jaar en tot een geldboete van euro 100 wegens valsheid in geschrifte ten aanzien van een verzekeringsmaatschappij en wegens oplichting omwille van een poging om een schadevergoeding te bekomen voor een zogenaamd gestolen wagen. Uit de motivering van het vonnis volgt dat hij voor tenlastelegging A (valsheid in geschrifte) diende te worden vrijgesproken, omdat de aangifte van de diefstal gebeurde door twee andere beklaagden zonder dat de heer D. hieraan had meegewerkt, zodat de veroordeling voor deze tenlastelegging blijkbaar een vergissing is De tenlastelegging B. werd wel voldoende bewezen geacht en de rechtbank motiveerde : W. D. ontkent niet dat hij eerste en tweede beklaagde in contact bracht met een zekere Y.. Een ex-collega van W. D., C. V., verklaarde dat W. D. hem sprak over de vraag van R. P. of er niet meer geld van de verzekering was te verwachten indien zijn wagen werd gestolen in plaats van hem over te laten. Volgens C. V. zou W. D. hierop Y. naar R. P. hebben gestuurd. Voordien had W. D. hem ook eens uitgelegd dat 100.000 frank kon worden verdiend voor wagens die absoluut weg moesten. In ieder geval is duidelijk dat eerste en tweede beklaagde slechts een nieuwe wagen zouden kopen als zij een hoge prijs kregen voor hun wagen. W. D. had er dus alle voordeel bij dat eerste en tweede beklaagde een hoog bedrag ontvingen voor hun wagen. ... Vervolgens zou W. D. hen in contact hebben gebracht met Y. om de wagen te laten stelen. Ook daarna heeft W. D. nog rechtstreeks meegewerkt aan de uitvoering door druk uit te oefenen op eerste en tweede beklaagde om door te gaan met het plan en door er bij eerste en tweede beklaagde op aan te dringen dat de onkosten aan de andere mededaders zouden worden vergoed. Uit de telefoonanalyse van het GSM - toestel van R. P. blijkt dat W. D. na de geënsceneerde diefstal contact had met R. P.. De ontkenningen van W. D. komen in de gegeven omstandigheden ongeloofwaardig voor. Bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 januari 2006 werd de materiële vergissing in verband met de tenlastelegging A. rechtgezet en trad het hof bovenvermelde motivering van de eerste rechter bij, waarbij het nogmaals onderlijnde dat de verklaringen van de anderen voldoende geloofwaardig waren om de ontkenningen in verband met de nepdiefstal terzijde te schuiven en dat het aanbrengen van de ‘dief' door de heer D. het misdrijf van mededaderschap aan de poging tot oplichting inhield. In verband met de strafmaat verwees het hof naar de persoonlijkheid van de beklaagde die geen respect heeft voor de eigendom van anderen en op gewiekste wijze als organisator optreedt van een misdrijf dat het eerlijk economisch handelsverkeer en de algemene maatschappelijke orde ernstig in het gedrang brengt. De straf werd bevestigd met dien verstande dat het uitgesproken uitstel beperkt werd tot het gedeelte dat de ondergane hechtenis te boven ging en dat de termijn van uitstel werd verlengd tot vijf jaar. Inmiddels had de heer D. zijn werkgever gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Leuven op 9 oktober 2000 en vroeg hij een opzeggingsvergoeding van 24 maanden of euro 102.131,74, een vergoeding voor willekeurige afdanking van 6 maanden of euro 25.532,93 en een vergoeding voor rechtsmisbruik van euro 12.394,68, bedragen te vermeerderen met de intresten en de kosten. De B.V.B.A. Van Avondt stelde een tegenvordering op 8 juni 2001 van euro 24.789,35 als schadevergoeding voor aantasting van haar goede naam en van euro 3.718,40 wegens tergend en roekeloos geding . Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 5 december 2002 werden de hoofd- en tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard; de eerste rechter aanvaardde de dringende reden omdat de heer D. onwettig afwezig was gebleven zonder te verwittigen van zijn voorlopige hechtenis; de aantasting van de goede naam en het tergend en roekeloos geding werden niet weerhouden. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 16 mei 2003, tekende de heer D. hoger beroep aan en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering. De B.V.B.A. tekende incidenteel beroep aan bij beroepsbesluiten van 25 juli 2005 en hernam haar tegenvordering.
- BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.
- Het ontslag om dringende reden. Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn : - er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief (zie. W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 04-05, nr. 5249). Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren. Deze feiten moeten dan ook zo omschreven zijn dat zowel de rechter als degene die ontslagen wordt, precies weten waarop het ontslag gesteund is. Er is tussen de partijen geen betwisting over het feit dat de vormvereisten voor een ontslag om dringende reden zijn nageleefd. Anders dan de eerste rechter, is het arbeidshof van oordeel dat aan de heer D. niet kan verweten worden dat hij onwettig afwezig is gebleven tijdens de periode van voorlopige hechtenis en dat hij zijn werkgever hiervan niet had verwittigd. De heer D. toont met de Belgacomfacturen aan dat er in de periode van zijn voorlopige hechtenis een intens telefoonverkeer is geweest tussen de werkgever en de vriendin van de heer D., zodat kan aangenomen worden dat het nodige werd gedaan om de B.V.B.A. op de hoogte te brengen; bovendien werd de garage uitgenodigd via de BOB te Tienen om de bedrijfswagen van de heer D. aldaar te komen afhalen, zodat kan aangenomen worden dat de heer D. na zijn verhoor hiervoor de nodige schikkingen heeft willen laten treffen. Artikel 28,5° van de arbeidsovereenkomstenwet beschouwt de tijd dat de werknemer afwezig is wegens maatregelen van voorlopige vrijheidsberoving waarvan hij het voorwerp is, als wettelijke schorsingsgrond van de arbeidsovereenkomst. Maar anderzijds is het ontslag om dringende reden gebaseerd op de betrokkenheid van de heer D. in een oplichtingzaak met betrekking tot een voertuig, terwijl het verhandelen van voertuigen juist behoort tot de uitbating van de werkgever, zodat de garage het zich absoluut niet kan permitteren om hierover in opspraak te komen. Alhoewel de heer D. ook na de in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling nog steeds zijn aandeel wil blijven minimaliseren, toont de hierboven aangehaalde motivering van de strafrechter aan dat we duidelijk te maken hebben met een ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen werkgever en werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Dit hof sluit zich bij de aangehaalde strafrechterlijke motivering aan. Het is correct dat artikel 28,5° van de arbeidsovereenkomstenwet meebrengt dat de voorlopige hechtenis op zich geen ontslag om dringende reden kan verantwoorden, maar dat neemt niet weg dat een ontslag om dringende reden mogelijk blijft omwille van de feiten die aan de grondslag liggen van de voorlopige hechtenis (W. Van Eeckhoutte, A. Taghon en S. Vanoverbeke, Overzicht van rechtspraak arbeidsovereenkomsten ( 1988 - 2005),T.P.R. 2006/1, 580, nr. 446; C. Engels, Ontslag wegens dringende reden, Antwerpen, 1988, 116, nr. 670; V. Vannes, La détention préventive et le contrat de travail, JTT 1985, 417 -422). Mevrouw Vannes legde in bovenvermelde bijdrage uit dat het wetsvoorstel dat leidde tot artikel 28,5° voorgelegd werd aan de Nationale arbeidsraad, die in zijn advies 683 uitdrukkelijk benadrukte dat de feiten die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag lagen op zich wel een motief konden zijn voor een ontslag om dringende reden ( J.T.T. 1985, 419). Wanneer de werkgever tijdens de voorlopige hechtenis de ontslagbeslissing neemt, loopt hij weliswaar het risico dat bij een eventuele vrijspraak de arbeidsgerechten gebonden zijn door het gezag van gewijsde van deze beslissing, maar wanneer de werknemer strafrechterlijk veroordeeld wordt, dan dienen de arbeidsgerechten deze veroordeling in aanmerking te nemen voor de beoordeling van de dringende reden ( J.T.T. 1985, 420, 2e). Het tijdstip waarop men tot ontslag om dringende reden overgaat, dient immers niet noodzakelijk overeen te stemmen met het tijdstip waarop het mogelijk is dit feit te bewijzen ( Arbh. Brussel, 21 mei 1997, Med. V.B.O., 1998, 82; Arbh. Luik, 24 april 1997, Soc. Kron 1998,79). Feiten waarvan de partij die de arbeidsovereenkomst om een dringende reden beëindigt, slechts op de hoogte komt na het ontslag en de kennisgeving ervan, kunnen immers aangewend worden om de dringende reden te bewijzen ( Cass., 24 september 1979, J.T.T. 1980, 98; Cass., 13 oktober 1986, R.W. 1986 -87, 1711). De interpretaties, die de heer D. heeft afgeleid uit de houding van de werkgever na het ontslag, kunnen hieraan geen afbreuk doen en overigens werden deze interpretaties onmiddellijk door de werkgever betwist. Het ontslag om dringende reden werd dan ook terecht ingeroepen en het hoger beroep in verband met de hoofdvordering is ongegrond. Omtrent de andere posten dan de opzeggingsvergoeding worden door de heer D. geen grieven voorgebracht, zodat ook wat dit betreft het hoger beroep ongegrond is. 2.
- De schadevergoeding wegens aantasting van de goede naam en wegens tergend en roekeloos geding. De oorspronkelijke tegenvordering werd terecht door de eerste rechter ongegrond verklaard en het hof sluit zich aan bij de motivering van de eerste rechter die hier als hernomen kan worden beschouwd. Bovendien heeft de garage B.V.B.A. Van Avondt geen verkoopverlies geleden na het ontslag van de heer D., alleszins wordt op dit punt geen schade aangetoond. Op het ogenblik van het inleiden van de procedure was de heer D. nog niet in kennis van de strafrechterlijke uitspraken, terwijl hij ingevolge artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet tijdig zijn rechten diende te vrijwaren. Het incidenteel beroep is eveneens ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, doch beiden ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, deels om andere redenen. Compenseert de gerechtskosten van het hoger beroep en legt deze voor 3/4 te laste van de heer D. en voor 1/4 ten laste van de B.V.B.A. Van Avondt, deze aan de zijde van de heer D. niet begroot en aan de zijde van de B.V.B.A. tot op heden slechts begroot op euro 426,
- Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De Heer Ch. LAURIERS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer H. ENGELEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS, Ch. LAURIERS. H. ENGELEN. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 27 maart 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090327.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div