id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 02 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090402.16 Rolnummer: 51.240 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-08-12 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-07-02 19:30 Fiche De interpretatie volgens dewelke uit artikel 100, § 2, van de ziektewet kan opgemaakt worden dat de adviserend geneesheer een onderzoek instelt naar de fysische toestand van de werknemer en zich geen vragen moet stellen over de arbeidsmogelijkheden van de werknemer schijnt in tegenspraak te zijn met de artikelen 101 en 102 van deze wet waar eveneens sprake is van 'een vermindering van het vermogen van de werknemer van ten minste 50 % van geneeskundig oogpunt uit' alhoewel het daar duidelijk gaat om de beoordeling van de 'arbeidsongeschiktheid', De adviserende geneesheren zullen een soepeler evaluatiecriterium weerhouden omdat het de bedoeling is van artikel 100, § 2, van de ziektewet, een geleidelijke wederinschakeling in het arbeidsproces te bewerkstelligen na een ziekteperiode. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Uitkeringsverzekering - Evaluatie ongeschiktheid Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - Ziekteverzekering - Hervatting van een vooraf toegelaten arbeid - Beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 100,§2 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEE APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. 580, 2°, Ger. W. ziekteverzekering tegenspraak definitief In de zaak : LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, erkende ziekteverzekeringsinstelling, met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, postbus 40, appellant, vertegenwoordigd door meester T. Leempoels loco meester J. Van Hoof, advocaat te Leuven, tegen : R. , wonende te [xxx], geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester J. Defau, advocaat te Tienen. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het hof neemt kennis van de volgende procedurestukken: -het op tegenspraak gewezen vonnis door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Leuven van 24 juni 2008, dat ter kennis werd gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W. bij gerechtsbrief die werd verzonden op 26 juni 2008 en werd ontvangen op 27 juni 2008; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 28 juli 2008 -de conclusies voor beide partijen, De partijen werd gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 5 februari 2009, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie legde op 11 februari 2009 zijn advies ter griffie neer (de termijn daartoe verstreek op 13 februari 2009). Aan de partijen werd tot 6 maart 2009 de mogelijkheid geboden om een repliek op dit advies ter griffie neer te leggen, waarna de zaak van rechtswege in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten legde laattijdig op 9 maart 2009 een repliek neer op het advies. * * * FEITEN FEITENRELAAS EN RECHTSPLEGING FEITENRELAAS EN RECHTSPLEGING FEITENRELAAS EN RECHTSPLEGING FEITENRELAAS EN RECHTSPLEGING FEITEN EN RECHTSPLEGING De heer R., geboren op 18 mei 1970 werd op 30 mei 2005 arbeidsongeschikt erkend wegens lumboischialgie. Hij onderging op 9 september 2005 een heelkundige ingreep bestaande uit een discectomie op het niveau L4-L5 en intercorporele fusie L4-L5 Zijn beroepsloopbaan tot dan toe zag er als volgt uit: Hij behaalde een diploma A3 elektronica. Via de VDAB behaalde hij een getuigschrift basiskennis informatica, dactylo en Fans en een getuigschrift heftruckchauffeur. Van 1988 tot 1990 was hij werkzoekende. Van 1990 tot 1992 werkte hij als productiearbeider bij Bosch, van 1992 tot 1994 was hij opnieuw werkzoekende, van 1994 tot 2001 werkte hij als interim-arbeider en van 2001 tot 2002 als arbeider in een beschutte werkplaats. Van 2003 tot 2005 tenslotte was hij als arbeider heftruckchauffeur werkzaam bij de firma Geens, een drankenproducent. Vanaf 4 januari 2006 kreeg de heer R. toelating van de adviserend geneesheer van het ziekenfonds om halftijds zijn activiteit als heftruckchauffeur te hervatten. Bij beslissing van 13 september 2006, werd vanaf 1 oktober 2006 een einde gesteld aan de arbeidsongeschiktheid, zowel op grond van art 100, § 1 als op grond van art 100, § 2, van de gecoördineerde ZIV-Wet van 14 juli
- Rugsparende arbeid werd mogelijk geacht. De heer R. stelde tegen die beslissing een verhaal in bij de arbeidsrechtbank met verzoekschrift van 10 oktober 2006 en legde ter staving van zijn vordering medische attesten neer van Dr.L.Meylemans, fysische geneeskunde dd.25 september 2006 en van Dr. Jacobs van 13 juni
- Hij vorderde de erkenning van zijn arbeidsongeschiktheid zoals voorzien bij art 100 van de gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli
- Vanaf 1 oktober 2006 bleef de heer R. deeltijds werken bij de firma Geens. De heer R. stelt vanaf 1 maart 2007 (de deskundige vermeldde 1 februari 2007) het werk voltijds te hebben hervat (aan 31u per week). Ingevolge het faillissement van die firma op 5 april 2007 werd deze gesloten en was de heer R. werkloos tot hij op 16 april 2007 het werk voltijds hervatte in een beschutte werkplaats. Met het tussenvonnis van 23 mei 2007 stelde de arbeidsrechtbank Dr. B.Vanernemen aan als deskundige ten einde haar te adviseren over de vraag of de heer R. vanaf 1 oktober 2006 arbeidsongeschikt was gebleven in de zin van art 100, § 1, van de gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli1994 en of hij vanuit geneeskundig oogpunt een vermindering van zijn vermogen tot verdienen van tenminste 50% behield in de zin van art 100, § 2 van die Wet. In zijn op 7 mei 2008 ter griffie neergelegd verslag, kwam de deskundige tot het besluit -dat de heer R. vanaf 1 oktober 2006 niet meer arbeidsongeschikt was in de zin van art 100, § 1, van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 -dat hij vanuit geneeskundig oogpunt een vermindering van zijn verdienvermogen van ten minste 50% behield in de zin van art 100, § 2, van die Wet vanaf 1 oktober 2006 tot en met 31 januari
- Met het bestreden vonnis bekrachtigde de arbeidsrechtbank het deskundigenverslag. Zij verklaarde de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond in volgende mate: Zij hervormde de bestreden administratieve beslissing van 13 september 2006, Zegde voor recht dat de heer R. vanaf 1 oktober 2006 tot en met 31 januari 2007 van een geneeskundig oogpunt uit een vermindering van zijn vermogen met ten minste 50% heeft behouden overeenkomstig art 100, § 2, van de ZIV-Wet en bevestigde de bestreden beslissing voor het overige met verwijzing van de LCM tot de kosten. Zij stelde vast dat de deskundige afdoende had geantwoord op de opmerkingen die door Dr. Deweerdt, adviserend geneesheer van het LCM werden geformuleerd op het voorverslag, nam er nota van dat de heer R. zich naar de wijsheid van de arbeidsrechtbank richtte en dat de LCM verklaarde niet akkoord te gaan met het deskundigenverslag in zoverre werd gesteld dat de heer R. vanuit een geneeskundig oogpunt een vermindering van zijn vermogen met ten minste 50% had behouden, overeenkomstig art 100, § 2, van de ZIV-Wet en om de aanstelling van een nieuwe deskundige verzocht. De rechtbank meende dat zij echter geen nieuwe elementen bijbracht die het deskundigenverslag tegenspraken. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP De LCM kan zich niet neerleggen bij de uitspraak van de arbeidsrechtbank en vordert dat het hof deze zou hervormen, de oorspronkelijke vordering van de heer R. zou afwijzen en de heer R. zou veroordelen tot de kosten. In ondergeschikte orde vordert hij dat het hof een nieuwe deskundige zou aanstellen. De heer R. vezoekt het hof het bestreden vonnis te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Van het bestreden vonnis werd aan partijen kennis gegeven overeenkomstig art 792, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, bij op 26 juni 2008 verzonden gerechtsbrief, die werd ontvangen op 27 juni
- Het hoger beroep dat regelmatig is naar de vorm werd ingesteld binnen de wettelijke termijn en is derhalve ontvankelijk. 2.Ten Gronde De betwisting betreft slechts de erkenning van een vermindering van het vermogen van de heer R. van 50% vanuit medisch oogpunt gedurende de periode van 1-10-2006 tot 1-2-
- Voor het overige was de deskundige het immers eens met de beslissing van de adviserend geneesheer van het LCM die rugsparende arbeid mogelijk achtte. De heer R. heeft zich daarbij neergelegd. De LCM meent dat de arbeidsrechtbank zich ten onrechte heeft aangesloten bij het advies van de deskundige en ten onrechte niet is ingegaan op haar verzoek een nieuwe deskundige aan te stellen. Verder meent hij dat zijn rechten van verdediging werden geschonden daar de deskundige niet is ingegaan op het verzoek van de adviserend geneesheer om een bijkomende gelegenheid te krijgen opmerkingen te formuleren. De adviserend geneesheer meent dat er geen verschil is in de medische problematiek van de heer R. tussen 1-10-2006 en 1-10-
- Onduidelijk is zijn tweede bezwaar in volgende termen geformuleerd:Ik vind in uw deskundig verslag ook geen enkel element dat mijn stelling dat de verzekerde niettegenstaande hij op 1 oktober 2007 (?) tot een zwaar rugbelastend werk in staat is, niet in staat zou zijn om voor meer dan 66% een rugsparende arbeid te verrichten. De deskundige gaf als antwoord op de opmerkingen van de adviserend geneesheer dat de revalidatieperiode na de op 9 september 2005 ondergane heelkundige ingreep zeer lang is en het zeer positief was dat de heer R. het werk enkele maanden nadien halftijds had hervat, doch dat daarbij niet uit het oog mag worden verloren dat de belastbaarheid van de rug zeer lang beperkt blijft en dat een vroegtijdige volledige werkhervatting niet aangewezen is. Hij wees erop dat de heer R. bovendien nog in behandeling was en kinesitherapeutische begeleiding volgde. Het hof merkt daarbij op dat de adviserend geneesheer de arbeidsongeschiktheid op minder dan 66 %bepaalde omdat de heer R. volgens hem in staat was tot rugsparende arbeid hetgeen een vermindering van zijn vermogen vanuit medisch oogpunt met ten minste 50% open laat en daarmee niet in tegenspraak is. Volgens de adviserend geneesheer is er kennelijk een contradictie tussen het feit dat de heer R. in staat werd geacht om deeltijds zwaar rugbelastend werk uit te voeren en anderzijds niet in staat zou zijn om voltijds rugsparend werk uit te voeren. Aangezien de heer R. op het ogenblik van de bestreden administratieve beslissing gedurende meer dan 6 maanden arbeidsongeschikt was, diende zijn arbeidsongeschiktheid in het raam van art 100, § 1, gecoördineerde ZIV-wet niet enkel te worden beoordeeld op grond van de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoorde die hij verrichtte toen hij arbeidsongeschikt werd, nl. deze van heftruckchauffeur, maar op grond van de verschillende beroepen die hij uitgeoefend heeft of kon uitoefenen, gelet op zijn beroepsopleiding en -ervaring. Overeenkomstig art 100, § 2, van de gecoördineerde ZIV-Wet wordt als arbeidsongeschikt erkend, de werknemer die onder de voorwaarden bepaald in art 80,5° bedoelde verordening een vooraf toegelaten arbeid hervat op voorwaarde dat hij van een geneeskundig oogpunt uit een vermindering van zijn vermogen met ten minste 50% behoudt. De vraag rijst of dit criterium verschilt van het criterium arbeidsongeschiktheid. Volgens het RIZIV zou het gaan om een fysiologische invaliditeit en wordt op grond van die bepaling de fysische geschiktheid van de werknemer beoordeeld en dienen de arbeidsmogelijkheden als dusdanig niet onderzocht te worden (MAROY, L., Toegelaten arbeid tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid, Infoblad RIZIV 1984, p 254 e.v.). Palsterman merkt terecht op dat dit in tegenspraak lijkt met de artt. 101 en 102 die erop volgen, waarin sprake is van een vermindering van de arbeidsongeschiktheid van 50% vanuit geneeskundig oogpunt. Hij meent dat het standpunt van de adviserende geneesheren verband houdt met het feit dat in art 100, § 2, weerhouden criterium verschilt van dat van art 100, § 1 en soepeler geïnterpreteerd wordt, gelet op het nagestreefde doel (PALSTERMAN, P., La réinsertion professionnelle des travailleurs invalides, Soc. Kron. 2006, p. 433-446). De bepaling van art 100, § 2, beoogt een geleidelijke inschakeling in het arbeidsproces van personen na een ziekteperiode. Een plotse overgang naar een voltijdse arbeidsbetrekking zou immers hun herstel in de weg kunnen staan en een risico op herval inhouden. Daarom hanteert ze een soepeler evaluatiecriterium. Voorwaarde is dat er een ziekteperiode in de zin van art 100, § 1, aan vooraf gaat. De bepaling houdt in dat men met een arbeidsongeschiktheidsgraad van minder dan 66% toch nog verder erkend kan worden als arbeidsongeschikt, doch het is geen vereiste dat de arbeidsongeschiktheidsgraad tot minder dan 66% is gedaald. (KIEKENS, J. Het arbeidsverbod en het recht op sociale uitkeringen, in Rechtsleer vanuit de rechtszaak, De Boeck université 1998 - rede uitgesproken op 4 september 1990 op de plechtige openingszitting van het arbeidshof te Gent ) Vanuit dit oogpunt kan de deskundige worden bijgetreden waar hij oordeelde dat het niet aangewezen was dat de heer R. wiens arbeidsovereenkomst als heftruckchauffeur nog liep en waarvan niet betwist wordt dat deze rugbelastend is volledig zou hervatten, hoewel zijn verdienvermogen in de zin van art 100, § 1, van de ZIV-Wet niet meer verminderd was met ten minste twee derden. Door de heer R. enkel door te verwijzen naar de rugsparende beroepen op de arbeidsmarkt, zou hij enkel nog zijn arbeidsovereenkomst hebben kunnen opzeggen om naar rugsparende arbeid uit te kijken, hetgeen niet aangewezen leek. De beoordeling van de deskundige kan derhalve bijgetreden worden in de mate dat vanuit geneeskundig oogpunt een vermindering van zijn vermogen met ten minste 50% wordt weerhouden tijdens de periode van 1 oktober 2006 tot 31 januari 2007, hetgeen de heer R. de mogelijkheid bood in zijn betrekking als heftruckchauffeur nog een tijdje deeltijds uit te oefenen bij wijze van overgangsregeling. Het hof is van oordeel dat het deskundig verslag behoorlijk is gemotiveerd en dat de deskundige de opmerkingen van de adviserend geneesheer heeft beantwoord. Dat hij deze niet nogmaals de gelegenheid heeft geboden om te antwoorden acht het hof geen schending van het recht van verdediging. De deskundige werd aangesteld precies omdat er onenigheid bestond naar aanleiding van de medische controverse die tussen partijen was ontstaan. Het laatste woord komt toe aan de deskundige nadat hij alle informatie heeft verzameld en de partijen in hun opmerkingen heeft gehoord. Het hof ziet geen enkele reden om een nieuwe deskundige aan te stellen. Het hof merkt op dat de LCM in repliekconclusie toegeeft dat de heer R. door de adviserend geneesheer niet werd onderzocht op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen doch enkele weken ervoor. Bij dat onderzoek werd kennelijk niet beslist een einde te stellen aan de arbeidsongeschiktheid. De bestreden beslissing werd dan genomen op basis van het antwoord van de heer R. dat er sinds dat onderzoek geen verschil was in het klachtenpatroon of in de behandeling sinds dat lichamelijk onderzoek. In zijn advies merkte de advocaat-generaal terecht op dat zulks niet in overeenstemming is met art 16 van de verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van art 80, 5° van de Gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994, dat dergelijk onderzoek voorschrijft. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies, neergelegd ter griffie op 11 februari 2009 door advocaat-generaal J.-J. André, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond Bevestigt het bestreden vonnis. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger. W. Vereffent het bedrag van de proceskosten, in hoofde van de heer R. begroot op 145,78 euro als rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: G. Balis, kamervoorzitter; J.-M. Boulogne, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; H. Silon, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. G. Balis S. Van der hoeven J.-M. Boulogne H. Silon Bij beschikking overeenkomstig artikel 782bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, van 2 april 2009 van de eerste voorzitter werd raadsheer L. Lenaerts aangewezen om dit arrest uit te spreken op de openbare terechtzitting van 2 april 2009 van de zevende kamer ter vervanging van kamervoorzitter G. Balis, die aan de beraadslaging over dit arrest heeft deelgenomen, doch die wettig verhinderd is om het arrest uit te spreken. Aldus uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel op twee april tweeduizend en negen door : L. Lenaerts raadsheer Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090402.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div