← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090406.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090406.1 Rolnummer: 43.471 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-05-06 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 19:32 Fiche De bepalingen inzake feitelijke scheiding waarbij de splitsing van het rustpensioen alleen kan worden bekomen middels het uitsluitend bewijs van afzonderlijk ingeschreven hoofdverblijfplaatsen zijn bij gebreke aan duidelijke wetteksten niet van toepassing op de bepalingen inzake gezinspensioen van twee echtgenoten zodat hier de mogelijkheid bestaat door alle middelen van recht te mogen bewijzen dat zij steeds in realiteit hebben samengewoond en een gezin vormen. De situatie van de feitelijke scheiding en het bewijs hiervan door op een afzonderlijke woonplaats ingeschreven zijn in het bevolkingsregister beoogt bijgevolg enkel de situatie van de echtgeno(o)t(

  1. e)van een zelfstandige dewelke aanspraak maakt op een gedeelte van het rustpensioen van deze laatste. Het kan bezwaarlijk de bedoeling geweest zijn van de wetgever de bepalingen inzake feitelijke scheiding aan te wenden om pensioengerechtigden die om een of andere reden op een afzonderlijke woonplaats ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, maar in werkelijkheid steeds samenwonen, wat de betaling betreft van het pensioen, als feitelijk gescheiden echtgenoten te behandelen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige - Rustpensioen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN - PENSIOENEN - gezinsrustpensioen - inschrijving van de echtgenoten op een afzonderlijk adres - bewijs van de samenwoonst Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 10-11-1967 - 31 - 04 ELI link Pub nr 1967111030 Koninklijk Besluit - 22-12-1967 - 99 - 02 ELI link Pub nr 1967122203 Nota: VIII B KB nr 72 ,art 31 KB van 22 december 1967, art 99 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 APRIL 2009. 9de KAMER Pensioenen zelfstandigen Op tegenspraak Heropening der debatten op 7 september 2009 om 14 uur. Not. artikel 581, 2° Ger. Wb. In de zaak : HET RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, gevestigd te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein, 6,, Appellant, vertegenwoordigd door Mter A. Sobrie, advocaat te 1000 Brussel; Tegen : 1. De Heer E. M., 1ste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter L. Silance, advocaat te 1170 Brussel; 2. Mevrouw A. V., 3. Mevrouw C. G., 4. Mevrouw J. G., 5. De Heer B. D. B., woonstkiezend bij zijn raadsman, Mter L. Silance, advocaat te 1170 Brussel, Delleurlaan, 29; Tweede, derde,vierde en vijfde geïntimeerden, in hun hoedanigheid van mede-erfgenamen van wijlen Mevrouw Jacqueline G. , vertegenwoordigd door Mter L. Silance, advocaat te 1170 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Geïntimeerden hervatten het geding in naam van mevrouw G. J. . Gelet op het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen bij verstek t.a.v. de R.S.V.Z. door de 14de kamer van de arbeidsrechtbank van Brussel op 12 september 2002; Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep ,verzonden bij aangetekend schrijven van 18 oktober 2002 en ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 21.10.2002; Gelet op de dagvaardingen in hervatting van geding ten aanzien van geïntimeerden sub 2, 3 en 4 en de vrijwillige akte van gedinghervatting neergelegd door geïntimeerde sub 5, door appellant aanvaard; Gelet op de besluiten van partijen; Gelet op de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 5 januari 2009 neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak werd medegedeeld aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies neer te leggen ter griffie uiterlijk op 19 januari 2009; Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie neergelegd ter griffie op 19 januari 2009, waarop beide partijen repliceerden. x x x Feiten en procedurevoorgaanden. Bij administratieve beslissing van 8 februari 1984 werd aan de heer M. vanaf 1 april 1984 een gezinsrustpensioen toegekend. Dit rustpensioen werd vastgesteld tegen het percentage voor een gezin omdat enerzijds de pensioenaanvraag geen melding maakt van onderscheiden woonplaatsen (de rubriek feitelijk gescheiden werd doorkruist). Bij administratieve beslissing van 9 april 1998 werd , ingevolge de vaststelling dat beide echtgenoten op een afzonderlijk adres ingeschreven waren van voor de ingangsdatum van het pensioen, het rustpensioen van de heer M. herleid naar het percentage van alleenstaande en dit vanaf 1 april 1984. Mevrouw G. had nog geen afzonderlijke pensioenaanvraag ingediend. Tegen deze beslissing tekenden beide echtgenoten hoger beroep aan (A.R. 76103/98 met verzoek opnieuw het gezinspensioen toe te kennen. Inmiddels had mevrouw G. ,op 29 juni 1998 een pensioenaanvraag ingediend op het gemeentebestuur St Pieters Woluwe, teneinde de helft van het gezinspensioen te vragen van haar echtgenoot waarbij ze vermeldt dat zij van hem sinds 1982 gescheiden leefde. Bij administratieve beslissing van 13 augustus 1998 werd een gezinspensioen toegekend,bij helften uitbetaalbaar aan hemzelf en zijn echtgenote hetzij een maandbedrag van 11.853 frs (lees 293,83 euro). Bij verzoekschrift van 3 november 1998 (A.R. 84138/98) tekent de heer M. hoger beroep aan tegen deze beslissing. Op 17 november 2000 dagvaardde mevrouw G. de R.V.P. tot veroordeling van achterstallige pensioenbedragen als feitelijk gescheiden echtgenote van 1 april 1984 tot oktober 1998 hetzij 174 maanden x 11.853 frs = 2.062.422 frs(lees 51.126,11 euro )meer de gerechtelijke intresten (A.R. 33227/00). Bij verzoekschrift van 15.06.2001(AR 12891/01) gericht tegen R.V.P. en R.S.V.Z. vorderen de beide echtgenoten de vernietiging van de administratieve beslissing van de R.V.P. van 18.08.1998 ,verzonden naar het verkeerde adres, waarbij de R.V.P. een som ten belope van 290.001 frs (7188,94 euro) terugvorderde, zijnde het verschil gezinspensioen en pensioen alleenstaande vanaf 1 april 1984 rekening houdende met een verjaringstermijn van 5 jaar en dus gaande over de periode van 1 april 1993 tot 31 juli 1998. Vanaf 1 oktober 1998 werd de schuld van de heer M. betaald mits maandelijkse inhoudingen van 10 % op het pensioenbedrag,zijnde 1.185 frs (29,38 euro ) per maand. Bij besluiten houdende tegenvordering vordert R.V.P. het bedrag van 7.188,94 euro terug. Met het bestreden vonnis voegt de arbeidsrechtbank alle vorderingen samen. In hoofdorde hebben de echtgenoten M. -G. steeds gevorderd dat zij aanspraak maken op het gezinspensioen omdat zij altijd hebben samengewoond op hetzelfde adres doch dat de gescheiden inschrijvingen in het bevolkingsregister betrekking hadden op de handelsactiviteiten van de heer M. en teneinde het patrimonium van zijn echtgenote G. te beschermen tegen schuldeisers(met uiteindelijk toch een faillissement van de handelszaak tot gevolg). Beide echtgenoten zijn blijven samenwonen ,eerst op het adres ... te 1150 Brussel en vervolgens ... te 1150 Brussel ( resp. officiële woonplaats van mevrouw G. sinds 1952 en 1995). De eerste rechter besliste in het bestreden vonnis dat de echtgenoten M. -G. bewijzen dat zij altijd hebben samengewoond en bijgevolg aanspraak kunnen maken op een gezinspensioen voor de periode van 1 april 1984 tot einde juni 1998. De vordering A.R. 76103/98 is ontvankelijk en deels gegrond. De eerste rechter meende echter te moeten besluiten tot een situatie van feitelijke scheiding vanaf 29 juni 1998, datum waarop mevrouw G. zelf een aanvraag indient voor een rustpensioen op basis van haar beweerde feitelijke scheiding. De vordering A.R. nr 84138/98 van de heer M. tegen de toekenning van het gezinspensioen en uitbetaalbaar bij helften aan de M. en aan G. werd ongegrond verklaard evenals de vordering A.R. 33227/00. De vordering A.R. 12891/01 wordt gegrond verklaard en de tegenvordering, zijnde de terugvordering over de periode van 1.04.1993 tot 31.07.1998 wordt ongegrond verklaard. Grieven in hoger beroep . Het R.S.V.Z. tekent hoger beroep aan tegen de echtgenoten M. -G. omdat in artikel 99 van het K.B. van 22 december 1967 bepaald is dat "feitelijke scheiding van de echtgenoten de toestand is zoals deze wordt vastgesteld aan de hand van de inschrijvingen in het bevolkingsregister". Bijgevolg is alleen de inschrijving in het bevolkingsregister bepalend bij de vaststelling van de pensioenrechten van de echtgenoten .Zijn er onderscheiden inschrijvingen in het bevolkingsregister en dit wordt in casu door geen enkele partij betwist ,dan kan geen gezinspensioen meer worden toegekend . Ontvankelijkheid van het hoger beroep . Het bestreden vonnis werd aangeboden aan de bestemmeling op 20 september 2002 . Ingevolge artikel 53 bis Ger. Wb. begint de termijn van hoger beroep vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief is aangeboden , dit is 21 september 2002(artikel 53bis Ger. Wb. werd ingevoegd bij wet van 13.12.2005 (BS 21.12.2005) . Huidige zaak valt nog niet onder deze wetswijziging doch bij arrest van het Hof van Cassatie van 23.06.2006 ,zich uitsprekend over de situatie van voor de wetswijziging ,stelt deze "Artikel 52 van het Gerechtelijk Wetboek inzake de voor proceshandelingen in acht te nemen termijnen bepaalt dat de termijn wordt gerekend van middernacht tot middernacht en wordt gerekend vanaf de dag na die van de akte welke hem doet ingaan. Een kennisgeving bij aangetekende brief wordt geacht geschied te zijn de eerste werkdag die volgt op de dag van de afgifte van de brief ter post. Op die datum immers wordt de geadresseerde geacht kennis ervan te hebben kunnen nemen." De afgifte ter post is 19 september 2002 zodat de kennisname geacht wordt te zijn geschied op 20 september 2002. Bijgevolg is het beroepsverzoekschrift, verzonden op 18 oktober 2002 (de datum van toezending van de brief en niet de datum van aanbieding of van ontvangst ervan is relevant ( zie Cass., (3e k.) AR S.97.0077.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971201.5, 1 december 1997 ) ingesteld binnen de maand en bijgevolg ontvankelijk. Het hoger beroep is derhalve ontvankelijk. Ten gronde. Artikel 137 tweede lid van het K.B. van 22 december 1967 houdende het algemeen reglement zelfstandigen bepaalt dat het rustpensioen wordt uitbetaald op de hoofdverblijfplaats en in handen van de gerechtigde. Ingeval de gerechtigde met zijn echtgenoot samenwoont, wordt de betaling van het gezinspensioen bij postassignatie op naam van beide echtgenoten opgemaakt (Artikel 138 van het K.B. van 22.12.1967). Gelet op de gelijkaardige regelingen in de werknemerspensioenen (artikel 66 eerste en tweede lid K.B. 21.12.1967) heeft het Arbeidshof van Mons in haar arrest van 27.02.1998, A.R. 13304 in de regeling werknemerspensioenen geoordeeld dat uit deze wettelijke bepalingen kan worden afgeleid dat het de bedoeling is geweest het pensioen te betalen op de plaats waar de gerechtigde werkelijk woont , werkelijk verblijft of samenwoont zelfs al is dit niet de plaats waar zij officieel ingeschreven zijn. Het arbeidshof meent dat deze ratio legis eveneens blijkt uit de bepalingen van artikel 138 van het K.B. van 22.12.1967 . De bepaling van artikel 138 van voormeld K.B. schrijft niet voor dat de gerechtigde met zijn echtgenote moet samenwonen op zijn eigen hoofdverblijfplaats . De bepalingen inzake feitelijke scheiding waarbij de splitsing van het rustpensioen alleen kan worden bekomen middels het uitsluitend bewijs van afzonderlijke ingeschreven hoofdverblijfplaatsen zijn bij gebreke aan duidelijke wetteksten niet van toepassing op de bepalingen inzake het gezinspensioen van 2 echtgenoten zodat hier de mogelijkheid bestaat door alle middelen van recht te mogen bewijzen dat zij steeds in realiteit hebben samengewoond en een gezin vormen. De situatie van de feitelijke scheiding en het bewijs hiervan door op een afzonderlijke woonplaats ingeschreven zijn in het bevolkingsregister beoogt bijgevolg enkel de situatie van de echtgeno(o)t(
  2. e)van een zelfstandige dewelke aanspraak maakt op een gedeelte van het rustpensioen van deze laatste. Dit standpunt werd eveneens bijgetreden door de heer administrateur-generaal van de rijksdienst voor pensioenen in zijn schrijven van 18 augustus 1998 aan zijn ambtsgenoot van het R.S.V.Z. De heer advokaat- generaal vermeldt dan ook terecht in zijn advies dat het bezwaarlijk de bedoeling kan geweest zijn de bepalingen inzake feitelijke scheiding aan te wenden om pensioengerechtigden die om een of andere reden op een afzonderlijke woonplaats ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, maar in werkelijkheid steeds samenwonen, wat de betaling betreft van het pensioen, als feitelijk gescheiden echtgenoten te behandelen. Uit de stukken van het bundel van geïntimeerden blijkt op voldoende wijze dat het bewijs wordt geleverd dat de beide echtgenoten M. -G. minstens vanaf 1982 samenwoonden op hetzelfde adres ... te 1150 Brussel en vervolgens ... te 1150 Brussel ( resp. officiële woonplaats van mevrouw G. sinds 1952 en 1995 ) en dit tot het overlijden van mevrouw G. op 16.07.2002. Dit blijkt uit volgende stukken: - De verklaring van de behandelende geneesheer van het gezin Dr. Provoost van 4 april 2002( stuk 39) bevestigend dat hij de echtgenoten M. -G. vanaf 1982 behandelde en dat zij regelmatig met twee naar zijn dokterskabinet kwamen. - De facturen inzake huisvuilbelasting, belasting radio en t.v.- abonnementsgeld telefoon , aanslag biljet , waterverbruik, Interlec ,op het adres ... te 1150 Brussel en vervolgens ... te 1150 Brussel waren geadresseerd aan de heer M. , zo ook de briefwisseling met de B.B.L. en een factuur klinische biologie. - De verklaring van samenwoonst afgeleverd door de gemeente Saint Siffret dat de echtgenoten M. -G. regelmatig en voor lange periodes samenleefden in de woning te Zuid Frankrijk , en dit vanaf 1982 tot maart 2002, datum van opstellen van de verklaring. - Het testament van mevrouw G. van 28 maart 2002 geeft aan haar echtgenoot de heer M. , het vruchtgebruik van de woning gelegen ... te 1150 Brussel, hetgeen weinig waarschijnlijk zou geweest zijn indien echtgenoten al zoveel jaren niet meer zouden samengewoond hebben. Ook dit element is een vermoeden , gelijklopend en ernstig, van het bewijs van samenwoonst van beide geïntimeerden. Het hoger beroep van appellant is enkel gericht tegen het vonnis van de eerste rechter tot toekenning van het gezinspensioen voor de periode van 01.04.1984 tot eind juni 1998. Geïntimeerden hebben geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de eerste rechter waar deze geoordeeld heeft dat mevrouw G. vanaf 1 juli recht heeft op de helft van het gezinspensioen wegens feitelijke scheiding . Wel vorderen geïntimeerden in beroepsbesluiten ook te bevelen dat de ten onrechte afgehouden bedragen zou worden terugbetaald, zijnde volgens geïntimeerde 3.045,11 euro meer de gerechtelijke intresten sedert de onrechtmatige afhoudingen,tussen 1998 en 2002. Appellant is in deze omstandigheden alleen gehouden tot 1) regularisatie van de pensioenrechten van geïntimeerden M. -G. als gezinspensioen als samenwonenden van 1 april 1984 tot 30 juni 1998 en tot 2) berekening of partij M. G. in functie hiervan nog gerechtigd is op enige terugbetaling van te weinig ontvangen pensioenbedragen, aangezien geïntimeerden beweren dat alleen het deel van M. werd betaald van 1.1.98 tot 30.6.1998 en aangezien er afhoudingen op pensioen zouden zijn gebeurd vanaf september 1998 (de terugvordering van R.V.P. zijnde definitief door de eerste rechter als ongegrond afgewezen). De debatten dienen heropend teneinde appellant toe te laten de afrekening voor te leggen van de pensioenbedragen waarop de heer M. aanspraak had tot 30 juni 1998 en de bedragen die ten onrechte op zijn pensioen werden ingehouden, rekening houdend dat de overige beslissingen van de eerste rechter niet het voorwerp uitmaken van onderhavig hoger beroep . OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk advies van de Heer J.J. André, advocaat-generaal neergelegd ter griffie op 19 januari 2009, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, Heropent de debatten met het doel als hierboven gesteld; Stelt deze heropening der debatten vast op de openbare terechtzitting van de 9de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 september 2009 om 14 uur. Aldus gewezen door de 9de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : Mevrouw B. CEULEMANS, Eerste Voorzitter, De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, De heer W. REYNDERS , Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige arbeider, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. B. CEULEMANS, L. LENAERTS, L. HERREGODTS. W. REYNDERS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 9e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 april 2009 door Mevrouw B. CEULEMANS, Eerste Voorzitter, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. B. CEULEMANS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090406.1 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971201.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.