id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090406.3 Rolnummer: 49.477 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 19:32 Fiche Op grond van de bepalingen van artikel 3 § 1 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 is iedere persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent die inkomsten kan opleveren zoals bedoeld in artikel 23 § 1 ,1° of 2 ° of in artikel 30,2° van het W.I.B., geacht verzekeringsplichtig te zijn en zulks tot bewijs van het tegendeel; het vermoeden van verzekeringsplicht als zelfstandige bestaat wanneer de beroepsbezigheid inkomsten kan opleveren, het is niet vereist dat de inkomsten werden genoten; het feit dat een beroepsactiviteit geen winst oplevert, sluit de verzekeringsplicht niet uit. Het fiscaal criterium houdt een weerlegbaar vermoeden in. Artikel 3 § 1 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 schept nochtans geen wettelijk vermoeden, volgens hetwelk een persoon, die gedurende bepaalde jaren een beroepsbezigheid als zelfstandige heeft uitgeoefend, geacht wordt, behoudens het door hem te leveren tegenbewijs, dezelfde bezigheid gedurende de daaropvolgende jaren te hebben uitgeoefend. Het bewijs van deze beroepsbezigheid dient voor elk der betrokken jaren door de sociale zekerheidskas te worden geleverd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Toepassingsgebied Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN - SOCIAAL STATUUT - Bewijsregeling. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 38 - 27-07-1967 - 3,§1 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 APRIL
- 9de KAMER Bijdragen zelfstandigen Op tegenspraak Definitief In de zaak : Mevrouw M.C. Appellante, vertegenwoordigd door Mter L. Kell, advocaat te 1000 Brussel; Tegen : DE V.Z.W. STEUNT ELKANDER Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter M. Arnauts loco Mter K. Denoo,advocaat te 3200 Aarschot; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (14de kamer) op 27 juni 2006; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 29 januari 2007; - de besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde partij neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 30 september 2008 en 5 januari 2009; - de besluiten voor appellante partij neergelegd ter griffie van dit Hof op 1 december 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 2 februari 2009 neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak werd medegedeeld aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies neer te leggen ter griffie uiterlijk op 16 februari 2009; Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie neergelegd ter griffie op 11 februari 2009, waarop partijen niet repliceerden;
- FEITEN EN RECHTSPLEGING. Bij dagvaardingen van 29 december 1997 en 1 december 1999 vroeg de V.Z.W. Steunt Elkander de veroordeling van o.m. mevrouw M. C. tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen in het statuut der zelfstandigen voor respectievelijk de kwartalen 1994/1 tot 1997/2 en 1997/3 tot 1998/
- Beiden vorderingen werden door de eerste rechter terecht samengevoegd. Mevrouw M. betwist haar onderworpenheid aan het sociaal statuut zelfstandigen na eind 1993 gelet op haar ontslag als bestuurster van de C.V. Huis Mersch en zij houdt voor dat zij vanaf dat ogenblik ook geen beroepsactiviteit meer heeft uitgeoefend. Mevrouw M. was sedert de oprichting van de vennootschap op 17 juli 1989 bestuurster en zij bezat tevens 25 % van de aandelen. De C.V. baatte een superette uit gelegen op het Marktplein te Tollembeek. Op 28 oktober 1993 nam zij ontslag als bestuurster en zij meldde de stopzetting van haar zelfstandige activiteit. Door de inspectiedienst van het R.S.V.Z. werd in januari 1997 een onderzoek gevoerd, onder meer bij boekhouder B., waarbij werd vastgesteld dat mevrouw M. ook na haar ontslag als bestuurster actief bleef als werkend vennoot en als dusdanig een bezoldiging ontving. Dit werd ook afgeleid uit de fiscale gegevens voor de inkomstenjaren 1994 -1995 ( respectievelijk 384.168 frank en 381.792 frank). Mevrouw M. bevestigde op 19 juni 1997 schriftelijk:
- Ik verklaar geen loon uit de vennootschap te hebben ontvangen vanaf 1/1/
- Ik verklaar geen bestuurder in de vennootschap C. V. Huis Mersch meer te zijn vanaf november 1993 ( waarvan statuten u opgestuurd) (gewijzigd door notaris Rens) Vanaf november 1993 tot en met december 1996 is er nog een loon uitgeschreven geweest door de boekhouder. Het doel van het wijzigen van de statuten voor ons, was om het beperken van de onkosten van sociale bijdragen.... De C.V. werd failliet verklaard op 3 maart 1998, wat geïntimeerde ertoe bracht om bijdragen te vorderen tot het eerste kwartaal
- Mevrouw M. stelde een tegenvordering in wegens tergend en roekeloos geding en vorderde een schadevergoeding van euro 1.239,47; in ondergeschikte orde vroeg zij haar schuld te mogen afbetalen met maandelijkse schijven van euro
- Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 27 juni 2006 werden de samengevoegde hoofdvorderingen ontvankelijk en gegrond verklaard en werd de tegenvordering afgewezen als ongegrond, met veroordeling van mevrouw M. tot de gerechtskosten. De oorspronkelijke vordering lastens de C. V. Huis Mersch werd gedoofd verklaard ingevolge het vonnis van sluiting van faillissement van 9 mei
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 29 januari 2007, betekende mevrouw M. hoger beroep aan tegen dit vonnis en vroeg dat de oorspronkelijke vorderingen van de V.Z.W. Steunt Elkander ontvankelijk doch ongegrond zouden worden verklaard en minstens dat haar het voordeel van maandelijkse afbetalingen zou worden toegekend; zij vraagt tevens dat ingeval van veroordeling de rechtsplegingsvergoeding zou worden herleid tot het minimum gelet op haar moeilijke financiële toestand.
- BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Mevrouw M. verwijt aan de eerste rechter dat zij te veel rekening gehouden heeft met vermoedens om het bestaan van haar beroepsactiviteit te aanvaarden en dat ze zich aldus heeft overgeleverd aan een indirecte bewijslevering die onvoldoende steunde op bekende feiten. De activiteit van mevrouw M. als werkend vennoot wordt echter aangetoond door het onderzoek van de R.S.V.Z., zoals dit plaatsvond bij de boekhouder van de CV, door de fiscale gegevens en door het schrijven van mevrouw M. van 19 juni
- Weliswaar wil zij voorhouden dat deze laatste brief niet van haar hand is, maar samen met het Openbaar Ministerie kan niet anders dan vastgesteld worden dat deze brief wel degelijk door haar ondertekend is en dat haar handtekening volledig overeenstemt met deze voorkomend op haar aansluitingsverklaring van 2 augustus
- Aldus heeft mevrouw M. zich alleszins de inhoud van deze brief eigen gemaakt. Op grond van de bepalingen van artikel 3 §1 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 is iedere persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent die inkomsten kan opleveren zoals bedoeld in artikel 23 §1,1° of 2° of in artikel 30,2° van het W.I.B., geacht verzekeringsplichtig te zijn en zulks tot bewijs van het tegendeel; het vermoeden van verzekeringsplicht als zelfstandige bestaat wanneer de beroepsbezigheid inkomsten kan opleveren, het is niet vereist dat de inkomsten werden genoten; het feit dat een beroepsactiviteit geen winst oplevert, sluit de verzekeringsplicht niet uit. Het fiscaal criterium houdt een weerlegbaar vermoeden in, maar zowel het inspectieverslag van het R.S.V.Z. als de overgemaakte fiscale gegevens en de verklaring van mevrouw M. tonen aan dat zij na haar ontslag als bestuurder minstens tot januari 1997 actief is gebleven als werkende vennote. Mevrouw M. toont niet aan dat ze ooit bezwaar heeft ingesteld tegen de gevestigde fiscale aanslagen en zij brengt evenmin kopies voor van de aangiftes in de personenbelasting met betrekking tot de betwiste periode. Op 30 juni 1997 heeft geïntimeerde haar aangeschreven met verzoek een attest toe te sturen waarin ze vermeldde dat ze vanaf december 1996 geen activiteit meer uitoefende binnen de vennootschap, maar zij gaf aan deze vraag geen gevolg. Samen met het Openbaar Ministerie leidt het hof hieruit bijkomend af dat mevrouw M. niet weerlegde dat ze actief was als werkend vennoot. Op grond van artikel 8 van het K.B. van 19 december 1967 dient zij immers binnen een termijn van 15 dagen aan de hand van een officieel bewijsstuk de staking van haar beroepsactiviteit als zelfstandige mee te delen. Artikel 3 §1 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 schept nochtans geen wettelijk vermoeden, volgens hetwelk een persoon, die gedurende bepaalde jaren een beroepsbezigheid als zelfstandige heeft uitgeoefend, geacht wordt, behoudens het door hem te leveren tegenbewijs, dezelfde bezigheid gedurende de daaropvolgende jaren te hebben uitgeoefend. Het bewijs van deze beroepsbezigheid dient voor elk der betrokken jaren door geïntimeerde te worden geleverd (vgl. Cass., 23 april 1975, Arr. Cass. 1975, I, 933). Uit het antwoord van 28 november 2000 van de Controle der belastingen te Lennik op het schrijven van geïntimeerde van 16 november 2000 volgt dat mevrouw M. tijdens de jaren 1996, 1997 en 1998 geen inkomsten genoten heeft als werkend vennoot. Bij het bezoek aan de boekhouder door de sociaal controleur van het R.S.V.Z. bleek nochtans dat mevrouw M. minstens nog tot januari 1997 actief was als werkend vennoot. Samen met het Openbaar Ministerie moet dan ook vastgesteld worden dat geïntimeerde niet op afdoende wijze bewijst dat mevrouw M. nog actief was als werkend vennoot tijdens de periode gaande van het tweede kwartaal 1997 tot en met het eerste kwartaal
- De bijdragen en verhogingen voor deze periode werden dan ook ten onrechte gevorderd. Hieruit volgt dat het rekeninguittreksel, gevoegd bij de dagvaarding van 29 december 1997, moet worden verminderd met de bijdragen en verhogingen voor het tweede kwartaal 1997 of 17.790 frank ( euro 441) en 1068 frank ( euro 26,48), wat het saldo brengt op bijdragen : 196.614 -17.790 = 178.824 frank of euro 4.432,93 verhogingen : 48.524 -1.068 = 47.456 frank of euro 1.176,40 kosten : 510 frank of euro 12,64 totaal : 245.648 -18.858 = 226.790 frank of euro 5.621,
- De vordering gesteld bij de oorspronkelijke dagvaarding van 1 december 1999 is ongegrond. Het hoger beroep is dan ook gedeeltelijk gegrond. Bij toepassing van artikel 1244 B.W. kunnen aan mevrouw M. maandelijkse termijnen van afbetaling worden toegekend a rato van euro
- Gelet op haar financiële draagkracht, kan de rechtsplegingsvergoeding worden beperkt tot het minimumbedrag, zoals dit geldt overeenkomstig artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007, daar het geschil niet valt onder de artikels 579 en 1017,2de lid Ger. Wb. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal J. J. André, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 11 februari 2009 waarop geen repliek is gevolgd, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het mevrouw M. veroordeelt tot betaling van euro 8.055,49, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op euro 6.089,45 vanaf 29/12/1997 en op euro 1.966,04 vanaf 1/12/1999 tot de datum van algehele betaling en in zoverre de gevraagde afbetalingsmodaliteiten niet werden toegekend; Hierover opnieuw recht doende, Veroordeelt mevrouw M. tot betaling aan de V.Z.W. Steunt Elkander van de som van euro 5.621,98 te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op euro 4.432,93 vanaf 29 december 1997 tot de dag van algehele betaling; Machtigt appellante om de terug te betalen bedragen te kwijten met maandelijkse stortingen van euro 475 ingaande op 1 mei 2009, mits het verschuldigde saldo in éénmaal opeisbaar wordt wanneer een afbetaling niet tijdig wordt gedaan. Bevestigt het vonnis voor al het overige. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, deze beperkt tot de minimum rechtsplegingsvergoeding op grond van artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007, doch deze aan de zijde van geïntimeerde tot op heden slechts begroot op euro 291,50 en aan de zijde van appellante niet begroot; Aldus gewezen door de 9de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : Mevrouw B. CEULEMANS, Eerste Voorzitter, De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, De heer M. GEUENS , Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige arbeider, Mevrouw L. HERREGODTS. B. CEULEMANS, L. LENAERTS, L. HERREGODTS. M. GEUENS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 9e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 april 2009 door Mevrouw B. CEULEMANS, Eerste Voorzitter, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. B. CEULEMANS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090406.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div