← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090409.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 09 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090409.1 Rolnummer: 47.406 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 19:33 Fiches 1 - 2 De verjaring loopt niet t.a.v. degene die in de onmogelijkheid verkeert om een rechtsvordering in te stellen ingevolge een uit de wet voortvloeiend beletsel. Van deze regel kan o.m. toepassing gemaakt worden t.a.v. een terugvordering van sociale zekerheidsbijdragen wanneer het recht op terugvordering slechts kon ontstaan op het ogenblik van de erkenning door de overheid dat de onderneming in buitengewone ongunstige economische omstandigheden verkeert. Van deze uitzonderingsregel kan echter geen toepassing gemaakt worden wanneer sociale zekerheidsbijdragen onverschuldigd werden betaald omdat een onderneming verkeerdelijk werd gerangschikt onder een Paritair Comité dat niet bevoegd was voor de onderneming aangezien in dat geval de onderneming niet in de onmogelijkheid verkeerde onmiddellijk een procedure in te leiden om het onverschuldigd karakter van de betaling te laten erkennen. De schuldvordering die ontstaat na iedere kwartaalbetaling en betrekking heeft op het verschil tussen de oorspronkelijk aangegeven en betaalde bijdrage en de bijdrage die verschuldigd was in functie van de vaststelling dat de werkgever aan een ander paritair comité onderworpen was, is onderworpen aan de gewone regels van de verjaring. Ten onrechte wordt voorgehouden dat het saldo dat in het voordeel van de werkgever ontstaat na iedere kwartaalbetaling, zich bij ieder volgend kwartaal compenseerde met de vordering van de Rijksdienst voor het volgend kwartaal. Bij ieder volgend kwartaal betaalde de werkgever immers een som die overeenstemde met de door haar op dat ogenblik aangegeven bijdrage, waardoor de schuldvordering van de Rijksdienst, die ontstond door de aangifte voor dat kwartaal, uitdoofde ingevolge de verrichte betaling. Vermits de vordering van de Rijksdienst (die slechts opeisbaar werd op het einde van het kwartaal, het ogenblik waarop ook de betaling gebeurde), uitgedoofd werd door die betaling, kon zij niet tegelijkertijd in schuldvergelijking treden met het saldo dat ten voordele van de werkgever ontstaan was na het vorige kwartaal. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Invordering Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS - ALGEMENE REGELING - VERJARING - onverschuldigd betaalde bijdragen -terugvordering - verdaging van het vertrekpunt van de verjaringstermijn - gevolgen van de wettelijke schuldvergelijking op de verjaring. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 42 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: VII A art 42 ook gerangschikt onder I B art 1291 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - Sociale Zekerheid voor Werknemers - Algemene regeling - Verjaring - onverschuldigd betaalde bijdragen -terugvordering - verdaging van het vertrekpunt van de verjaringstermijn - gevolgen van de wettelijke schuldvergelijking op de verjaring. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1291 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: I B art 1291 Ook gerangschikt onder VII A art 42 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGEN APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER socialezekerheidsbijdragen op tegenspraak gedeeltelijk definitief en heropening van de debatten In de zaak : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door meester L. Aerts, advocaat te Brecht, tegen : VAN REETH-HOEFKENS, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te 2840 Rumst, Antwerpsesteenweg 88, ondernemingsnummer 0403.658.669, geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door meester I. Van Loock, advocaat te Wilrijk. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : - het tussenarrest van 29 juni 2006 van dit arbeidshof en deze kamer waarbij de zaak naar de bijzondere rol van deze kamer werd verwezen. In dit tussenarrest werden de procedurestukken, de feiten en de rechtspleging (tot en met dit tussenarrest) reeds besproken. Volledigheidshalve wordt hiervoor dan ook naar dit tussenarrest verwezen. -de conclusies voor de beide partijen; -de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 22 januari 2009, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft zijn schriftelijk advies op 11 februari 2009 ter griffie neergelegd. De repliektermijn verstreek op 13 maart 2009, waarna de zaak op 14 maart 2009 va rechtswege in beraad werd genomen om uitspraak te doen op heden. * * *

  1. De bvba Van Reeth-Hoefkens exploiteert sinds het jaar 1959 een blauwe hardsteengroeve in Ouffet en Bende-Jemmeret evenals een natuursteen- en marmerzagerij, thans gevestigd te Rumst (voorheen te Kontich). Voor de uitbating van de steengroeve ressorteerde de bvba Van Reeth-Hoefkens onder het Paritair Comité nr. 102.08 voor het groefbedrijf, terwijl zij voor haar uitbating te Rumst geacht werd onder de bevoegdheid te vallen van het Paritair Comité nr. 124 van het bouwbedrijf.
  2. Bij dagvaarding van 23 augustus 1996 heeft de bvba Van Reeth-Hoefkens zelf een procedure aanhangig gemaakt voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, waarbij zij betalingsfaciliteiten vroeg voor de achterstallige sociale zekerheidsschuld van het vierde kwartaal 1995 en het eerste kwartaal
  3. Met 6 dagvaardingen, betekend tussen 6 september 1996 en 10 juni 1998, vorderde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen over de periode die zich uitstrekte van het vierde kwartaal 1995 tot en met het tweede kwartaal
  4. Bij exploot van 10 december 1999 werden nog de bijdragen gevorderd van het derde kwartaal 1997 tot en met het vierde kwartaal
  5. In besluiten, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 30 oktober 1996 stelde de bvba Van Reeth-Hoefkens een tegenvordering in lastens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en vroeg zij de terugbetaling van de sociale zekerheidsbijdragen welke zij, ingevolge de verkeerde rangschikking van haar natuursteen- en marmerzagerij te Rumst onder het Paritair Comité van het bouwbedrijf, onverschuldigd zou betaald hebben. De bvba Van Reeth-Hoefkens oordeelde dat haar zagerij, zoals haar steengroeve, onder het Paritair Comité nummer 102.08 van het groefbedrijf diende te ressorteren. De bvba Van Reeth-Hoefkens vorderde verder een schadevergoeding.
  6. Bij vonnis van 28 juni 1999 heeft de arbeidsrechtbank te Antwerpen de verschillende zaken samengevoegd. De arbeidsrechtbank oordeelde in eerste instantie dat de tegenvordering van de bvba Van Reeth-Hoefkens verjaard was voor alles wat betaald werd vóór 30 oktober
  7. Zij verklaarde zich onbevoegd wat betreft de gevorderde schadevergoeding maar verwees de zaak niet naar de bevoegde rechtbank. Verder stelde de rechtbank een deskundige aan die diende na te gaan onder welk Paritair Comité de bvba Van Reeth-Hoefkens ressorteerde. In zijn verslag kwam de deskundige tot de bevinding dat de bvba Van Reeth-Hoefkens inderdaad ook voor haar zagerij ressorteerde onder het Paritair Comité 102.
  8. Bij vonnis van 22 mei 2000 verklaarde de arbeidsrechtbank, op basis van het deskundig verslag, de tegenvordering van de bvba Van Reeth-Hoefkens gegrond, maar enkel voor wat betreft de periode van 30 oktober 1991 tot en met 31 december 1998, gelet op de ingetreden verjaring. De heropening van de debatten werd bevolen ten einde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten een afrekening op te stellen.
  9. Bij verzoekschrift van 6 juli 2000 stelde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hoger beroep in tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Atnwerpen. In besluiten betwistte de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid echter niet verder dat de bvba Van Reeth-Hoefkens ressorteerde onder het paritair comité
  10. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid betwistte echter wel het vonnis van de eerste rechter in zoverre dit de vordering verjaard verklaarde voor de periode tot 30 oktober
  11. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid was de vordering verjaard voor al de bijdragen betaald vóór 1 juli
  12. De bvba Van Reeth-Hoefkens stelde een hoofdberoep in tegen het tussenvonnis van 28 november 1999, in zoverre dit tussenvonnis de verjaring vaststelde van de teruggevorderde bijdragen voor de periode voorafgaand aan 30 oktober 1991 en een incidenteel beroep tegen het eindvonnis. Op 19 december 2002 liet de bvba Van Reeth-Hoefkens de Belgische staat in gedwongen tussenkomst dagvaarden in de beroepsprocedure.
  13. Bij arrest van 28 mei 2004 oordeelde het arbeidshof te Antwerpen dat er een wettelijke schuldvergelijking tot stand was gekomen tussen de bijdragen verschuldigd door de bvba Van Reeth-Hoefkens aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de terugvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ten aanzien van de bvba Van Reeth-Hoefkens, telkens beide schulden samen bestonden en vanaf het ogenblik waarop de bvba Van Reeth-Hoefkens meer bijdragen betaald had dan zij verschuldigd was. De heropening van de debatten werd bevolen ten einde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten een historische afrekening op te stellen, die moest toelaten de exacte schuldvergelijking vast te stellen.
  14. Bij arrest van 12 september 2005 heeft het Hof van Cassatie, op vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het arrest van het arbeidshof te Antwerpen verbroken op de overweging dat dit arrest niet antwoordde op de door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangevoerde verjaring van de terugbetaling van de onverschuldigde bijdragen, overeenkomstig artikel 42 van de wet van 27 juni
  15. Bij exploot van 14 december 2005 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het arrest van het Hof van Cassatie betekend en heeft hij de zaak aanhangig gemaakt voor het arbeidshof te Brussel. Bij arrest van 29 juni 2006 heeft het arbeidshof, volgens het akkoord tussen partijen, de tegenvordering van de bvba Van Reeth-Hoefkens tot het bekomen van een schadeloosstelling, waarvoor de arbeidsrechtbank te Antwerpen zich reeds onbevoegd verklaard had, verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen om daar samengevoegd te worden met de andere aansprakelijkheidsvorderingen die de bvba Van Reeth-Hoefkens had ingesteld. II. BEOORDELING.
  16. Er bestaat tussen partijen geen betwisting meer over de vraag onder welk paritair comité de bvba Van Reeth-Hoefkens ressorteert. Dit is het paritair comité nr. 102.08 voor het groefbedrijf. Er bestaat tussen partijen evenmin betwisting over het feit dat de bvba Van Reeth-Hoefkens derhalve te hoge sociale zekerheidsbijdragen betaald heeft en dat er een compensatie dient te gebeuren tussen de nog steeds hangende hoofdvorderingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de tegenvordering van de bvba Van Reeth-Hoefkens.
  17. In betwisting blijft de eventuele verjaring van de tegenvordering van de bvba Van Reeth-Hoefkens. De bvba Van Reeth-Hoefkens is van oordeel dat zij gerechtigd is de teveel betaalde sociale zekerheidsbijdragen terug te vorderen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vanaf haar oprichting op 21 augustus
  18. Zij stelt daarbij dat de verjaring slechts is kunnen beginnen lopen vanaf de rechterlijke beslissing waarbij vastgesteld werd dat zij onder de bevoegdheid viel van het Paritair Comité nr. 102.
  19. Zij verwijst daarbij naar een cassatiearrest van 24 januari
  20. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is van oordeel dat de rechtsvordering van de bvba Van Reeth-Hoefkens verjaard is in zoverre ze betrekking heeft op de betalingen gedaan vóór 1 juli
  21. Zij verwijst naar de toepasselijke verjaringstermijn van 3 jaar en de datum van stuiting van de verjaring door de tegenvordering ingesteld op 30 oktober
  22. In de regel is het vertrekpunt van de verjaringstermijn voor de terugvordering van een onverschuldigd betaalde som, de datum van de onverschuldigde betaling. Dit geldt met name ook voor de onverschuldigd betaalde sociale zekerheidsbijdragen (Cass. 18.01.1982, Arr.Cass. 1981-1982, 621). De omstandigheid dat de degene die een onverschuldigde betaling deed daar slechts later kennis van kreeg, doet aan deze regel geen afbreuk. Overeenkomstig art. 2251 van het Burgerlijk Wetboek loopt de verjaring echter niet t.a.v. degene die in de onmogelijkheid verkeert om een rechtsvordering in te stellen ingevolge een uit de wet voortvloeiend beletsel (Cass. 2.01.1969, Arr. Cass. 1969, 389). In het door de bvba Van Reeth-Hoefkens ingeroepen cassatiearrest van 24 januari 2000 (Arr.Cass.2000,59) heeft het Hof van Cassatie toepassing gemaakt van deze regel t.a.v. de terugvordering van sociale zekerheidsbijdragen, vermits het recht op terugvordering slechts kon ontstaan op het ogenblik van de (vereiste) erkenning dat de onderneming in buitengewone ongunstige economische omstandigheden verkeerde. De mogelijkheid tot terugvordering ontstond in dat geval slechts na de erkenning. In de huidige betwisting kan echter van deze uitzonderingsregel geen toepassing gemaakt worden. Het recht op terugvordering van de onverschuldigd betaalde bijdragen kon uitgeoefend worden van zodra de onverschuldigd betaalde bijdragen betaald waren. Het recht op terugvordering ontstond niet door de gerechtelijke beslissing, die vaststelde dat er een onverschuldigde betaling gebeurde, maar door de betaling zelf. De gerechtelijke beslissing stelde slechts, op vraag van de betrokken partij, vast dat het inderdaad om een onverschuldigde betaling ging. Indien de bvba Van Reeth-Hoefkens onmiddellijk een procedure had ingeleid om het onverschuldigd karakter van de betaling te laten erkennen, zou de verjaring niet zijn ingetreden. De huidige betwisting onderscheidt zich van deze die behandeld werd in het cassatiearrest van 24 januari 2000 doordat, in de situatie behandeld werd door het cassatiearrest, het ontstaan en de kennis omtrent het onverschuldigd karakter van de betaling afhankelijk was van een discretionaire overheidsbeslissing. Zolang deze beslissing er niet was kon de betrokkene niet handelen. (cfr. V. Sagaert, ‘De verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling', RW 2000-2001, p.260-261). Ten onrechte meent Van Reeth-Hoefkens in haar besluiten, na advies van het openbaar ministerie, een argument te kunnen vinden in het feit dat het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 28 mei 2004 vaststelde dat de Rijksdienst Sociale Zekerheid ‘thans' aanvaardde dat Van Reeth-Hoefkens ressorteerde onder het PC 102.
  23. Uit het arrest blijkt dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid afstand gedaan heeft van zijn hoger beroep tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank en daardoor de onderwerping aan het PC 102.08 erkende. Het is geenszins door deze afstand van hoger beroep of door een door de Rijksdienst op dat ogenblik genomen (discretionaire) beslissing dat het recht op terugvordering ontstond. Er anders over oordelen zou erop neerkomen ook het recht op terugvordering afhankelijk te stellen van een beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
  24. Het mechanisme van de schuldvergelijking, waarnaar de bvba Van Reeth-Hoefkens verwijst, in navolging van het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, heeft in de voorliggende zaak geen invloed op de verjaring. Het mechanisme van de schuldvergelijking veronderstelt dat beide schuldvorderingen vaststaand en opeisbaar zijn (art. 1291 Burgerlijk Wetboek). De schuldvordering van Van Reeth-Hoefkens werd opeisbaar vanaf het ogenblik van de onverschuldigde betaling. Ze had betrekking op het verschil tussen de oorspronkelijk aangegeven en betaalde bijdrage en de bijdrage die verschuldigd was in functie van de vaststelling dat Van Reeth-Hoefkens aan een ander paritair comité onderworpen was. Aldus ontstond er, na iedere kwartaalbetaling, een saldo in het voordeel van Van Reeth-Hoefkens, dat aan de gewone regels van de verjaring onderworpen was. Ten onrechte stelt Van Reeth-Hoefkens dat, bij ieder volgend kwartaal, dit saldo zich compenseerde met de vordering van de Rijksdienst voor het volgend kwartaal. Bij ieder volgende kwartaal betaalde Van Reeth- Hoefkens een som die overeenstemde met de door haar op dat ogenblik aangegeven bijdrage, waardoor de schuldvordering van de Rijksdienst, die ontstond door de aangifte voor dat kwartaal, uitdoofde ingevolge de verrichtte betaling. Vermits de vordering van de Rijksdienst (die slechts opeisbaar werd op het einde van het kwartaal, het ogenblik waarop ook de betaling gebeurde), uitgedoofd werd door die betaling, kon zij niet tegelijkertijd in schuldvergelijking treden met het saldo dat ten voordele van Van Reeth-Hoefkens ontstaan was na het vorige kwartaal. Minstens dient gesteld te worden, zoals het openbaar ministerie opmerkt in zijn advies, dat vanaf het derde kwartaal van het jaar 1963, de (gecumuleerde) schuld van de Rijksdienst voor hetgeen te veel betaald was, hoger was geworden dan de schuld van Van Reeth-Hoefkens voor de bijdrage van het volgend kwartaal, zodat er op dat ogenblik een schuldoverschot was ten laste van de Rijksdienst, dat niet meer kon gecompenseerd worden met de vordering voor het daaropvolgende kwartaal.
  25. De toepasselijke verjaringstermijn voor de tegenvordering van de onverschuldigde bijdragen bedroeg tot 1 juli 1996, in toepassing van artikel 42 van de Wet van 27 juni 1969, zoals ingevoerd bij de wet van 27 augustus 1978, drie jaar. Vanaf 1 juli 1996 bedroeg de verjaringstermijn 5 jaar ingevolge de wijziging van artikel 42 door de Wet van 29 april
  26. De Wet van 29 april 1996 heeft echter niet tot gevolg kunnen hebben dat de verjaring, die verworven was op 1 juli 1996, ingevolge de tot op dat ogenblik toepasselijke wetgeving, te niet gegaan werd. De bvba Van Reeth-Hoefkens kan derhalve alleen de bijdragen terugvorderen betaald vanaf 1 juli 1993, wat dus overeenstemt met de bijdragen vanaf het tweede kwartaal van
  27. Het hoger beroep van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is op dit punt gegrond.
  28. De afrekening, die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voorlegt (afrekening van 9 april 2003) houdt, alhoewel de Rijksdienst erkent dat teruggevorderd kan worden vanaf het tweede kwartaal 1993, slechts rekening met de onverschuldigde betalingen vanaf het 1e kwartaal
  29. De debatten worden heropend ten einde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten een gedetailleerde en overzichtelijk afrekening op te stellen van hetgeen partijen elkaar wederzijds verschuldigd zijn, intresten inbegrepen, vanaf het tweede kwartaal 1993, rekening houdend met het feit dat de bvba Van Reeth-Hoefkens voor haar werklieden personeel tewerkgesteld te Rumst, ressorteerde onder de bevoegdheid van het Paritair Comité 102.
  30. Er zijn geen redenen om het opstellen van deze afrekening toe te vertrouwen aan een deskundige. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid beschikt over alle gegevens om deze afrekening op te stellen en deze afrekening wordt aan de tegenspraak van partijen en aan het oordeel van het Hof onderworpen OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Gelet op het eensluidend geschreven advies van de advocaat-generaal Jean-Jacques André, neergelegd ter griffie op 11 februari
  31. Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep van de bvba Van Reeth-Hoefkens ongegrond. Verklaart het hoger beroep van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gegrond en zegt voor recht dat de vordering van de bvba Van Reeth-Hoefkens verjaard is voor wat betreft de bijdragen betaald voor 1 juli
  32. Vooraleer verder recht te doen, beveelt de heropening van de debatten ten einde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten een gedetailleerde en overzichtelijke afrekening op te stellen van hetgeen partijen elkaar wederzijds verschuldigd zijn, intresten inbegrepen, vanaf het tweede kwartaal 1993, rekening houdend met het feit dat de bvba Van Reeth-Hoefkens, voor haar werkliedenpersoneel tewerkgesteld te Rumst, ressorteerde onder de bevoegdheid van het Paritair Comité 102.
  33. Zegt dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn afrekening zal neerleggen uiterlijk op 9 juli 2009; Zegt dat de bvba Van Reeth-Hoefkens haar opmerkingen op deze afrekening en haar besluiten kan neerleggen uiterlijk op 10 september
  34. Zegt dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn eventuele aanvullende besluiten kan neerleggen tot 8 oktober
  35. Zegt dat de bvba Van Reeth-Hoefkens haar eventuele besluiten, in de vorm van synthesebesluiten, kan neerleggen uiterlijk op 29 oktober
  36. Heropent de debatten op de zitting van 19 november 2009 te 14u. Houdt de kosten aan. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; J.-M. Boulogne, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; H. Silon, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven H. Silon J.-M. Boulogne en uitgesproken op de openbare terechtzitting van negen april tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090409.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.