id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090410.3 Rolnummer: 49.795 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 133 - laatst gezien 2026-07-02 19:34 Fiche 1 Er moet een onderscheid gelmakt worden tussen de pensioentoezegging en de pensioenuitvoering. De pensioentoezegging behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de werkgever en is gericht aan de werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst. De pensioenuitvoering door de pensioeninstelling gebeurt op basis van de verbintenissen vastgelegd in het pensioenreglement. De groepsverzekeringsovereenkomst is een beding ten behoeve van een derde in de zin van artikel 1121 B.W., wat aan de werknemer een rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar verschaft. In de eerste plaats rust de verantwoordelijkheid voor de uitvoering op de pensioeninstelling, om vervolgens en subsidiair hieraan door de werkgever te moeten worden aangevuld, zoals wanneer bij een resultaatsverbintenis de verzekeringsafspraak onvoldoende is om wat aan de werknemer werd toegezegd, te realiseren. Wanneer een werkgever zijn verplichtingen in verband met de pensioentoezegging nakomt door het afsluiten van een groepsverzekering en het nakomen van zijn verbintenissen dienaangaande, bevrijdt hij zich van zijn pensioenverbintenis ten aanzien van de werknemers. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Aanvullende pensioenen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - AANVULLENDE PENSIOENEN - Gehoudenheid van werkgever en pensioeninstelling ten aanzien van werknemer. Wettelijke bepalingen: Wet - 28-04-2003 - 5 - 36 ELI link Pub nr 2003022481 Nota: Gerangschikt onder II R (Wet 28/04/2003), art. 5 om praktische redenen. Eveneens gerangschikt onder I B art.
- Fiche 2 Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de pensioentoezegging en de pensioenuitvoering. De pensioentoezegging behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de werkgever en is gericht aan de werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst. De pensioenuitvoering door de pensioeninstelling gebeurt op basis van de verbintenissen vastgelegd in het pensioenreglement. De groepsverzekeringsovereenkomst is een beding ten behoeve van een derde in de zin van artikel 1121 B.W., wat aan de werknemer een rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar verschaft. In de eerste plaats rust de verantwoordelijkheid voor de uitvoering op de pensioeninstelling, om vervolgens en subsidiair hieraan door de werkgever te moeten worden aangevuld, zoals wanneer bij een resultaatsverbintenis de verzekeringsafspraak onvoldoende is om wat aan de werknemer werd toegezegd, te realiseren. Wanneer een werkgever zijn verplichtingen in verband met de pensioentoezegging nakomt door het afsluiten van een groepsverzekering en het nakomen van zijn verbintenissen dienaangaande, bevrijdt hij zich van zijn pensioenverbintenis ten aanzien van de werknemers. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen overeenkomsten t.a.v. derden - Beding ten behoeve van derden SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Aanvullende pensioenen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIUJK RECHT - Groepsverzekering: beding ten behoeve van een derde. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1121 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Gerangschikt onder I B art.
- Eveneens gerangschikt onder II R (Wet 28/04/2003), art. 5 om praktische redenen. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 10 APRIL
- DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer V.R. , wonende te [xxx], Appellant, verschijnend in persoon en vertegenwoordigd door Mter H. Pastijn, advocaat te 2800 Mechelen; Tegen :
- DE N.V. VIVIUM (voorheen ING INSURANCE N.V.), met huidige maatschappelijke zetel gevestigd te 1210 Brussel, Koningsstraat, 153, ingeschreven onder het ondernemingsnummer 0404.500.094, 1ste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter A. De Becker, advocaat te 1000 Brussel;
- DE N.V. ASTRAZENECA, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1180 Brussel, Egide Van Ophemstraat, 110, 2de geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter I. Bosmans loco Mter Ch. Bayart, advocaat te 2600 Antwerpen; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (12de kamer) op 9 februari 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 27 april 2007; - de besluiten van partijen; - het voor eensluidend verklaard tussenarrest van dit Arbeidshof dd. 16 mei 2008; - de besluiten na tussenarrest van partijen; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 20 maart 2009, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd en voor uitspraak werd vastgesteld op de zitting van 10 april
- x x x Het arbeidshof verwijst naar wat reeds beslist werd in het tussenarrest van 16 mei 2008 en herneemt dit. Partijen werden uitgenodigd om op basis hiervan hun berekeningen te actualiseren. De toe te passen formule van de pensioenrente luidt 80 %S - PL - F, waarbij S staat voor het basis jaarsalaris PL voor het geschat wettelijk pensioen en F voor het verlopen ouderdomspensioen op het ogenblik van de indiensttreding. De heer V.R. en de N.V. Vivium vonden overeenstemming over : S = euro 83.123,54 en de omzettinscoefficiënt voor de conversie van de rente in kapitaal aan 3,25% = 13,
- Evenmin is er betwisting over de premievrije waarde, uitgekeerd door Fortis of euro 106.151,26 en over het provisioneel bedrag uitgekeerd door ING Insurance (thans Vivium) of euro 209.252,
- In verband met het geschat wettelijk pensioen (PL) werd in het tussenarrest van 16 mei 2008 reeds gesteld dat hierbij moest worden uitgegaan van het wettelijk pensioen van de heer V.R. als alleenstaande. Uit de door de heer V.R. voorgebrachte stukken van de RVP volgt dat dit pensioen euro 17.156,25 bedraagt, wat quasi overeenstemt met de schatting die de N.V. Vivium hanteerde in haar brief van 30 december 2004; het is dan ook onduidelijk waarom de N.V. Vivium nu wil verwijzen naar euro 17.865 met als enige verantwoording de thans uitgevoerde computerberekening. De factor PL kan dan ook worden bepaald op euro 17.156,
- Voor de factor F handhaaft Vivium het bedrag van euro 7.283, maar gaat daarbij klaarblijkelijk uit van de datum van indiensttreding van 1 januari 1981, terwijl in het tussenarrest als datum van indiensttreding 2 augustus 1964 werd weerhouden omwille van de conventioneel toegekende anciënniteit, en dit overigens op basis van de door de verzekeringsmaatschappij zelf opgestelde pensioenfiches, waarvan de waarachtigheid niet werd betwist. Aldus kan op dit punt de berekening van de heer V.R. worden aangenomen, die als dusdanig niet wordt tegengesproken en die uitgaat van euro 375,
- Het verschuldigde saldo kan dan ook worden berekend als volgt : 80% S of euro 83.123,54 x 80 % = euro 66.498,83 - PL euro 17.156,25 - F euro 375,15 euro 48.967,43 omzetting rente in kapitaal euro 48.967,43 x 13,02 euro 637.555,93 - uitgekeerd door Fortis euro 106.151,26 - uitgekeerd door ING euro 209.252,25 saldo euro 322.152,42, te verminderen met de parafiscale en fiscale afhoudingen en te vermeerderen met verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet op een bedrag van euro 322.152,42 + euro 209.252,25 = euro 531.404,67 vanaf 1 september 2004 tot 28 februari 2005 en op 322.152,42 vanaf 1 maart 2005, en dit onder aftrok van euro 1.048,39 op deze verwijlintresten. De heer V.R. vraagt dat beide geïntimeerden hoofdelijk of in solidum zouden veroordeeld worden tot betaling van dit saldo en hij steunt zich op het feit dat de werkgever als inrichter van de aanvullende pensioenverzekering verantwoordelijk is voor de toekenning. Er moet hierbij echter een onderscheid gemaakt worden tussen de pensioentoezegging en de pensioenuitvoering. De pensioentoezegging behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de werkgever en is gericht aan de werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst. Anderzijds is er de pensioenuitvoering door de pensioeninstelling (K. Termote, De wet op de aanvullende pensioenen: controle en samenhang met andere wetgevingen, in Wet op de aanvullende pensioenen, 6, Die Keure, 1995, 138-139). Deze uitvoering gebeurt op basis van de verbintenissen vastgelegd in het pensioenreglement (Les pensions complémentaires en pratique: Pourquoi?Quoi?Comment?Combien?,Livre 3 Aspects Juridiques, p. 105, nr. 1460). De groepsverzekeringsovereenkomst is een beding ten behoeve van een derde in de zin van artikel 1121 B.W., wat aan de werknemer een rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar verschaft ( G. Van Limberghen, In min of in meer : wettelijke en aanvullende pensioenen in Sociaal Recht: niets dan uitdagingen (ed. W. Van Eeckhoutte en M. Rigaux), 1996,643, nr. 1093). De heer V.R. meent dat zijn werkgever en de groepsverzekeraar solidair, minstens in solidum gehouden zijn in verband met de uitvoering, omdat de toezegging uitgaat van de werkgever. Hierbij maakt hij een onvoldoende onderscheid tussen toezegging en uitvoering. In de eerste plaats rust de verantwoordelijkheid voor de uitvoering op de pensioeninstelling, om vervolgens en subsidiair hieraan door de werkgever te moeten worden aangevuld, zoals wanneer bij een resultaatsverbintenis de verzekeringsafspraak onvoldoende is om wat aan de werknemer werd toegezegd, te realiseren (K. Termote, De wet op de aanvullende pensioenen: controle en samenhang met andere wetgevingen, in Wet op de aanvullende pensioenen, 6, Die Keure, 1995, 141-142). Deze laatste hypothese ligt hier echter niet voor. Uit het tussenarrest volgt dat de afrekening in deze zaak gebaseerd is op de bepalingen van het pensioenreglement, zoals het werd vastgelegd tussen beide geïntimeerden. Er werd niet vastgesteld dat de N.V. Astrazeneca haar verplichtingen in verband met de pensioentoezegging niet of foutief zou zijn nagekomen, ook niet in het licht van de bepalingen van de voormalige Wet aanvullende pensioenen ( 6 april 1995) of de nieuwe Wet aanvullende pensioenen ( 28 april 2003). Evenmin wordt voorgehouden dat de uitvoering van het pensioenreglement de pensioentoezegging onvoldoende zou realiseren en dat er een bijkomende aanzuivering van tekorten zou nodig zijn. In die omstandigheden wordt de werkgever, door het afsluiten van een groepsverzekering en het nakomen van zijn verbintenissen dienaangaande, geacht zich van zijn pensioenverbintenis ten aanzien van de werknemers te bevrijden. ( G. Van Limberghen, In min of in meer : wettelijke en aanvullende pensioenen in Sociaal Recht: niets dan uitdagingen (ed. W. Van Eeckhoutte en M. Rigaux), 1996, 643, nr. 1093) De oorspronkelijke vordering van de heer V.R. is dan ook slechts in de bovenvermelde mate enkel gegrond ten aanzien van de NV Vivium, doch niet ten aanzien van de NV Astrazeneca. De vordering in vrijwaring van de NV Astrazeneca lastens de NV Vivium is daardoor zonder voorwerp. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond, Vernietigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 19 februari 2007 en opnieuw recht doende, Veroordeelt de N.V. Vivium tot betaling aan de heer V.R. van het bedrag van euro 322.152,42, te verminderen met de parafiscale en fiscale afhoudingen en te vermeerderen met verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet op een bedrag van euro 322.152,42 + euro 209.252,25 = euro 531.404,67 vanaf 1 september 2004 tot 28 februari 2005 en op 322.152,42 vanaf 1 maart 2005, en dit onder aftrok van euro 1.048,39 op deze verwijlintresten. Wijst al het meergevorderde af. Verklaart de vordering in vrijwaring van de N.V. Astrazeneca opzichtens de N.V. Vivium zonder voorwerp. Veroordeelt de N.V. Vivium tot de gerechtskosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van de heer V.R. begroot op euro 950,38, aan de zijde van de N.V. Astrazeneca begroot op euro 510,16, en voor zover als nodig aan de zijde van de N.V. Vivium begroot op euro 510,
- Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, De Heer Ch. LAURIERS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer R. VANDENPUT, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS, Ch. LAURIERS. R. VANDENPUT. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 10 april 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090410.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div