← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090410.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090410.5 Rolnummer: 46.715/W Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2013-07-16 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 19:33 Fiches 1 - 4 Artikel 38bis van het uitvoeringsbesluit jaarlijkse vakantie (K.B. van 30/03/1967), zoals ingevoerd door het K.B. van 18/02/2003, is een interpretatieve rechtsregel, zodat het ook kan gelden voor situaties van voor 16/03/

  1. De premies groepsverzekering zijn vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen door artikel 19, § 2, 21° van het R.S.Z.-besluit van 28/11/
  2. Deze vrijstelling gold slechts vanaf 1/01/2004, datum waarop het K.B. van 27/04/2004 tot wijziging van artikel 19, § 2, 21° van het R.S.Z.-besluit in werking trad. Vóór 1/01/2004 kwamen deze premies dan ook in aanmerking voor de berekening van het dubbel vakantiegeld (artikel 38, 2° uitvoeringsbesluit jaarlijkse vakantiewet); zij maken tevens deel uit van de brutowedde van het vakantiedienstjaar in de zin van artikel 46 van het uitvoeringsbesluit, zodat dezelfde oplossing geldt voor het vertrekvakantiegeld. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Jaarlijkse vakantie - Algemeen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - JAARLIJKSE VAKANTIE. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 9 - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 9 - 38bis Link Justel databank 19670330-38bis Nota: Met een korte inhoud, waarvan hierboven een gedeelte, is gerangschikt onder VII. G. art. 9; K.B. 30/03/1967, art. 38bis. Eveneens gerangschikt onder VII. G. art. 9

(2x); K.B. 30/03/1967, artt. 38bis, 38, 2°, 46
(2x)en VII. A. art. 14; K.B. 28/11/1969, art. 19 § 2, 21°. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder III. H. artt. 2 en, en I. B. art.
  1. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - JAARLIJKSE VAKANTIE - Interpretatieve bepaling. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 9 - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 38bis - 01 ELI link Pub nr 1967033001 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 38,2° - 01 ELI link Pub nr 1967033001 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 46 - 01 ELI link Pub nr 1967033001 Nota: Met een korte inhoud, waarvan hierboven een gedeelte, is gerangschikt onder VII. G. art. 9; K.B. 30/03/1967, artt. 38bis, 38, 2° en
  2. Eveneens gerangschikt onder VII. G. art. 9
(2x); K.B. 30/03/1967, artt. 38bis en 46 en VII. A. art. 14; K.B. 28/11/1969, art. 19 § 2, 21°. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder III. H. artt. 2 en, en I. B. art.
  1. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - JAARLIJKSE VAKANTIE. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 9 - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 46 - 01 ELI link Pub nr 1967033001 Nota: Met een korte inhoud, waarvan hierboven een gedeelte, is gerangschikt onder VII. G. art. 9; K.B. 30/03/1967, art.
  2. Eveneens gerangschikt onder VII. G. art. 9
(2x); K.B. 30/03/1967, artt. 38bis
(2x), 38, 2° en 46 en VII. A. art. 14; K.B. 28/11/1969, art. 19 § 2, 21°. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder III. H. artt. 2 en, en I. B. art. 1154. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Algemeen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ALGEMENE REGELING - Vrijstelling sociale zekerheidsbijdragen premies groepsverzekering vanaf 1 januari 2004 - Gevolg berekening vakantiegelden. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 14 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 19,§2,21° - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Nota: Met een korte inhoud, waarvan hierboven een gedeelte, is gerangschikt onder VII. A. art. 14; K.B. 28/11/1969, art. 19 § 2, 21°. Eveneens gerangschikt onder VII. G. art. 9
(3x); K.B. 30/03/1967, artt. 38bis
(2x), 38, 2° en 46
(2x). Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder III. H. artt. 2 en, en I. B. art.
  1. Fiches 5 - 6 Artikel 10 van de loonbeschermingswet i.v.m. het recht op intrest van rechtswege geldt enkel voor het loon, ingevolge artikel 2, laatste lid van deze wet wordt het vakantiegeld niet als loon beschouwd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Algemeen SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Andere Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - BESCHERMING VAN HET LOON. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Met een korte inhoud, waarvan hierboven een gedeelte, is gerangschikt onder III. H. art.
  2. Eveneens gerangschikt onder III. H. art.
  3. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder VII. G. art. 9
(3x); K.B. 30/03/1967, artt. 38bis
(2x), 38, 2° en 46
(2x), onder VII. A. art. 14; K.B. 28/11/1969, art. 19 § 2, 21° en onder I. B. art.
  1. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - BESCHERMING VAN HET LOON - Geen intrest van rechtswege op vakantiegeld. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 10 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Met een korte inhoud, waarvan hierboven een gedeelte, is gerangschikt onder III. H. art.
  2. Eveneens gerangschikt onder III. H. art.
  3. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder VII. G. art. 9
(3x); K.B. 30/03/1967, artt. 38bis
(2x), 38, 2° en 46
(2x), onder VII. A. art. 14; K.B. 28/11/1969, art. 19 § 2, 21° en onder I. B. art.
  1. Fiche 7 Bij toekenning van een schadevergoeding wegens onrechtmatige daad kan men niet overgaan tot kapitalisatie van intrest op grond van artikel 1154 B.W. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Algemeen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - Geen kapitalisatie van intresten bij onrechtmatige daad. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1154 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Met een korte inhoud, waarvan hierboven een gedeelte, gerangschikt onder I. B. art.
  2. Andere gedeelten van de korte inhoud zijn gerangschikt onder VII. G. art. 9
(3x); K.B. 30/03/1967, artt. 38bis
(2x), 38, 2° en 46
(2x), onder VII. A. art. 14; K.B. 28/11/1969, art. 19, § 2, 21° en onder III. H. artt. 2 en
  1. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 10 APRIL
  2. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: D.V. G., wonende te 1501 Buizingen, Berkenlaan, 1, Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter C. Bevernage, advocaat te 1200 Brussel; Tegen : DE N.V. INTERNATIONAL BUSINESS MACHINES OF BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1130 Brussel, Bourgetlaan, 42, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter S. Cockx loco Mter O. Debray, advocaat te 1160 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op 22 december 1997; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 3 april 2000; - de weglating van de zaak van de Algemene Rol op 12 december 2003; - de herinschrijving van de zaak op 18 mei 2005; - de besluiten van de partijen en de synthesebesluiten van geïntimeerde partij; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het tussenarrest van ons Hof dd. 5 juli 2006 dat de heropening der debatten heeft bevolen; - de besluiten en synthesebesluiten van partijen na tussenarrest; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 20 maart 2009 waar de zaak ab ovo werd herpleit en waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x Het arbeidshof verwijst naar de uiteenzetting van de feiten en van de rechtspleging in het tussenarrest van 5 juli 2006, waarin het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk en deels gegrond werden verklaard, zodat over het merendeel van de oorspronkelijke vordering werd beslist. De becijfering van de aanvullende opzeggingsvergoeding, de aanvullende uitwinningsvergoeding en het bijkomend vertrekvakantiegeld gebeurde telkens op provisionele basis, omdat de N.V. IBM Belgium nog de nodige documenten en bewijsstukken van de individuele berekening en storting van de werkgeversbijdrage in het pensioenfonds diende over te leggen. Ook over de berekening van het dubbel vakantiegeld op de verschillende boni en voordelen diende opheldering te worden gegeven. Hiertoe werd de zaak naar de bijzondere rol verzonden voor verdere in staat stelling. Partijen kwamen onderling tot overeenstemming in verband met de vaststelling van de patronale bijdrage aan het pensioenfonds en er kwam een regeling tot stand in verband met de definitieve afrekening van de aanvullende opzeggingsvergoeding en de aanvullende uitwinningsvergoeding. Partijen vonden deze overeenstemming niet in verband met de juiste berekening van het vertrekvakantiegeld en het dubbel vakantiegeld. De heer D.V. betwist de stelling dat artikel 38bis van het uitvoeringsbesluit jaarlijkse vakantie ( K.B. 30 maart 1967), zoals ingevoegd door het K.B. van 18 februari 2003, een interpretatieve rechtsregel is, zodat het in zijn visie niet kon worden toegepast voor 16 maart
  3. Hij gaat ervan uit dat de patronale premies voor een pensioenfonds vrijgesteld zijn van sociale zekerheidsbijdragen; bij een interpretatieve lezing van artikel 38bis dient dit retroactief te worden toegepast, zodat dergelijke premies dan niet in aanmerking zouden komen voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld, ongeacht hun toekenning voor of na 16 maart
  4. In het tussenarrest van 5 juli 2006 heeft het arbeidshof zich met betrekking tot de aard van artikel 38bis reeds aangesloten bij de leer van het cassatiearrest van 26 september 2005, waarvan de relevante passages werden aangehaald en waarin vastgesteld werd dat artikel 38bis wel degelijk een interpretatieve rechtsregel is, zodat hij ook voor 16 maart 2003 toepassing vond. Ten onrechte wil de heer D.V. echter een inconsequentie ontwaren in dit cassatiearrest, in de mate dat een beslissing van de feitenrechter vernietigd wordt, waarbij de premies in de groepsverzekering niet in de berekeningsbasis voor het dubbel vakantiegeld werden opgenomen, terwijl deze premies door artikel 19 §2, 21° van het R.S.Z.-besluit van 28 november 1969 nochtans vrijgesteld zijn van sociale zekerheidsbijdragen. De heer D.V. gaat eraan voorbij dat deze vrijstelling slechts gold vanaf 1 januari 2004, datum waarop het K.B. van 27 april 2004 tot wijziging van artikel 19 §2, 21° van het R.S.Z.-besluit in werking trad; dit wordt met zoveel woorden uitgelegd in het tweede onderdeel van het tweede middel van het desbetreffende cassatiearrest. In het onderzochte geval waren de premies groepsverzekering immers verschuldigd vóór 1 januari
  5. Het ontslag van de heer D.V. vond plaats op 4 februari 1994, zijnde eveneens vóór 1 januari 2004, zodat op dat ogenblik de premies pensioenfonds niet vrijgesteld waren van R.S.Z.-bijdragen en ze dan ook in aanmerking kwamen voor de berekening van het dubbel vakantiegeld, nu niet wordt voorgehouden dat de premies tijdens de vakantiedagen niet betaalbaar zouden zijn ( artikel 38,2° uitvoeringsbesluit jaarlijkse vakantiewet); zij maken tevens deel uit van de brutowedde van het vakantiedienstjaar in de zin van artikel 46 van het uitvoeringsbesluit, zodat dezelfde oplossing geldt voor het vertrekvakantiegeld ( D. Ryckx, Het loonbegrip voor de becijfering van het vakantiegeld voor de bedienden na het cassatiearrest van 26 september 2005, Soc. Kron. 2007, 259 -263, meer bepaald 263 Groepsverzekeringspremies). Omtrent het vertrekvakantiegeld werd in het tussenarrest van 5 juli 2006 slechts een provisioneel bedrag toegekend, zodat omtrent de definitieve afrekening nog geen eindbeslissing werd genomen. De heer D.V. vordert voor deze achterstallen een schadevergoeding ex delicto op grond van een voortgezet misdrijf. De becijfering van de achterstallen in verband met het vertrekvakantiegeld en het dubbel vakantiegeld wordt door geïntimeerde niet betwist. Bijkomend vraagt de heer D.V. een vergoeding wegens vervallen intresten, waarbij hij er verkeerdelijk van uitgaat dat in verband met vakantiegeld van rechtswege een wettelijke intrest kan toegepast worden. Artikel 10 van de loonbeschermingswet geldt enkel voor het loon, maar ingevolge artikel 2, laatste lid van deze wet wordt het vakantiegeld niet als loon beschouwd. De heer D.V. brengt geen ingebrekestelling voor in verband met nog openstaand vakantiegeld, zodat hij enkel een vergoeding wegens intrest aan de wettelijke rentevoet kan bekomen vanaf het stellen van zijn vordering bij dagvaarding van 3 februari
  6. Evenmin kan hij kapitalisatie van intresten vorderen op grond van artikel 1154 B.W., omdat deze bepaling niet van toepassing is op compensatoire intresten op verbintenissen tot schadeloosstelling uit onrechtmatige daad, wat inhoudt dat de rechter bij toekenning van een schadevergoeding wegens onrechtmatige daad niet mag overgaan tot kapitalisatie van intrest op grond van deze bepaling (A. Van Oevelen, Interesten, syllabus CBR 9 december 2008, 27 en de rechtspraak en rechtsleer geciteerd in de voetnoot 144). De heer D.V. verwijt aan IBM een deloyale proceshouding en vordert daarvoor een vergoeding wegens misbruik van recht ten bedrage van euro 10.000; meer bepaald verwijst hij naar het nodeloos rekken van de procedure en het niet stipt uitbetalen van de bij tussenarrest toegekende bedragen. Het Gerechtelijk Wetboek geeft aan alle procespartijen gelijke mogelijkheden om de voortgang van de procedure te benaarstigen. Zwarigheden in verband met de uitvoering van de rechterlijke beslissing vallen onder de bevoegdheid van de beslagrechter, zodat de bodemrechter over de uitvoering van het tussenarrest geen uitspraak kan doen. De vordering wegens misbruik van recht is dan ook ongegrond. Terecht merkt IBM op dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in verband met een veroordeling tot betaling van een geldsom ( artikel 1385bis Ger. Wb.); evenmin kan dit ten aanzien van vorderingen ter zake van de nakoming van arbeidsovereenkomsten. De heer D.V. heeft recht op afgifte van de aangepaste sociale en fiscale documenten in verband met de bedragen die hem zijn toegekend, maar er is geen reden om dit op te leggen onder verbeurte van een dwangsom. De heer D.V. vraagt de veroordeling tot de gerechtskosten en vordert voor de behandeling in hoger beroep een rechtsplegingsvergoeding van euro 6.
  7. Het basisbedrag voor een vordering van euro 100.000 tot euro 250.000 bedraagt euro 5.000 en volstaat. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Het tussenarrest van 5 juli 2006 verder uitwerkend, veroordeelt bijkomend geïntimeerde tot betaling aan appellant van een schadevergoeding wegens bijkomend vertrekvakantiegeld van euro 780,05 en wegens achterstallig dubbel vakantiegeld van euro 77.203,51, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 3 februari 1995; Zegt dat voor de toegekende bedragen de vereiste sociale en fiscale documenten dienen te worden afgeleverd. Wijst al het meergevorderde af. Veroordeelt geïntimeerde tot de gerechtskosten, deze aan de zijde van appellant begroot op - dagvaarding euro 99,65 - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 174,02 - rechtsplegingsvergoeding beroep begroot op euro 6.000 en door het hof herleid tot euro 5.000,00 totaal : euro 5.273,67 en aan de zijde van geïntimeerde niet begroot Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De Heer Ch. LAURIERS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer R. VANDENPUT, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS, Ch. LAURIERS. R. VANDENPUT. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 10 april 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090410.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.