← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090423.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090423.12 Rolnummer: 49.834 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-02-17 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 19:37 Fiche Indien voor de toepassing van art. 100 van de wet de werkzaamheid, die moet stop gezet zijn vooraleer er een recht op uitkering kan ontstaan of kan voortbestaan, een ruime omschrijving krijgt en slaat op elke werkzaamheid met productief karakter die in het maatschappelijk verkeer wordt verricht, dan is echter wel steeds vereist dat het om een effectieve werkzaamheid gaat. De omstandigheid dat de gerechtigde een bestuursmandaat bekleedt in een vennootschap houdt niet in dat er sprake is van een werkhervatting, indien vaststaat dat dit mandaat louter fictief was en daaraan geen enkele effectieve werkzaamheid beantwoordde. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Evaluatie arbeidsongeschiktheid Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - Gecoördineerde wetten van 14 juli 1994, art. 100 - Begrip werkzaamheid Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 100 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. 580, 2°, Ger. W. ziekte- en invaliditeitsverzekering tegenspraak definitief In de zaak : C.P. , wonende te [xxx], appellante, vertegenwoordigd door meester H. Janssens, advocaat te Tielt-Wingene; tegen : LANDSBOND DER LIBERALE MUTUALITEITEN, erkende ziekteverzekeringsinstelling, met zetel te 1050 Brussel, Livornostraat 25, ondernemingsnummer 0411.729.366, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester L. Collin loco meester L. Dehond, advocaat te Aarschot. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven, uitgesproken op tegenspraak op 18 april 2007 door de tweede kamer en ter kennis gebracht van de partijen op 24 april 2007 bij gerechtsbrief van 23 april 2007 overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W.; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 10 mei 2007; -de conclusies voor beide partijen; -de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 12 maart 2009, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft 19 maart 2009 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd, waarna de zaak op 20 maart 2009 in beraad werd genomen en voor uitpsraak werd gesteld op heden, zijnde de eerste nuttige zitting. * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

  1. Mevrouw C.P. werd vanaf 28 januari 2003 als werkneemster erkend in de ziekteverzekering tot en met 9 april
  2. Uit een onderzoek ingesteld door het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen bleek echter dat zij vanaf 7 februari 2003 als zelfstandige was ingeschreven en met name als zaakvoerster ( achtereenvolgens) van twee bvba's. Bij aangetekend schrijven van 8 september 2005 bracht de Landbond der Liberale Mutualiteiten, op basis van deze informatie, aan mevrouw C.P. ter kennis dat zij de ziekte-en invaliditeitsuitkeringen die zij genoten had van 7 februari 2003 tot en met 9 februari 2004 diende terug te betalen, omdat zij het werk had hervat zonder toelating van de adviserend geneesheer.
  3. Bij verzoekschrift van 8 december 2005 stelde mevrouw C.P. beroep in tegen deze terugvordering. Bij conclusies stelde de Landbond der Liberale Mutualiteiten een tegeneis in en vorderde zij de veroordeling van mevrouw C.P. tot terugbetaling van de onverschuldigd genoten uitkeringen, hetzij een bedrag van 13.959,96 euro . Bij vonnis van 18 april 2007, ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 23 april 2007, heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de vordering van mevrouw C.P. ongegrond en de tegenvordering van de Landbond der Liberale Mutualiteiten gegrond verklaard. Aan mevrouw C.P. werden echter betalingsfaciliteiten toegekend.
  4. Bij verzoekschrift van 10 mei 2007 heeft mevrouw C.P. hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Het werd ingesteld binnen de termijn van een maand na de kennisgeving van het vonnis en is aldus tijdig. III. BEOORDELING.
  5. Mevrouw C.P. zet, zoals voor de eerste rechter, uiteen dat zij nooit enige activiteit heeft verricht in de twee firma's, waarin zij tijdelijk het statuut van zaakvoerder had. Volgens haar ging het om een zuivere "naamlening" die tot doel had de tewerkstelling van haar vader in de toekomst te beveiligen. De bouwfirma, waarvoor haar vader werkte, en die eigendom was van de heer De Ruyter, was immers in faling verklaard op 5 november
  6. De heer De Ruyter wenste een nieuwe firma op te starten, maar kon daarvoor niet als zaakvoerder optreden. De eerste rechter wees erop dat, om ziekteuitkeringen te kunnen genieten, de verzekerde geen enkele activiteit mag uitoefenen die gericht is op de productie van diensten of goederen en waaruit, rechtstreeks of onrechtstreeks een economisch voordeel voor zichzelf of voor iemand anders, kan gehaald worden. Hij stelt dat mevrouw C.P. in gebreke bleef om haar bewering, dat het om een benoeming "op papier" zou gaan, te bewijzen.
  7. Overeenkomstig artikel 100 van de gecoördineerde ziektewet van 14 juli 1994 kan als arbeidsongeschikt worden erkend de werknemer "die alle werkzaamheid heeft onderbroken", als rechtstreeks gevolg van het intreden of verergeren van letsels of functionele storingen, waarvan erkend wordt dat zij het vermogen tot verdienen verminderen tot 1/3e of minder. Het begrip "werkzaamheid" krijgt in de rechtspraak een ruime omschrijving en slaat op "elke werkzaamheid met productief karakter die in het maatschappelijk verkeer wordt verricht (Cass. 18.05.1992, Arr.Cass.1991-92, 886). Voor de toepassing van het vermelde art. 100 is echter wel steeds vereist dat het om een effectieve werkzaamheid gaat. In dit kader van deze wetgeving en, onverminderd het onrechtmatig karakter van haar optreden in het kader van de vennootschapswetgeving, kan mevrouw C.P. toegelaten worden tot het bewijs dat het enkel om een naamlening ging en dat zij nooit persoonlijk enige activiteit in de firma heeft verricht, noch als aandeelhouder nog als beheerder. Mevrouw C.P. brengt terzake, in graad van beroep, een aantal nieuwe elementen naar voor die op hun waarde dienen onderzocht te worden.
  8. Uit de stukken blijkt dat mevrouw C.P. op 13 december 2002 benoemd werd als zaakvoerster van een bvba De Bilde. Deze firma zou, volgens haar verklaringen, door de heer De Ruyter opgekocht zijn om er zijn activiteiten als bouwondernemer in onder te brengen, maar zou daarvoor ongeschikt geweest zijn. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de heer De Ruyter, en hij alleen, deze bvba (de aandelen) kort daarna doorverkocht. Er mag dan ook aangenomen dat hij de enige eigenaar was van deze aandelen. Op 10/03/2003 nam mevrouw C.P. ontslag als zaakvoerster en werd een nieuwe zaakvoerster benoemd. Of deze bvba, onder het "zaakvoerderschap" van mevrouw C.P. enige activiteit heeft verricht en welke, blijkt niet uit het dossier.
  9. Uit de stukken blijkt verder dat op 7 februari 2003 een firma D.R. Bouw werd opgericht waarbij de letters D.R. verwezen naar de heer De Ruyter. Het maatschappelijk doel van deze vennootschap hield verband met activiteiten in de bouwsector. Aandeelhouders van de nieuwe vennootschap waren de heer de Ruyter, met op dat ogenblik 1/3e van de aandelen en mevrouw C.P. met 2/3e van de aandelen. Mevrouw C.P. werd zaakvoerster benoemd. Uit de stukken blijkt verder dat mevrouw C.P. reeds de dag zelf van de oprichting van de vennootschap 1/3e van de aandelen opnieuw overdroeg aan de heer De Ruyter, met de vermelding "dat de prijs voldaan was bij de ondertekening van de overeenkomst", hetgeen doet vermoeden dat mevrouw C.P. nooit een effectieve inbreng van kapitaal heeft gedaan. Vanaf 20 februari 2003 werd de heer De Ruyter als tweede zaakvoerder benoemd. Op 10 september 2003 kwam een einde aan het mandaat van zaakvoerster van mevrouw C.P., die op dezelfde datum ook de rest van haar aandelen opnieuw overdroeg aan de heer De Ruyter. Volgens de overeenkomst waren geen betalingen meer verschuldigd. De firma D.R. Bouw is daarna verder blijven functioneren met de heer De Ruyter als uitsluitende aandeelhouder en zaakvoerder. Uit deze stukken blijkt niet dat mevrouw C.P., waarvan overigens niet beweerd wordt dat zij enige ervaring had in de bouw, op enige wijze actief is tussengekomen in het beheer van de firma of welk belang zij daarbij zou gehad hebben. Daarentegen brengt mevrouw C.P. een aantal getuigenverklaringen en stukken naar voor die bevestigen dat zij nooit enige activiteit in de onderneming heeft gehad. Een architect, die aan de bouwonderneming projecten toevertrouwde, stelt dat hij nooit op enige wijze met mevrouw C.P. in contact geweest is en dat alle besprekingen aangaande de uitvoering, de planning en de betalingen uitsluitend met de heer De Ruyter gebeurden. Een werknemer van de firma, die op 17 februari 2003 in dienst genomen werd, vermeldt dat hij steeds uitsluitend met de heer De Ruyter handelde en eigenlijk niets afwist van enige functie van mevrouw C.P. in het bedrijf. Verder is er een verklaring van de vader van mevrouw C.P. die beschrijft hoe de tussenkomst van zijn dochter werd gevraagd bij de oprichting van de firma en waarbij duidelijk door al de aanwezigen, inclusief de boekhouder, werd bevestigd dat zij geen enkel risico liep en dat ze enkel maar een handtekening moest leveren om de firma op te starten. Uit een attest van de boekhouder van de firma, dat bevestigd wordt door de voorgelegde belastingaangiften, blijkt verder dat mevrouw C.P. nooit enige bezoldiging ontving voor haar "mandaat" binnen de firma. Tenslotte legt mevrouw C.P. een verklaring voor waaruit blijkt dat zij een therapeutische behandeling heeft ondergaan van 18 februari 2003 tot 5 april
  10. Uit het geheel van deze elementen is volgens het hof afdoende bewezen dat mevrouw C.P. nooit daadwerkelijk enige " werkzaamheid" uitoefende binnen één van de betrokken firma's. De omstandigheid dat mevrouw C.P. zich, op advies van de boekhouder van de firma, inschreef in het sociaal statuut der zelfstandigen, wijst niet noodzakelijk op een effectieve tewerkstelling. Art. 2 van het Koninklijk Besluit van 13 december 1967, houdende het algemeen reglement in uitvoering van het Koninklijk Besluit nr. 38 van 27 juni 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen stelt immers een wettelijke vermoeden in waardoor de mandatarissen van een vennootschap verplicht tot een inschrijving in het sociaal statuut der zelfstandigen. 6 Het hoger beroep is dan ook gegrond. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekende op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat- generaal, neergelegd ter griffie op 19 maart
  11. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het mevrouw C.P. afwijst van haar oorspronkelijke vordering en de incidentele vordering van de Landbond der Liberale Mutualiteiten toewijst. Zegt voor recht dat mevrouw C.P. niet gehouden is tot terugbetaling van het bedrag van 13.959,96 euro . Veroordeelt de Landbond der Liberale Mutualiteiten tot de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger. W., begroot in hoofde van mevrouw C.P. op 331,50 euro ( toepassing artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007). Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; J.-M. Boulogne, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; H. Silon, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven H. Silon J.-M. Boulogne en uitgesproken op de openbare terechtzitting van drieëntwintig april tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090423.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.