id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090423.3 Rolnummer: 50.854 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 19:37 Fiche Het verblijf binnen de grenzen van het Rijk is geen grondvoorwaarde voor het recht op maatschappelijke dienstverlening; de wet van 2 april 1965 duidt enkel het territoriaal bevoegde OCMW aan op basis van de plaats waar de betrokkene gewoonlijk verblijft, wat overeenstemt met reëel en permanent wonen in de gemeente; dit laatste is een feitenkwestie, waarbij de inschrijving in het bevolkingsof vreemdelingenregister een indicatie vormt. Deze inschrijving creëert een weerlegbaar vermoeden van werkelijk verblijf UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Vreemdelingen OCMW Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - WET BETREFFENDE HET TEN LASTE NEMEN VAN DE STEUN VERLEEND DOOR DE OCMW. Wettelijke bepalingen: Wet - 02-04-1965 - 5 - 01 ELI link Pub nr 1965040210 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. 580, 8°, Ger. W. maatschappelijke integratie tegenspraak definitief In de zaak : OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN GRIMBERGEN, openbare instelling, met zetel te 1853 Grimbergen, Verbeytstraat 30, appellante op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door meester I. Durnez, advocaat te Grimbergen tegen : 1.A. , wonende te [xxx], doch die keuze van woonplaats doet bij haar raadsman, meester J. De Wachter, advocaat te 1050 Brussel, Boondaalsesteenweg 6, bus 7, eerste geïntimeerde op hoofdberoep, eerste appellante op incidenteel beroep; 2.S. , wonende te [xxx], tweede geïntimeerde op hoofdberoep, tweede appellant op incidenteel beroep, beiden vertegenwoordigd door meester J. De Wachter, advocaat te Brussel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de twintigste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 13 maart 2008 en ter kennis gebracht van de partijen bij gerechtsbrief van 20 maart 2008 overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek; die werd ontvangen op 21 maart 2008; -het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 11 april 2008; -de conclusies voor de beide partijen, De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 19 februari 2009, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft zijn schriftelijk advies op 25 februari 2009 ter griffie neergelegd. Partijen hadden de mogelijkheid om tot 12 maart 2009 een repliek op dit advies ter griffie neer te leggen; de geïntimeerde legden een repliek neer op de laatste dag van termijn hiertoe, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op de openbare terechtzitting van 9 april
- Op de openbare terechtzitting van 9 april 2009 werd de uitspraak verdaagd op heden. * * *
- FEITEN EN RECHTSPLEGING Mevrouw A. en de heer S., van Iraanse nationaliteit, zijn gehuwd en wonen samen te [xxx]. Mevrouw is slechts ingeschreven in het vreemdelingenregister en genoot in 2007 financiële steun op basis van de OCMW-Wet van 8 juli 1976 in de vorm van een equivalent leefloon als samenwonende; haar echtgenoot is ingeschreven in het bevolkingsregister en geniet een leefloon als samenwonende op basis van de RMI-wet. Mevrouw begaf zich van 23 april 2007 tot 16 juli 2007 naar haar geboorteland Iran om daar haar zieke moeder bij te staan. De heer S. stelt dat hij begin mei de maatschappelijk assistente van het OCMW te Grimbergen hiervan op de hoogte heeft gebracht nadat zij vertrokken was. Er zou dan zijn gezegd dat mevrouw bij haar terugkeer een medisch attest diende voor te leggen in verband met de ziekte van de moeder. Van dit onderhoud bestaat geen schriftelijk verslag. Het OCMW te Grimbergen heeft wel de bijstand van mevrouw een laatste maal uitbetaald op 31 mei 2007 en vanaf dan werd de haar toegekende steun in wacht gezet. Ze ontving voor de periode van 23 april 2007 tot en met 31 mei 2007 een bedrag van euro 555,
- Na haar terugkeer contacteerde zij op 17 juli 2007 de sociale dienst van het OCMW en bezorgde zij het een medisch attest, dat verwees naar rugproblemen van mevrouw H. voor de periode van 7 mei tot 17 juni 2007; in het sociaal verslag van 17 juli 2007 staat vermeld dat uit dit medisch attest de gezondheidsproblemen van de moeder blijken. Op het bijzonder comité van het OCMW van 17 juli 2007 werden vier beslissingen genomen :
- Stopzetting van de steun vanaf 23 april 2007 wegens geen verblijf in België.
- Toekenning van een equivalent leefloon vanaf 17 juli 2007 als financiële steun ten bedrage van euro 438,25 wegens herneming verblijf in België.
- Mandaat aan de sociale dienst om formulieren B2 op te maken, ter vrijwaring.
- Terugvordering van de steun van euro 555,12 voor de periode van 23 april 2007 tot en met 31 mei 2007 wegens ten onrechte uitgekeerd omwille van verblijf in buitenland. Bij schrijven van de raadsman van het echtpaar van 20 augustus 2007 werd deze beslissing betwist en werd met verwijzing naar artikel 38 van het KB van 11 juni 2002 houdende algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie gevraagd dat de buitengewone omstandigheden voor mevrouw zouden worden erkend om langer dan een maand in het buitenland te verblijven, gelet op de medische situatie van haar moeder. De raadsman vroeg een herziening van de beslissing van 17 juli 2007 en wierp op dat ondergeschikt alleszins aan de heer S. een leefloon als alleenstaande diende te worden toegekend. Deze buitengewone omstandigheden werden door het OCMW niet aanvaard in een beslissing van 4 september 2007, zodat men de voorgaande beslissing handhaafde Op 18 oktober 2007 legden mevrouw A. en de heer S. een verzoekschrift neer bij de arbeidsrechtbank te Brussel tegen beide beslissingen, waarin de argumentatie van de brief van 20 augustus 2007 werd hernomen. Bij tegenvordering vroeg het OCMW terugbetaling van de som van euro 555,
- Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 13 maart 2008 werd de hoofdeis ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard in de mate dat de bestreden beslissing van 17 juli 2007 gedeeltelijk werd tenietgedaan en het OCMW werd veroordeeld tot betaling aan mevrouw A. van een leefloon of financiële steun gelijk aan het leefloon voor de periode van 1 juni tot 17 juni
- Het meergevorderde werd afgewezen en ook de tegenvordering werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Het was voor de rechtbank vanuit de gegevens van het dossier niet helemaal duidelijk of de OCMW-wet dan wel de RMI-wet diende te worden toegepast, maar de rechtbank achtte het KB van 11 juni 2002 bij analogie toepasbaar in de hypothese van toekenning van financiële steun in de vorm van een equivalent leefloon en ze aanvaardde de uitzonderlijke omstandigheid voor de ziekteperiode van de moeder, zoals vermeld in het medisch attest, met name tot 17 juni 2007; de subsidiaire vordering tot het bekomen van leefloon als alleenstaande voor mijnheer werd niet toegekend omdat dit pas werd aangevraagd op 20 augustus
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 11 april 2008, tekende het OCMW hoger beroep aan en vroeg dat haar oorspronkelijke beslissing van 17 juli 2007 zou worden bevestigd en haar tegenvordering in verband met de terugbetaling gegrond zou worden verklaard; ondergeschikt wenste het OCMW zich alleszins te houden aan de periode, weerhouden door de eerste rechter ( tot 17 juni 2007) en vroeg zij dat er dan ook rekening zou gehouden worden met haar uitbetalingen tot en met 31 mei
- Geïntimeerden vroegen de bevestiging van het vonnis en de afwijzing van het hoofdberoep, maar stelden in ondergeschikte orde dat mevrouw A. op grond van artikel 38 van het KB van 11 juli 2002 het recht had om gedurende een maand in het buitenland te verblijven, zodat ze recht had op steun tot 23 mei 2007 en er geen terugvordering kon plaatsvinden en zij vroegen dan alleszins een verhoging van het leefloon voor de heer S. tot de categorie alleenstaande voor de periode waarop een eventuele terugvordering gegrond zou worden geacht.
- BEOORDELING Het bestreden vonnis werd bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan het OCMW op 21 maart 2008, zodat het hoger beroep, aangetekend op 11 april 2008 tijdig is. Het voldoet tevens aan de ontvankelijkheidvoorwaarden en het is onontvankelijk, wat overigens niet wordt betwist. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep dat in ondergeschikte orde wordt aangetekend. In graad van hoger beroep wordt opheldering gegeven en partijen aanvaarden dat de heer S. ingeschreven was in het bevolkingsregister van Grimbergen, waardoor hij recht had op een leefloon als samenwonende, terwijl zijn echtgenote mevrouw A. slechts ingeschreven was in het vreemdelingenregister en daardoor op basis van de OCMWwet van 8 juli 1976 financiële steun in de vorm van een equivalent leefloon als samenwonende ontving. Artikel 1 van de OCMWwet van 8 juli 1976 bepaalt : Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Er worden openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht die, onder de door deze wet bepaalde voorwaarden, tot opdracht hebben deze dienstverlening te verzekeren. Volgens artikel 60 §1, eerste lid van deze wet kan de tussenkomst van het OCMW, zonodig, worden voorafgegaan door een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen om daarin te voorzien. In het tweede lid wordt daaraan toegevoegd : de betrokkenen is ertoe gehouden elke nuttige inlichtingen nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuwe gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend. Overeenkomstig artikel 60 §2 verstrekt het OCMW alle nuttige raadgevingen en inlichtingen. Volgens artikel 1,1° van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt onder steunverlenend openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verstaan het Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente op wier grondgebied zich een persoon bevindt die bijstand behoeft, wiens staat van behoeftigheid door dit centrum erkend werd en aan wie zij steun verleent waarvan de aard en, zonodig, het bedrag door haar beoordeeld en bepaald worden. Het OCMW Grimbergen steunt zich op deze laatste omschrijving om voor te houden dat men zich noodzakelijkerwijze in de gemeente moet bevinden om steun te kunnen genieten, waardoor de steun wegvalt bij verblijf in het buitenland. Nochtans is het verblijf binnen de grenzen van het Rijk geen grondvoorwaarde voor het recht op maatschappelijke dienstverlening; ( D. Simoens, OCMW - dienstverlening,nr. 781) de wet van 2 april 1965 duidt enkel het territoriaal bevoegde OCMW aan op basis van de plaats waar de betrokkene gewoonlijk verblijft, wat overeenstemt met reëel en permanent wonen in de gemeente; dit laatste is een feitenkwestie, waarbij de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister een indicatie vormt. ( D. Cuypers en H. Pas, Subjectief recht op maatschappelijke dienstverlening : overzicht van rechtspraak 1994 -1998, TSR, 1999, 607 -609 en meer bepaald de rechtspraak geciteerd in voetnoten 208, 209, 210, 212, 213 in en 214) Deze inschrijving creëert een weerlegbaar vermoeden van werkelijk verblijf ( zelfde auteurs, 609) In deze zaak werd het werkelijk verblijf niet onderbroken door de tijdelijke afwezigheid van mevrouw A. om haar zieke moeder te kunnen bijstaan. Het gewoonlijk verblijf in de gemeente Grimbergen en de inschrijving in het vreemdelingenregister bleef behouden; haar echtgenoot heeft het OCMW verwittigd en ook al bestaat er hiervan geen schriftelijk verslag, toch kan dit aangenomen worden omdat het OCMW vanaf juni 2007 de uitkering in wacht heeft gezet. Eveneens staat vast dat mevrouw onmiddellijk na haar terugkomst een medisch attest aan het OCMW heeft bezorgd. Dit zou gevraagd zijn aan de echtgenoot bij de melding van de tijdelijke afwezigheid. Aldus werd door de betrokkenen voldaan aan de informatieverplichting van artikel 60 §1, tweede lid van de OCMWwet. Weliswaar stelt het OCMW thans dit medisch attest in vraag, maar in het sociaal verslag van 17 juli 2007 dat voorafgaat aan de bestreden beslissing wordt aanvaard : zij bezorgde het OCMW eveneens een medisch attest waaruit de gezondheidsproblemen van haar moeder blijken. Het attest preciseert bovendien de rugproblemen van de moeder en geeft aan tijdens welke periode de zorg onontbeerlijk was. De eerste rechter heeft overigens de steunverlening aanvaard tot aan het einde van de periode vermeld in dit medisch attest, maar stelde vast dat mevrouw nog een maand langer in Iran was gebleven. Geïntimeerden tekenen geen incidenteel beroep aan tegen de verwerping van steun voor deze bijkomende periode, zodat kan aangenomen worden dat ze de door de eerste rechter weerhouden periode aanvaarden. Daar thans vaststaat dat mevrouw A. recht had op financiële steun in het kader van de OCMWwet en nu geïntimeerden zich naar de bepalingen van artikel 60 van de OCMWwet gedragen hebben, dient geen rekening meer te worden gehouden met de gebeurlijke toepassing van artikel 38 van het KB van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement op de maatschappelijke integratie. Wanneer mevrouw A. tijdelijk naar haar thuisland gaat om haar moeder te verzorgen, rijst wel de vraag in hoeverre ze nog een zelfde bijstandsbehoefte heeft, bezien vanuit het oogpunt van de menselijke waardigheid. Ze kon in Iran blijkbaar zonder problemen leven. Door haar tijdelijke afwezigheid, diende ze wel in Grimbergen haar woongelegenheid te vrijwaren en in deze kost diende ze ook bij te dragen tov haar man, wiens leefloon (samenwonende euro 438,25) lager was dan de woonkost ( euro 585 + euro 65 kosten = euro 650.) Tijdens haar tijdelijke afwezigheid was er derhalve geen reden om de bijstand te behouden op het niveau van het equivalent van het leefloon, maar deze kan redelijkerwijze worden beperkt tot de helft van de woonuitgave, hetzij euro 650 : 2 = euro 325 x 2 maanden = euro
- Rekeninghoudend met het uitbetaalde bedrag van euro 555,12, heeft mevrouw A. dan ook nog recht op betaling van een saldo van euro 94,88 ( euro 650 - euro 555,12). In die mate is het hoger beroep gegrond. Door de tijdelijke afwezigheid werd geen einde gemaakt aan het gewoonlijk verblijf van mevrouw A., zodat de heer S. in verband met de uitbetaling van zijn leefloon de hoedanigheid van samenwonende bleef behouden. Mede omwille van de redenen, weerhouden door de eerste rechter, is het in ondergeschikte orde ingestelde incidenteel beroep dan ook alleszins ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Gelet op het advies van advocaat-generaal J.J. André van 25 februari 2009, waarop repliek van geïntimeerden van 12 maart 2009; Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, verklaart het hoofdberoep gedeeltelijk gegrond en het incidenteel beroep ongegrond; Hervormt het bestreden vonnis in de zin dat de bestreden beslissing van 17 juli 2007 gedeeltelijk wordt tenietgedaan, wat betreft de punten 1 en 4 en dat het OCMW Grimbergen wordt veroordeeld tot betaling aan mevrouw A. van een saldo financiële steun van euro 94,88, terwijl de beslissing tot terugvordering wordt vernietigd; bevestigt het vonnis voor het overige. Veroordeelt het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Grimbergen overeenkomstig artikel 1017, tweede lid Ger. W. tot betaling van de gerechtskosten van het hoger beroep. Begroot aan de zijde: van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn op 145,78 euro als rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van de geïntimeerden niet begroot bij gebrek aan een omstandige opgave. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter; J.-M. Boulogne, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; H. Silon, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven H. Silon J.-M. Boulogne en uitgesproken op de openbare terechtzitting van drieëntwintig april tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter, Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090423.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div