id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 24 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090424.3 Rolnummer: 51.052 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-07-02 19:38 Fiche Een tewerkstellingsverbintenis is een verbindende eenzijdige wilsuiting van de werkgever tot indienstneming, waarop de regels inzake overeenkomsten van analoge toepassing zijn, o.m. wat betreft het bepaalbaar en geoorloofd voorwerp van de verbintenis en de wilsgebreken, maar ook wat betreft de regels in verband met de niet naleving van de overeenkomst. De schade bij de schending van een dergelijke contractbelofte moet in concreto worden begroot en dergelijke contractbelofte houdt niet in dat men recht heeft op tewerkstelling tot aan de pensioenleeftijd. Er kan hierbij rekening gehouden worden met de reeds bekomen arbeidsrechtelijke vergoeding, zoals de opzeggingsvergoeding. Gelet op de toekenning van een zogenaamd statutair bediendestelsel kan de betrokkene zich verwachten aan een grotere werkzekerheid dan deze van een doorsnee bedienden in de privésector, die kan geraamd worden op een periode gelijk aan de minimum opzeggingstermijn. Wanneer de partijen aanvaarden dat de schade op nettobasis wordt toegekend, aanvaarden ze dat het verlies van sociale zekerheidsuitkeringen, waaronder het wettelijk pensioen, niet in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de schade en dan geldt hetzelfde voor de aanvullende pensioenen overlijdensvoordelen. Het verlies van dit nadeel wordt voldoende vergoed door bij de berekening van de vergoedingen rekening te houden met de patronale premies van dit aanvullend stelsel. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Wegens niet-naleving Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - Niet-nakoming verbintenis - Eenzijdige verbindende contractbelofte - Schadeherstel in concreto. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1149 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: I B art.
- Vernietigd door arrest dd. 6.12.2010 van het Hof van cassatie, 3de kamer, Nr S. 10.0014.N. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 APRIL
- 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer G.J. , wonende te [xxx] Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter E. Lachaert loco Mter L. Nelis, advocaat te 2018 Antwerpen en Mter W.Van Eeckhoutte, advocaat te 9051 Gent (Sint-Denijs-Westrem); Tegen : DE N.V. ELECTRABEL, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 Brussel, Regentlaan, 8, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter M. Simon loco Mter B. Vanschoebeke, advocaat te 9000 Gent; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - de voor eensluidende verklaarde afschriften van de bestreden vonnissen op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel bij tussenvonnis op 6 juni 2007 en bij eindvonnis van op 19 maart 2008 (12de kamer); - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 5 juni 2008; - de besluiten, synthesebesluiten, en tweede synthesebesluiten van geïntimeerde partij neergelegd ter griffie, respectievelijk op 3 oktober 2008, 8 december 2008 en 5 februari 2009; - de besluiten en synthesebesluiten van appellant neergelegd ter griffie, respectievelijk op 3 november 2008 en 6 januari 2009; - de bundel met stukken neergelegd door appellante partij ter griffie op 9 maart 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 27 maart 2009; geïntimeerde partij legt een bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x
- FEITEN EN RECHTSPLEGING. Na een stage van 1 november 1978 tot 31 oktober 1979, trad de heer G.J. als bediende secretariaat intercommunales op 19 november 1979 in dienst van de Verenigde Energiebedrijven van het Scheldeland (EBES ), de rechtsvoorganger van de N.V. Electrabel. Op 1 december 1980 werd hij opgenomen in het zogenaamde kader van het statutair bediendepersoneel, wat hem naast een aantal voordelen ook uitzicht gaf op een verhoogde werkzekerheid. Met ingang van 1 januari 1990 gebeurde er een hergroepering van diverse elektriciteitsmaatschappijen tot de N.V. Electrabel en de bestaande arbeidsovereenkomst werd met al haar rechten en verplichtingen overgenomen door de nieuwe maatschappij. Omstreeks april 1995 vonden er besprekingen plaats, waardoor de heer G.J. met ingang van 1 mei 1995 zou overgaan naar de N.V. Watco, die via Tractebel een band had met Electrabel. Op 12 april 1995 werd hiertoe tussen de heer G.J. en de N.V. Watco een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd afgesloten, ingaande op 1 mei 1995 en met overname van de anciënniteit bij Electrabel, voor zover de proefperiode gunstig verliep. De verhouding tussen de heer G.J. en Electrabel werd geformaliseerd in een schrijven van deze laatste van 25 april 1995, voor akkoord ondertekend door de heer G.J. : Teneinde u toe te laten de functies te vervullen die u worden aangeboden door het bedrijf Watco, verklaren wij ons akkoord om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst die ons bindt, zonder vooropzeg noch vergoeding, op datum van 30 april
- Indien uw nieuwe werkgever, een einde zou stellen aan de arbeidsovereenkomst die u aan hem bindt, voor om het even welke reden, uitgezonderd voor zware fout ( welke een onmiddellijk ontslag zou rechtvaardigen, zonder vooropzeg noch vergoeding), zullen wij u terug in dienst nemen in onze maatschappij met een remuneratie gebaseerd op uw laatste wedde in Electrabel en de normaal te verwachten loonsevolutie in het Electrabel-bezoldigingssysteem en met volledige anciënniteit. Watco ( ondertussen herdoopt tot N.V. Sita) beëindigde op 28 februari 2005 haar arbeidsovereenkomst met de heer G.J. met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 18 maanden, die nadien door de arbeidsrechtbank te Antwerpen zou aangevuld worden met een bijkomende opzeggingsvergoeding van 11 maanden, zodat de heer G.J. een opzeggingsvergoeding van 29 maanden bekwam. Bij aangetekende brief van 1 maart 2005 liet de heer G.J. aan de N.V. Electrabel weten dat hij het aanbod van hertewerkstelling vervat in de brief van 25 april 1995 aannam en dat hij zich hiertoe ter beschikking hield. Op 8 maart 2005 antwoordde de N.V. Electrabel : Gelet op de huidige situatie binnen Electrabel en de gewijzigde omstandigheden sinds het schrijven van 25 april 1995, moeten wij u mededelen niet te kunnen ingaan op uw verzoek tot wederindiensttreding. Het is voor Electrabel niet mogelijk een positief gevolg te verlenen aan uw verzoek en aldus een contractvoorstel te formuleren. Na briefwisseling tussen de raadslieden van partijen, kwamen deze niet tot overeenstemming, zodat de heer G.J. op 24 februari 2006 dagvaarding uitbracht voor de arbeidsrechtbank te Brussel en een schadevergoeding vorderde wegens gederfde lonen en voordelen, door hem becijferd op euro 1.428.015,70, of in ondergeschikte orde alleszins op euro 1.087.912,03 te vermeerderen met intresten en kosten; tevens vroeg hij een vergoeding van euro 7.500 wegens de kosten van bijstand door technische en juridische raadsleden. Bij tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 6 juni 2007 werd deze vordering reeds ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard ten bedrage van euro 70.308,33 provisioneel, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten en werden de debatten heropend teneinde opheldering te geven over de definitieve begroting van de schade, voornamelijk wat betreft de raming van de normaal te verwachten loonsevolutie in het Electrabel bezoldigingssysteem en de bijkomende voordelen, waaronder het voordeel van het aanvullend pensioenstelsel, alsook wat betreft de vordering in verband met de kosten voor technische en juridische bijstand. De arbeidsrechtbank overwoog hierbij dat de brief van 25 april 1995 een geldige verbintenis door éénzijdige wilsuiting was en dat Electrabel gehouden was tot schadevergoeding, maar dat de enige zekere schade de opzeggingsvergoeding was; bij gebrek aan werk zou Electrabel de heer G.J. geen opzeggingstermijn laten presteren, door de rechtbank reeds bepaald op 29 maanden en ten provisionele titel becijferd op het nettoloon voor deze periode rekening houdend met de evolutie van het loon sedert april 1995 omwille van indexatie. Bij eindvonnis van 19 maart 2008 werd een saldo schadevergoeding van euro 89.034,56, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke intresten, toegekend, met veroordeling van Electrabel tot de gerechtskosten of euro 5.129,
- Hierbij aanvaardde de eerste rechter de loonprognose, zoals voorgesteld door Electrabel, als redelijk, onder meer omdat zij ook in de lijn lag met de loonsevolutie bij N.V. Sita en zij becijferde de opzeggingsvergoeding van 29 maanden op die basis ten definitieve titel. Een schadevergoeding wegens het gederfde aanvullend pensioen en wegens de overlijdensverzekering werd niet toegekend, omdat de voorwaarde van minstens één dag in dienst niet vervuld was en ook niet terug te brengen was tot de werkzekerheidgarantie, daar een nieuwe arbeidsovereenkomst ook voor het begin van uitvoering kan beëindigd worden. De vordering wegens kosten van bijstand werd opgeslorpt door het stelsel van de nieuwe rechtsplegingsvergoedingen zoals dit volgt uit het K.B. van 26 oktober 2007 en waarbij de arbeidsrechtbank een rechtsplegingsvergoeding van euro 5.000 weerhield. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 5 juni 2008, tekende de heer G.J. hoger beroep aan tegen het tussenvonnis van 6 juni 2007 en het eindvonnis van 19 maart
- De heer G.J. beoogt een schadevergoeding van euro 2.048.016,26, gebaseerd op het loon, de niet recurrente premie, de diverse voordelen en het voordeel van de pensioenverzekering, uitgaande van een tewerkstelling tot aan de leeftijd van 60 jaar; in ondergeschikte orde vraagt hij een vergoeding van euro 1.149.884,82, gebaseerd op dezelfde elementen, maar dan beperkt tot de periode van 29 maanden, zoals gewaardeerd door de eerste rechter. De N.V. Electrabel tekent incidenteel beroep aan tegen deze vonnissen en beoogt de integrale ongegrond verklaring van de vordering van de heer G.J., minstens vraagt zij de aanstelling van een gerechtelijk deskundige voor verdere becijfering van de schadevergoeding en vraagt zij dat deze dan zou worden beperkt tot de reëel geleden schade, waarvoor zij in haar besluiten een termijn van hoogstens 12 maanden vooropstelt.
- BEOORDELING. Partijen maken melding van een betekening van het vonnis van 19 maart 2008 op 8 mei 2008, zodat kan worden aangenomen dat het hoger beroep van 5 juni 2008 tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Rekening houdend met art. 1054 Ger. Wb., geldt hetzelfde voor het incidenteel beroep. 2.
- De brief van 25 april
- 2.1.
- Verbindende éénzijdige wilsuiting tot indienstneming onder opschortende voorwaarde Partijen zijn het erover eens dat de brief van 25 april 1995 van de N.V. Electrabel geen arbeidsovereenkomst is. Het is dan ook niet nodig na te gaan in hoeverre de voorwaarden voor het ontstaan van een arbeidsovereenkomst vervuld zijn. Maar het is juist om die reden, dat het hof moeilijk de opzeggingsvergoeding als dusdanig als schadepost kan weerhouden; deze kan enkel verschuldigd zijn bij een onrechtmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst, die bij Electrabel niet bestond. Het is correct dat de contractbelofte in de brief van 25 april 1995 een verbindende éénzijdige wilsuiting tot indienstneming is, onder de opschortende voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst van de heer G.J. bij de N.V. Sita beëindigd werd. In de rechtsleer en rechtspraak is er lange tijd twijfel geweest of een dergelijke éénzijdige wilsuiting bron van verbintenissen kon zijn, maar deze onduidelijkheid is verdwenen, sinds het cassatiearrest van 18 december 1974 aanvaardde dat een loontoekenning krachtens een door de werkgever éénzijdig aangegane wilsuiting bron van verbintenissen is ( Cass., 18 december 1974 met conclusie Openbaar Ministerie in W.Van Eeckhoutte, De grote arresten van het Hof van Cassatie in sociale zaken, arrest 26, pagina 162, J.T.T. 1975,53; vgl. C. Cauffman, De verbindende eenzijdige wilsuiting in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar, p. 8). Een éénzijdige verbindende contractbelofte dient te worden gekwalificeerd als een quasi-contract, waarop de regels inzake overeenkomsten van analoge toepassing zijn, meer bepaald wat betreft de geldigheidsvereisten en de regels inzake nakomen en niet nakomen ( C. Cauffman, a. w., p. 14-15, nr. 79-81). Dit houdt o.m. in dat het voorwerp van de wilsuiting bepaalbaar en geoorloofd dient te zijn en dat de wilsgebreken zoals dwaling, de geldigheid van de belofte kunnen bezwaren. 2.1.
- Voldoende bepaalbaar en bepaald. Ten onrechte houdt Electrabel voor dat de belofte in de brief van 25 april 1995 onvoldoende bepaald zou zijn en het arbeidshof kan zich aansluiten bij de ontleding door de eerste rechter van deze belofte, waaruit volgt dat er over de functie geen twijfel kan zijn, gelet op de verwijzing in de tekst naar het terug in dienst nemen, wat doelt op het heropnemen van de vorige betrekking; wat betreft het loon wordt verwezen naar een remuneratie gebaseerd op uw laatste wedde in Electrabel en de normaal te verwachten loonsevolutie in het Electrabel bezoldigingssysteem; de belofte hield de wederindienstneming in op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij de N.V. Sita en garandeerde het behoud van de volledige anciënniteit. Samen met de eerste rechter oordeelt het arbeidshof dat deze precieze omschrijvingen het voorwerp van de verbintenis voldoende bepaalbaar maken. De contractbelofte veronderstelt niet dat de modaliteiten van de beloofde tewerkstelling tot in de kleinste details moeten gepreciseerd zijn. 2.1.
- Geen dwaling. Evenmin kan dwaling in hoofde van de belover aanvaard worden. Samen met de eerste rechter moet vastgesteld worden dat de brief van 25 april 1995 ondertekend werd door twee personeelsdirecteurs, die vanuit hun functie volledig vertrouwd waren met het afhandelen van personeelsaangelegenheden. De voorwaarde van de contractbeëindiging bij de N.V. Sita wordt in de belofte duidelijk toegelicht als een beëindiging voor om het even welke reden, uitgezonderd voor zware fout ( welke een onmiddellijk ontslag zou rechtvaardigen, zonder vooropzeg nog vergoeding), wat dus de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding insluit en wat voor de ondertekenaars van de contractbelofte van 25 april 1995 geen enkele verrassing mocht betekenen. Waar de N.V. Electrabel zelf voorhoudt dat haar verbintenis van 25 april 1995 een eenzijdige wilsuiting inhoudt om zelf binnen haar onderneming een arbeidsovereenkomst aan te bieden, kan zij moeilijk voorhouden dat dit engagement zou geconditioneerd zijn door een globaal akkoord over de stopzetting van de tewerkstelling van de heer G.J. bij de N.V. Sita. De duidelijke omschrijving van het voorwerp van de belofte in de brief van 25 april 1995 voorziet nergens de voorwaarden die Electrabel thans aan haar tekst zou willen toegevoegd zien. Bovendien is dwaling slechts een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst, wanneer zij de zelfstandigheid betreft van de zaak die het voorwerp uitmaakt van de overeenkomst (art. 1110 B.W.) Een dergelijke dwaling wordt door Electrabel op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond. De éénzijdige belofte tot indienstneming was dan ook bindend voor Electrabel. 2.
- De naleving van de éénzijdige belofte tot indienstneming. Uit het schrijven van Electrabel van 8 maart 2005 als antwoord op de ingebrekestelling van de heer G.J. van 1 maart 2005 volgt onomstootbaar dat de contractbelofte niet werd nageleefd. Electrabel weigerde definitief en ze beriep zich helemaal niet op een uitstel naar een meer geschikte aanvaardbare datum. Ten onrechte zoekt ze een verontschuldiging voor haar eigen weigering in de handelwijze van de heer G.J., die nochtans in zijn brief van 1 maart 2005 een correcte vraag met ingebrekestelling had geformuleerd. De regels in verband met de niet- naleving van een verbindende éénzijdige wilsuiting zijn analoog aan deze inzake overeenkomsten (C. Cauffman,a.w., nr. 129-131, p. 43-45). De foutieve nalatigheid van Electrabel t.a.v. haar contractbelofte staat dan ook vast. 2.
- De schadevergoeding wegens schending van de contractbelofte. De regel uit het gemeen recht dat de gedwongen uitvoering in natura primeert op de schadevergoeding bij equivalent, kan in het arbeidsovereenkomstenrecht geen toepassing vinden, omdat een verplichte tewerkstelling niet kan opgelegd worden (K. Rasschaert, Beperking van de ontslagmacht van de werkgever door werkzekerheidsbedingen : afdwinging bij gebrek aan specifieke sanctieregeling, J.T.T. 1996, 381-389, meer bepaald 386 en de rechtsleer en rechtspraak geciteerd in voetnoten 51 en 52). De rechter moet de volledige, voorzienbare en reële schade vergoeden, waarbij de schuldeiser in dezelfde toestand komt als wanneer de schade niet zou hebben plaatsgehad ( Cass., 6 februari 1975, Pas., 1975, 581; W. Rauws, noot in R.W. 1998-‘99, 782); er moet dus worden nagegaan of de schade zich ook had kunnen voordoen indien de fout niet was begaan; zo ja, dan ontbreekt het causaal verband. Aldus kan de heer G.J. aanspraak maken op schadeherstel bij equivalent, waarbij het uitgangspunt dient te zijn dat hij teruggeplaatst wordt in de positie waarin hij zich zou bevonden hebben indien Electrabel haar contractbelofte tot indienstneming was nagekomen. Deze schadevergoeding moet in concreto worden begroot, zoals ze zich voordoet op de datum van de uitspraak (Cass., 1 april 1943, Pas, 1943, 122; Cass., 27 juni 1974, Pas, 1974, 1129). Bij een werkzekerheidbeding impliceert dit dat de rechter rekening moet houden met de nieuwe betrekking die de werknemer heeft genoten sedert zijn ontslag (K. Rasschaert, a.w., p. 385 met rechtspraak van ons hof geciteerd in voetnoot 47). 2.3.
- Schadebegroting in concreto. In het tussenvonnis van 6 juni 2007 analyseert de eerste rechter de onderhandelingen over de verdere tewerkstelling die plaatsvonden omstreeks het ontslag van de heer G.J. bij de N.V. Sita en waarin de N.V. Electrabel betrokken werd. Hieruit leidt de eerste rechter af dat een verdere tewerkstelling bij Electrabel zo goed als uitgesloten was door de gewijzigde context van de vrijmaking van de energiemarkt. Dit maakt volgens de eerste rechter dat een opzeggingsvergoeding lastens Electrabel de enige zekere schade is, die de heer G.J. kan vorderen wegens schending van de belofte. De heer G.J. is het met deze oplossing niet eens en meent dat hij recht had op tewerkstelling tot aan de leeftijd van 60 jaar, zodat zijn schade zou moeten worden begroot op het verlies van loon en voordelen tot aan die leeftijd, vermeerderd met het verlies aan de toekenningen ingevolge de aanvullende pensioenregeling en de overlijdensverzekering, zoals van toepassing bij Electrabel. Dit laatste standpunt kan niet weerhouden worden, omdat de heer G.J. er foutief vanuit gaat dat Electrabel hem niet enkel een verdere tewerkstelling zou beloofd hebben, maar daarbovenop ook nog eens een verbod tot ontslag tot aan de verwachte pensioenleeftijd. Dit staat niet te lezen in de brief van 25 april
- Overigens leert het Hof van Cassatie in zijn arrest van 6 oktober 1997 (R.W. 1998-‘99, 779 met noot W. Rauws) dat zelfs bij een bijzondere vastheid van betrekking de werkgever niet verhinderd wordt om voor de pensioenleeftijd van de werknemer tot diens ontslag zonder reden over te gaan, omdat hierbij enkel de uitoefening van het ontslagrecht beperkt en dus bemoeilijkt wordt. Uit hetzelfde arrest volgt dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen de schadevergoeding wegens schending van een gewaarborgde vastheid van betrekking en de opzeggingsvergoeding die wordt toegekend wegens het niet naleven van de opzeggingstermijnen bepaald in de arbeidsovereenkomstenwet. Dit Arbeidshof sluit zich hierbij aan, wat meebrengt dat men niet zondermeer mag terugvallen op de forfaitaire schadevergoedingstechniek van de opzeggingsvergoeding om de schade te begroten bij schending van een tewerkstellingsgarantie. In die zin volgt het Hof de schadebegroting door de eerste rechter niet, die de schade vergoedde door de toekenning van een opzeggingsvergoeding. Overigens vergoedt de opzeggingsvergoeding de schade bij ontslag, terwijl Electrabel tewerkstelling had beloofd. Bij de zoektocht naar een juiste schadebegroting in concreto, kan men inspiratie vinden in de vergoedingen, die toegekend worden bij schending van een werkzekerheidbeding; ook hier wordt verdere tewerkstelling beloofd. Het verschil is hem echter dat in het hier onderzochte geval er twee werkgevers zijn, enerzijds de N.V. Sita die vrij de lopende arbeidsovereenkomst kon beëindigen met in dat geval betaling van een passende opzeggingsvergoeding en anderzijds Electrabel dat voor deze situatie verdere tewerkstelling had beloofd. Bij schending van een klassiek werkzekerheidbeding oordeelde het arbeidshof Gent in een arrest van 17 juni 2003 (NjW, 2003, 853) dat de schade wegens schending hiervan reeds vergoed kon zijn door de uitbetaalde opzeggingsvergoeding, omdat er juist een onderscheid moet gemaakt worden tussen de forfaitaire opzeggingsvergoeding, die het nadeel vergoedt voortvloeiend uit het verlies van de dienstbetrekking enerzijds en de civielrechtelijke schadevergoeding bij schending van een clausule van vastheid van betrekking anderzijds (vgl. Cass., 24 januari 1994, J.T.T. 1994, 140; K. RASSCHAERT, Beperking van de ontslagmacht van de werkgever door werkzekerheidsbedingen : afdwinging bij gebrek aan expliciete sanctieregeling, J.T.T. 1996, 381, meer bepaald 383; N. THOELEN, Ontslagmacht aan banden : conventionele vastheid van betrekking. Recente ontwikkelingen van bedongen werkzekerheid, J.T.T. 2006, 149). Aldus kan bij de vergoeding van de schade in concreto rekening gehouden worden met de reeds bekomen arbeidsrechtelijke vergoeding (W. RAUWS, a.w., R.W. 1998-99, 782). Vraag is nu of deze benadering kan opgaan, wanneer de tewerkstellingsgarantie niet uitging van de ontslaggevende werkgever (hier Sita), maar wel van een andere werkgever (hier Electrabel); men kan immers de bedenking maken dat omwille van het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding van Sita deze samen kon genoten worden met het loon en de voordelen, die zouden voortvloeien uit de tewerkstelling bij Electrabel. Deze cumulmogelijkheid vloeit echter voort uit de ontslagregeling, m.n. uit het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding, terwijl het voordeel dat uit de tewerkstellingsbelofte volgde, de tewerkstelling is. Het is het verlies van dit laatste dat tot schade leidt. Men moet dus opletten dat men niet redeneert vanuit de ontslaglogica. Electrabel beloofde immers geen ontslag (en de eventueel daarbij horende opzegvergoeding), maar wel tewerkstelling, wat arbeid en loon als tegenprestatie veronderstelt. Het ontslag was wel aan de orde bij Sita en daarvoor ontving de heer G.J. een opzeggingsvergoeding, die werd bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van de overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak. Uit de instructie ter zitting blijkt dat de heer G.J. na zijn ontslag bij Sita en na de weigering van Electrabel tot indienstneming een werkzaamheid als zelfstandige opgestart is en hij heeft derhalve zijn opzeggingsvergoeding gecumuleerd met deze zelfstandige activiteit, wat erop neerkomt dat hij de van Sita bekomen vergoeding aangewend heeft als rugzakje om als zelfstandige een gelijkwaardige betrekking (als bij Sita) uit te bouwen. Om een reële schadebegroting in concreto te maken ingevolge de weigering van Electrabel tot indienstneming ondanks de eerder gedane contractbelofte, dient men derhalve een vergelijking te maken tussen de niet gerealiseerde tewerkstelling bij Electrabel en de reële tewerkstelling als zelfstandige, die een duwtje in de rug bekwam door de van Sita bekomen vergoeding om een gelijkwaardige betrekking te vinden. De heer G.J. benadrukt dat een tewerkstelling bij Electrabel een semi-statutair karakter had. Het is inderdaad juist dat hij bij schrijven van 27 november 1980 van het toenmalige EBES opgenomen werd in de rangen van het statutair bediendepersoneel en dat hij ingevolge het schrijven van 1 december 1980 overging naar het statutair kaderpersoneel. Bij brief van 10 juli 1990 van Electrabel werd hij ingevolge de fusie overgenomen met de uitdrukkelijke melding dat de voorheen bestaande arbeidsovereenkomst behouden bleef met al haar rechten en verplichtingen en dit met ingang vanaf 1 januari
- Hierboven heeft het hof aangegeven dat dit niet meebrengt dat de heer G.J. een werkzekerheidgarantie had tot aan het bereiken van zijn pensioenleeftijd, maar de heer G.J. mocht zich wel verwachten aan een grotere werkzekerheid dan deze van een doorsnee bediende in de privésector. Deze verhoogde werkzekerheid heeft de heer G.J. in zijn meer precaire situatie van zelfstandige niet gehad. Bij de vergoeding van schade mag de rechter er niet toe overgaan om hypothetische schade in aanmerking te nemen; de toegekende schadevergoeding moet zekere schade compenseren ( Cass., 1 juli 1976, R.W. 1976-77, 211). In dit geval kan de normale verwachting rond de verhoogde werkzekerheid in redelijkheid worden geëvalueerd op een termijn gelijk aan de minimum opzeggingstermijn die ingeval van ontslag had moeten in aanmerking genomen worden. Overigens komt dit ook overeen met het standpunt van Electrabel in ondergeschikte orde en ze begroot deze op 12 maanden. In werkelijkheid bedraagt deze termijn echter 18 maanden, rekening houdend met de conventioneel toegekende anciënniteit in de contractbelofte. Een dergelijke werkzekerheidtermijn mocht de heer G.J. in redelijkheid alleszins verwachten. In de gegeven omstandigheden dient dan ook te worden vastgesteld dat, rekening houdend met het feit dat de heer G.J. na 1 maart 2005 een verdere tewerkstelling als zelfstandige heeft uitgebouwd en dat hij dit mede heeft kunnen doen doordat zijn kansen om een gelijkwaardige betrekking als bij Sita te vinden, reeds gevaloriseerd waren door de door hem bekomen opzeggingsvergoeding, de reële schade die hij geleden heeft door het niet valoriseren van de tewerkstellingsbelofte door Electrabel, kan worden begroot op het loon zoals dit volgde uit de normaal te verwachten loonsevolutie in het Electrabel bezoldigingssysteem en op de voordelen, berekend op een termijn van 18 maanden. Aldus diende hij in de mogelijkheid te zijn om de rugzak te vergroten die hij nodig had om via zijn zelfstandig werk een gelijkwaardig arbeids- en levensniveau te verwerven dan wat hij had kunnen bereiken via een normaal te verwachten tewerkstelling bij Electrabel. Deze vergoeding werd door Electrabel becijferd vanuit een jaarbedrag van euro 112.645,98, rekening houdend met de normaal te verwachten loonsevolutie in haar bezoldigingssysteem. Terecht heeft de eerste rechter deze becijfering aangevuld met de patronale stortingen in de pensioen- en overlijdensverzekering of euro 19.224 (zoals t.a.v. de eerste rechter opgegeven door de heer G.J.), zodat het totaalbedrag van het jaarloon kwam op euro 131.869,
- De schadevergoeding voor schending van de tewerkstellingsbelofte kan dan ook vastgesteld worden op euro 131.869,98 x 18/12 = euro 197.804,97 x 50% = euro 98.902,49 (de herleiding met 50% wegens de door partijen aanvaarde schatting van herleiding bruto - netto). 2.3.
- Welk loon in relatie met welke functie als basis voor deze schadeberekening? Hierboven werd reeds vastgesteld dat de contractbelofte van Electrabel een tewerkstelling in het vooruitzicht stelde uitgaande van een functie, die aansloot bij de vorige betrekking; wat betreft het loon werd verwezen naar de normaal te verwachten loonsevolutie in het Electrabel bezoldigingssysteem; de belofte garandeerde het behoud van de anciënniteit. Ten onrechte wil de heer G.J. voor de normaal te verwachten loonsevolutie uitgaan van een hogere functie dan deze die hij had in 1995 omwille van een door hem verwachte verticale mobiliteit, waarmee hij bedoelt dat hij normalerwijze tijdens zijn tewerkstellingsperiode bij Sita naar een hogere functie binnen Electrabel had kunnen opklimmen. Een dergelijke toezegging werd hem echter niet gedaan in de brief van 25 april 1995; de tekst verwijst naar een remuneratie gebaseerd op uw laatste wedde in Electrabel en dan de normaal te verwachten loonsevolutie in het Electrabel bezoldigingssysteem. Er wordt niet verwezen naar een functie-evolutie; integendeel men vertrekt van de laatste wedde (april 1995). Overigens geeft de heer G.J. in punt 35 van zijn syntheseconclusie van 6 januari 2009 zelf aan dat men voor de functie moet uitgaan van wat actueel was op 25 april
- Evenmin kan hij zich beroepen op een gebruik, daar hij zelf heeft uitgelegd dat er geen gebruik van contractbelofte bij Electrabel bestond, omdat men gebruikelijk werkte met de techniek van detachering. De brief van 25 april 1995 verbindt dan ook niet tot meer dan wat er in gestipuleerd is en dit is een verdere tewerkstelling na een gebeurlijk ontslag bij Sita op grond van wat bestond op datum van de contractbelofte, enkel aangevuld met de evolutie van het interne bezoldigingsbeleid en met overname van de anciënniteit. Hieruit volgt meteen dat de loonextrapolatie die de heer G.J. maakt vanuit een hogere functie dan die hij had op 25 april 1995, niet kan gevolgd worden. Samen met de eerste rechter moet vastgesteld worden dat de loonsevolutie zoals ze door Electrabel werd becijferd, reëel en aanvaardbaar is, temeer daar deze berekening ook aansluit bij de loonsevolutie in de vergelijkbare functie, zoals de heer G.J. deze gekend had bij Sita. Voor zover als nodig, verwijst het hof dan ook naar de motivering van de eerste rechter en neemt deze wat betreft dit onderdeel over. 2.3.
- De looncomponenten en de voordelen. Ook wat betreft de looncomponenten verwijst het hof naar de bespreking door de eerste rechter op het zevende tot en met het negende blad van het eindvonnis van 19 maart 2008 en neemt deze over. Weliswaar verwijst de heer G.J. in zijn besluiten naar een eigen berekening, maar zijn cijfers en beweringen worden nergens onderbouwd door verantwoordende stukken; inzoverre zijn berekening betwist is door Electrabel, faalt de heer G.J. in de op hem rustende bewijslast. Zo beweert Electrabel dat het door haar weerhouden jaarloon inclusief de niet recurrente variabele bezoldiging is, terwijl de heer G.J. dit afzonderlijk wil aanrekenen. Terecht stelde de eerste rechter dat deze post geen zeker schadeonderdeel was. Wat betreft de waardering van de verzekeringspremies en de toepassing van het preferentieel tarief voor gas en elektriciteit houdt Electrabel terecht rekening met het feit dat de echtgenote van de heer G.J. in 2005 eveneens in haar dienst was en dat via de ten lasteneming van de gezinsbedragen door Electrabel omwille van deze tewerkstelling, geen tweemaal tot deze premieaanrekening kan worden overgegaan. Evenmin verantwoordt de heer G.J. waarom wegens maaltijdcheques een hoger bedrag dan euro 1.055,65 in aanmerking zou moeten worden genomen. Electrabel heeft zich in haar brief van 25 april 1995 enkel verbonden tot het behoud van het loon zoals dit volgde uit de normaal te verwachten loonsevolutie in het Electrabel bezoldigingssysteem en de heer G.J. toont ook hier niet aan dat de bedrijfswagen van dit systeem deel uitmaakt, zodat Electrabel hiervoor het stelsel mocht toepassen, zoals dit gold op 1 maart
- Evenmin toont de heer G.J. aan op welke basis hij recht zou hebben gehad op een jubilarispremie op 1 maart 2005, nu hij de anciënniteit van 25 jaar verwierf tijdens de periode van zijn tewerkstelling bij Sita. 2.3.
- Uitkering wegens aanvullend pensioen en overlijdensverzekering. Zoals aanvaard door beide partijen, dient de schade te worden begroot op basis van een netto berekening, die door hen geschat wordt op een halvering van het brutobedrag. Aldus aanvaarden de partijen dat het verlies van de sociale zekerheidsuitkeringen, waaronder het wettelijk pensioen, niet in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de schade. In die omstandigheden kan dezelfde redenering worden toegepast voor de aanvullende pensioen- en overlijdensvoordelen. De patronale premies die nodig zijn voor de opbouw van deze bijkomende toekenningen, werden door de eerste rechter terecht opgenomen in het bedrag van de schadevergoeding. De eerste rechter baseerde zich hiervoor overigens op het bedrag, zoals zelf opgegeven door de heer G.J., zodat op die wijze zeker een voldoende en volledig schadeherstel werd bereikt in verband met het niet nakomen van de tewerkstellingsbelofte. Immers de verdere tewerkstelling als zelfstandige, zoals deze door hem tot een gelijkwaardige beroepsactiviteit kon worden uitgebouwd met de steun van de hem toegekende schadevergoedingen, kan het hem mogelijk maken ook zijn bijkomend pensioenstelsel aan te vullen. Alhoewel de heer G.J. over de invulling ervan eerder vaag blijft, ontkent hij niet echt dat hij ook bij Sita genoot van een aanvullend pensioenstelsel, zodat men niet inziet op welke basis hij een backservice voor deze tewerkstellingsperiode als schadepost claimt; overigens was een dergelijk engagement geenszins opgenomen in de contractbelofte. De uitkering van het aanvullend pensioen op 60/65 jaar situeert zich in de tijd na de in aanmerking genomen termijn van werkzekerheid, zodat evenmin het oorzakelijk verband door de heer G.J. wordt aangetoond. Het staat niet vast dat de voorgehouden schade zich ook had voorgedaan indien de fout niet was begaan. De niet aangroei van het aanvullend pensioen had zich ook kunnen voordoen bij het naleven van de contractbelofte, omdat deze geen garantie van tewerkstelling tot aan de pensioendatum inhield, zodat de niet-betaling van bijdragen en het niet opbouwen van nuttige jaren na de in acht genomen periode van te verwachten werkzekerheid geen verband meer hield met de schending van de contractbelofte. De overige beschouwingen kunnen geen afbreuk doen aan deze beoordeling en zijn zonder verdere relevantie; er is geen reden om het door Electrabel in ondergeschikte orde gevraagde deskundigenonderzoek te gelasten i.v.m. verdere becijfering, gelet op de ter beschikking zijnde gegevens, die een begroting van de schade mogelijk maakten. 2.
- Gerechtskosten. Wat betreft de begroting van de rechtsplegingsvergoeding kan het hof zich aansluiten bij de motivering van de eerste rechter, die eveneens kan gelden voor de gerechtskosten hoger beroep. * * * Het hoger beroep tot het bekomen van een hogere schadevergoeding dan deze die door de eerste rechter werd toegekend, is dan ook ongegrond. Het incidenteel beroep is gedeeltelijk gegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond Vernietigt de bestreden vonnissen en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer G.J. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Veroordeelt de N.V. Electrabel tot betaling aan de heer G.J. van een schadevergoeding van euro 98.902,49 euro , te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf 1 maart 2005 en de gerechtelijke intresten, Veroordeelt de N.V. Electrabel tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van de heer G.J. begroot op Dagvaarding euro 129,17 Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg herleid tot euro 5.000,00 Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep herleid tot euro 5.000,00 Totaal euro 10.129,17 en voor zover als nodig aan de zijde van Electrabel herleid tot euro 10.000 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De Heer E. VAN LAER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer R. VANDENPUT, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS, E. VAN LAER. R. VANDENPUT. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 24 april 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090424.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div