← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090427.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090427.6 Rolnummer: 49.325;49.408 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 19:39 Fiche Wanneer de werkgever de door hem ingeroepen reorganisatie als noodwendigheid inzake de werking van de onderneming, waardoor het ontslag veroorzaakt werd, bewijst,volstaat dit om het ontslag niet als willekeurig te beschouwen in de zin van artikel 63 arbeidsovereenkomstenwet. De beschouwingen in verband met andere keuzemogelijkheden en alternatieven, die door de werkgever hadden kunnen worden toegepast, kunnen hieraan geen afbreuk doen omdat het aan de rechtsrnachten niet toekomt zich te mengen in de opportuni tei t van de genomen maatregelen, eens vaststaat dat het ontslag veroorzaakt werd en gegrond was op een reden die verband hield met de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Willekeurig ontslag Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - WERKLIEDEN - Willekeurig ontslag. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 63 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 27 APRIL

  1. 5DE KAMER Arbeidscontract Tegensprekelijk Definitief Inzake : N.V. ISS, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1800 VILVOORDE, Athena Business Center - Steenstraat 20 bus
  2. Appellante, vertegenwoordigd door Mr K. MOLLEKENS, advocaat te Mechelen. Tegen: N. , wonende te [xxx]. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr E. SWYSEN, advocaat te Brussel.   Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 30 juni 2006, - de verzoekschriften in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel respectievelijk op 18 december 2006 en 10 januari 2007; - de besluiten en de synthesebesluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 30 maart 2009 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken.  
  3. FEITEN EN RECHTSPLEGING Mevrouw N. kwam op 2 maart 1999 als kuisvrouw - brigadier deeltijds in dienst van de rechtsvoorganger van de N.V. I.S.S. met een geschreven arbeidsovereenkomst van 1 maart 1999, waarbij zij tewerkgesteld werd op de werf Diamont Boart. In de loop van haar tewerkstelling werd haar deeltijdse regeling een aantal malen aangepast tot ze op 1 maart 2001 voltijds als ploegbaas werd aangesteld voor dezelfde werf. Op 16 augustus 2001 schreef de syndicale delegatie en de secretaris van het ACV Voeding en Diensten een brief aan de werkgever in verband met problemen die gerezen waren rond mevrouw N. als ploegbaas en waarbij men vroeg dat ploegbaas Y.S. zou behouden worden en dat men de vakantieregeling van het personeel zou respecteren. Op 21 augustus 2001 antwoordde de werkgever aan de vakorganisatie dat mevrouw N. als ploegbaas omwille van een lange ziekte afwezig was geweest, maar dat een tweede aangezochte ploegbaas deze werf niet wilde aanvaarden, zodat men terechtgekomen was bij een derde persoon die nog moest opgeleid worden door mevrouw N.. Van zodra deze op te leiden persoon operationeel zou zijn, zou mevrouw N. niet meer als ploegbaas op de werf gehandhaafd worden. Op 24 augustus 2001 antwoordde de secretaris van de vakorganisatie dat de werkgever de ontevredenheid van de werknemers onderschatte en waarbij men nogmaals vroeg dat de heer Y.S. de dienst als ploegbaas zou uitoefenen en dat dit niet afhankelijk diende te zijn van een beslissing van de klant. De secretaris dreigde met een werkonderbreking van het personeel vanaf woensdag 29 augustus
  4. Mevrouw N. zegt dat ze omtrent deze problematiek niet op de hoogte was, maar dat er wel binnen het bedrijf een discussie was omtrent de looncategorie en dat ze deelnam aan een syndicale actie in dat verband. Alleszins werd op 29 augustus 2001 een akkoord ondertekend tussen vertegenwoordigers van de vakorganisaties en de werkgever waarin overeengekomen werd dat mevrouw N. vanaf 17 september 2001 definitief zou vervangen worden en dat de heer Y.S. als vervanger de tweede hand was van mevrouw N.. Tevens regelde de overeenkomst de betwisting over de aankoop van arbeidskledij en de loondiscussie. Uit de verslagen van de vergaderingen met de klant Diamont Boart van 3 juli 2001 en 28 augustus 2001 volgt dat men aan de klant respectievelijk de heer E.D.H. en Y.S. als opvolger van mevrouw N. voorstelde omwille van haar vertrek naar een nieuwe functie. Op 19 september 2001 werd mevrouw N. ontslagen met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding. Bij schrijven van 20 november 2001 van de vakorganisatie van mevrouw N. werden de gegevens op het C4-formulier betwist en vroeg men hiervan rechtzetting; tevens werd een loonregularisatie en een aanpassing van de opzeggingsvergoeding gevraagd; ten slotte vroeg men toelichting omtrent de ontslagreden die op het C4- formulier werd geformuleerd als voldoet niet meer. Mevrouw N. ontving een aangepast C4- formulier waarop als reden werd vermeld de reorganisatie van de werf. Ook de opzeggingsvergoeding werd aangepast. In een schrijven van 12 februari 2002 drong de vakorganisatie aan op de gevraagde loonregularisatie en stelde dat ze evenmin de ontslagreden reorganisatie van de werf kon aanvaarden, omdat het ontslag een represaillemaatregel in verband met de eis tot correcte loonregularisatie was. Aldus werd het ontslag als willekeurig beschouwd in de zin van artikel 63 van de arbeidsovereenkomstenwet en werd een vergoeding van 6 maand loon gevraagd. Partijen kwamen hierover niet tot overeenstemming en op 29 juli 2002 dagvaardde mevrouw N. de NV I.S.S. voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van : - een loonregularisatie van euro 1.432,15 - een vergoeding wegens willekeurig ontslag van euro 10.103,
  5. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 30 juni 2006 werd de vordering wegens loonregularisatie gegrond verklaard ten belope van euro 733,34 en werd de schadevergoeding wegens willekeurig ontslag toegekend, vermeerderd met interesten en kosten. De eerste rechter aanvaardde dat het vaststaat dat er gelet op de briefwisseling van de syndicale organisatie en gelet op de overeenkomst van 29 augustus 2001 een aanvraag was tot verwijdering van mevrouw N. uit haar functie van ploegbaas, maar dat dit niet tot haar ontslag diende te leiden want dat men haar op een andere werf had kunnen tewerkstellen, zodat de werkgever niet voldoende aantoont dat het ontslag niet willekeurig is. Dit vonnis werd betekend op 14 december
  6. Bij een eerste verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 18 december 2006, tekende de NV I.S.S. hoger beroep aan wat betreft de beslissing omtrent het willekeurig ontslag. Bij een tweede verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 10 januari 2007 wordt dit beroep nogmaals herhaald. Partijen hebben geen bezwaar dat beide beroepen dienen te worden samengevoegd. Ze hebben betrekking op hetzelfde vonnis en de verzoekschriften zijn in dezelfde bewoordingen geformuleerd.  
  7. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat de hogere beroepen tijdig werd ingesteld. Ze zijn regelmatig naar vorm een ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. De ontvankelijkheid wordt overigens niet betwist. Voor een goede rechtsbedeling dienen beide beroepen te worden samengevoegd. Het willekeurig ontslag Artikel 63 van de arbeidsovereenkomstenwet verstaat onder willekeurig ontslag: het ontslag van een werkman die is aangeworven voor onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman en die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming. Bij betwisting behoort het aan de werkgever het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen redenen. De N.V. I.S.S. heeft in haar laatste versie de ontslagreden omschreven als reorganisatie van de werf. Mevrouw N. betwist deze voor het ontslag ingeroepen reden. Door de aanpassing van de ontslagreden beroept de werkgever zich niet langer op de geschiktheid of het gedrag van mevrouw N., maar wel op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming. De vraag is dus niet of mevrouw N. haar moeilijke functie van ploegbaas op een geschikte wijze heeft uitgeoefend, maar wel of haar vervanging in die functie voor de werking van de onderneming nodig was. Dit toont de werkgever aan, omdat uit de briefwisseling met de vakorganisatie blijkt dat er een zeer sterke en met een stakingsdreiging ondersteunde aandrang was om mevrouw N. niet langer in deze functie te handhaven. Zelfs een tijdelijke verdere uitoefening van haar functie werd beschouwd als het onderschatten van de ongerustheid binnen de werknemersgroep. Ook de eerste rechter heeft uit deze briefwisseling en het met de vakorganisaties afgesloten akkoord van 29 augustus 2001 afgeleid dat het voldoende vaststaat dat er een vraag geweest is van het personeel om mevrouw N. uit haar functie van ploegbaas te verwijderen. In punt 1 van het collectief akkoord werd de vervanging van mevrouw N. vanaf maandag 17 september 2001 ‘op definitieve wijze' overeengekomen. Ook uit de werfverslagen met de klant volgt dat het vertrek van mevrouw N. aangekondigd was en dat men een vervanger voorstelde tot 15 september
  8. De werkgever bewijst aldus de door hem ingeroepen reorganisatie als noodwendigheid inzake de werking van de onderneming, waardoor het ontslag veroorzaakt werd. Dit volstaat om het ontslag niet als willekeurig te beschouwen in de zin van artikel 63 arbeidsovereenkomstenwet. De beschouwingen in verband met andere keuzemogelijkheden en alternatieven, die door de werkgever hadden kunnen worden toegepast, kunnen hieraan geen afbreuk doen omdat het aan de rechtsmachten niet toekomt zich te mengen in de opportuniteit van de genomen maatregelen, eens vaststaat dat het ontslag veroorzaakt werd en gegrond was op een reden die verband hield met de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming. (Arbh. Brussel, 18 maart 2002, JTT 2002, 339; vgl. Cass. 4 februari 2002, JTT 2002, 473 met noot en R.W. 2002 - 03, 500; in dit laatste arrest werd geoordeeld dat afbreuk gedaan wordt aan het begrip willekeurig ontslag, wanneer enerzijds de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming worden vastgesteld, maar anderzijds het ontslag toch als willekeurig wordt aanvaard, omdat het de grenzen van de normale uitoefening te buiten gaat door geen rekening te houden met een in het arbeidsreglement omschreven procedure waaruit alternatieven hadden kunnen voortvloeien.) De overige beschouwingen omtrent de sociale discussies binnen de onderneming, waarvan evenmin duidelijk is in hoeverre mevrouw N. hierbij betrokken was, kunnen evenmin afbreuk doen aan de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming waarop het ontslag gebaseerd was. Het hoger beroep is dan ook gegrond.   OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Voegt de hogere beroepen ingesteld bij verzoekschrift van 18 december 2006 (A.R. 49.325) en 10 januari 2007 (A.R. 49.408) samen, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de NV I.S.S. veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding wegens willekeurig ontslag ten bedrage van euro 10.103,77 en in zoverre het de gerechtskosten eerste aanleg ten laste van de N.V. legt. Verklaart het onderdeel willekeurig ontslag van de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond, Bevestigt het vonnis voor het overige, Veroordeelt mevrouw N. tot de gerechtskosten, deze aan de zijde van de N.V. begroot op rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 196,33 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 625,00 totaal euro 821,33 en aan de zijde van mevrouw N. voor zover als nodig begroot op euro 613,02; Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heren : L. LENAERTS : Raadsheer, G. JACOBS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, D. VRIJSEN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Grif­fier, G. JACOBS D. VRIJSEN D. DE RAEDT L. LENAERTS De heer D. VRIJSEN die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig art. 785 van het Ger. Wb. wordt het arrest ondertekend door de heren L. LENAERTS en G. JACOBS, bijgestaan door de heer D. DE RAEDT. En uitgesproken op de openbare te­rechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 27 april 2009 door : De heer L. LENAERTS : Raadsheer, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Grif­fier, D. DE RAEDT L. LENAERTS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090427.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.