id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090427.7 Rolnummer: 49.820 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 19:38 Fiche Wanneer de VDAB een lBO-overeenkomst beëindigt, kan artikel 6 van de lBO-overeenkomst (schadevergoeding geen naleving tewerkstellingsbelofte) niet tegen de werkgever worden ingeroepen, omdat dit alleen van toepassing is wanneer de onderneming de overeenkomst vroegtijdig en zonder geldige reden stopzet, eenzijdig en zonder akkoord van de VDAB. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Werkgelegenheid - Tewerkstelling - Beroepsopleiding - Tewerkstellning - Vlaanderen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEROEPSOPLEIDING - IBO-Overeenkomst - Einde door VDAB - Schadevergoeding niet-naleving tewerkstellingsbelofte. Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Executieve - 21-12-1988 - 128 - 36 ELI link Pub nr 1989029017 Nota: V P (Besluit Vlaamse Executieve 21.12.1988), art.
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 27 APRIL
- 5DE KAMER Arbeidscontract Tegensprekelijk Definitief Inzake : M.N.N. , wonende te [xxx]. Appellant, vertegenwoordigd door Mevr. H. VAN DEN BERGE, syndicaal afgevaardigde en volmachtdraagster te Brussel. Tegen: ETS. COLRUYT Franz N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te 1500 HALLE, Edingensesteenweg
- Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr A. VERLINDEN loco Mr Y. BOELS, advocaat te Brussel. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 23 januari 2007, - het verzoekschrift in hoger beroep van ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 7 mei 2007; - de besluiten en de synthesebesluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 30 maart 2009 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken.
- FEITEN EN RECHTSPLEGING De heer M.N.N. werkte ingevolge twee interimcontracten bij de NV Franz Colruyt ( hierna afgekort tot Colruyt) van 30 september 2002 tot 12 oktober
- Op 8 oktober 2002 ondertekende hij samen met de VDAB en Colruyt een IBO-overeenkomst voor een periode van 17 weken, gaande van 14 oktober 2002 tot 7 februari
- Ingevolge artikel 2e van deze overeenkomst verbindt de NV zich om de heer M.N.N. de eerste kalenderdag na de opleiding in dienst te nemen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en haar te werk te stellen onder de voor haar beroep geldende voorwaarden en minstens aan hetzelfde arbeidsregime als tijdens de opleiding voor een periode minstens gelijk aan de duur van de opleiding, hetzij 17 weken. Ingevolge artikel 6 van deze overeenkomst worden de eenzijdige vroegtijdige stopzetting zonder akkoord van de VDAB of de niet naleving van de tewerkstellingsverbintenis gesanctioneerd met betaling van een vergoeding gelijk aan het resterend gedeelte van het loon dat de werkgever verschuldigd is voor de tewerkstelling gedurende een periode die overeenstemt met de periode van de opleiding. Op 6 februari 2003 wordt deze IBO-overeenkomst beëindigd, volgens Colruyt gebeurde dit door de VDAB, volgens de heer M.N.N. lag het initiatief bij Colruyt. Bij schrijven van 10 december 2003 stelt de vakorganisatie van de heer M.N.N. Colruyt in gebreke in betaling van de vergoeding wegens het niet nakomen van de tewerkstellingsverbintenis, door haar begroot op het loon van 17 weken of euro 5.866,
- Op 4 februari 2004 dagvaardt de heer M.N.N. Colruyt in betaling van deze vergoeding en in betaling van een opzeggingsvergoeding van euro 1.380,24, beide sommen te vermeerderen met wettelijke en de gerechtelijke intresten. Bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 23 januari 2007 wordt deze vordering afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond, omdat het initiatief voor de beëindiging bij VDAB ligt en de werkgever hiervoor dus niet aansprakelijk kan worden gesteld, temeer daar er ook een niet eenduidig positief evaluatieverslag van 14 januari 2003 was. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 7 mei 2007, tekent de heer M.N.N. hoger beroep aan en herneemt hij zijn oorspronkelijke vordering.
- BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.
- De overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming De heer M.N.N. schetst uitvoerig de voorgaanden met betrekking tot het tot stand komen van de IBO-overeenkomst, alsook de uitvoering van deze overeenkomst; hij betwist de inhoud van het evaluatieverslag van 14 januari 2003 en hij concludeert uit al deze elementen dat de werkgever tekortgeschoten is in zijn engagement om hem op te leiden en hem te werk te stellen volgens de gemaakte afspraken en dat de werkgever aldus te gemakkelijk gebruik heeft gemaakt van het goedkope tewerkstellingsysteem van de IBO-overeenkomst. In verband met zijn vordering tot betaling van de schadevergoeding van artikel 6 van de overeenkomst en tot betaling van een opzeggingsvergoeding kan echter niet voorbijgegaan worden aan het formulier van de RVA C91-IBO, waarin de VDAB op 17 maart 2003 bevestigt dat de opleiding als magazijnier beëindigd werd door de VDAB zelf op 6 februari 2003 tengevolge van ongeschiktheid voor het aanleren van het beroep zonder foutieve houding van betrokkene. Zoals de eerste rechter terecht opmerkt, volgt hieruit dat de beëindiging van de overeenkomst niet gebeurde door de werkgever, maar het initiatief was van de VDAB, die de heer M.N.N. eventueel kan aanspreken in zoverre hij niet akkoord gaat met de voorgebrachte motivering. Ten onrechte wil de heer M.N.N. voorhouden dat de bepalingen van het Besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 niet correct zouden zijn nageleefd en hij maakt evenmin concreet waarin deze bepalingen zouden geschonden zijn. Evenmin kan artikel 6 van de IBOovereenkomst tegen de werkgever worden ingeroepen, omdat dit alleen van toepassing is wanneer de onderneming de overeenkomst vroegtijdig en zonder geldige reden stopzet, eenzijdig en zonder akkoord van de VDAB. Zoals hierboven vastgesteld, gebeurde de beëindiging op initiatief van de VDAB wegens de ongeschiktheid voor het aanleren van het beroep, zonder dat echter een foutieve houding aan de heer M.N.N. wordt verweten. In die omstandigheden geldt evenmin de tewerkstellingsverbintenis van artikel 2e, omdat deze slechts geldt ten voordele van de cursist die de opleiding in de onderneming beëindigd heeft; in deze zaak werd de opleidingsduur niet voltooid, omdat de IBO-overeenkomst voor de voorziene einddatum door de VDAB werd stopgezet. Doordat er nog geen arbeidsovereenkomst in opvolging van de IBO-overeenkomst was, kon deze niet bestaande overeenkomst evenmin worden beëindigd, zodat Colruyt ook geen opzeggingsvergoeding kan verschuldigd zijn. Het Hof kan zich dan ook enkel aansluiten bij de motivering van de eerste rechter die het herneemt en het hoger beroep is ongegrond. 2.2De gerechtskosten. 2.2.
- Het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding. Wat betreft de exceptie van illegaliteit t.a.v. het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, stelt appellant dat de Koning dit K.B. heeft uitgevaardigd op een ogenblik dat de regering ontslagnemend was en dus enkel bevoegd kon zijn voor lopende zaken. Wanneer men voorhoudt dat de Koning geen bevoegdheid heeft om een K.B. uit te vaardigen omwille van een periode van lopende zaken, dan bedoelt men met "lopende zaken" zowel de dringende als de lopende zaken (R.v.St. 18 december 2007, nr. 178.019); als lopende zaken worden beschouwd : zaken die de normale voortzetting zijn van een voor het ontslag van de regering regelmatig ingezette procedure, wat in concreto moet worden getoetst (R.v.St. 3 november 1997, nr. 69.331, overweging 3.1.3). In deze zaak brengt appellant geen enkel element aan, waaruit zou kunnen blijken dat het K.B. geen normale voortzetting zou zijn van een voor het ontslag van de regering regelmatig ingezette procedure; aldus komt appellant te kort om in concreto aan te tonen dat de Koning buiten zijn bevoegdheid zou hebben gehandeld in een periode van lopende zaken door een regelmatig ingezette procedure abnormaal voort te zetten; de exceptie van illegaliteit is in de huidige stand niet in concreto bewezen. De vraag of de machtiging door de wetgever aan de Koning om de basisbedragen, minima en maxima van de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen in strijd is met het wettigheidsbeginsel dat voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet, werd onderzocht in de overwegingen B.6 van het arrest 182/2008 van 18 december 2008 van het Grondwettelijk Hof. Deze vraag wordt daar negatief beantwoord omdat de wetgever het onderwerp van de maatregelen heeft aangegeven waarvan hij de tenuitvoerlegging aan de Koning heeft overgelaten en omdat het een materie betreft die mogelijk in de toekomst op vrij soepele manier moet kunnen worden aangepast (B.6.4). 2.2.
- De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Appellant houdt voor dat de wet 21 april 2007 niet toepasbaar is en verwijst hiervoor naar de beroepen tot vernietiging die werden ingediend bij het Grondwettelijk Hof en die inmiddels hun beslag gekregen hebben in het arrest 182/2008 van 18 december
- In dit arrest wordt op grond van de aangedragen argumenten geoordeeld dat het verschil bij de verhaalbaarheid van de gerechtskosten tussen een partij die door een advocaat wordt verdedigd en een partij die door een vakbondsafgevaardigde wordt verdedigd, berust op een objectief en pertinent criterium (B.17.2 en B.17.3). Hierbij wordt de mogelijke (on)gelijkheid bezien vanuit de individuele betrokkenheid van de partijen. Dit verschil in verhaalbaarheid van de gerechtskosten leidt ertoe dat de rechtsplegingsvergoeding wel tegemoet komt in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijkgestelde partij, maar niet in deze van de vertegenwoordiger van de in het gelijkgestelde partij of van de kosten van de in het gelijkgestelde partij in persoon. Dergelijke ongelijkheid riskeert het systeem van de tenlastelegging van de gerechtskosten te ontwrichten. Men dient immers te erkennen dat de diensten van advocaten soortgelijk zijn aan de diensten van vakbondsafgevaardigden die voor de arbeidsgerechten hun aangesloten vertegenwoordigen en voor hen pleiten (B.17.3 van arrest 182/08) en dat zij hiervoor gespecialiseerde juridische diensten hebben ontwikkeld (B.18.3). Aldus collectiviseren de vakorganisaties het risico op een efficiënte juridische procesbijstand rekening houdend met de onvoldoende individuele financiële draagkracht van hun leden. Ten aanzien van de diensten van advocaten wordt dit risico gebeurlijk op een vergelijkbare wijze gecollectiviseerd via een stelsel van rechtsbijstandverzekeringen. De lasten van deze rechtsbijstandsystemen verhoogden reeds substantieel door de verhoging van de rechtsplegingsvergoedingen, maar het door de vakorganisaties ingerichte systeem wordt verder scheefgetrokken doordat ze enerzijds tot betaling worden verplicht, wanneer hun aangeslotene in het ongelijk wordt gesteld, maar anderzijds niet tot recuperatie van hun kosten kunnen komen in het omgekeerde geval. Het recht op juridische bijstand wordt in artikel 23 van de Grondwet gekaderd binnen de sociaal-economische grondrechten. Deze worden o.m. vormgegeven in het sociaal recht, waarin de ongelijkheid tussen individuen wordt gecorrigeerd door de erkenning van collectieve rechten die het verschil in machtspositie compenseren. In de mate dat de wet verhaalbaarheid van 21 april 2007 enkel voorziet in de forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen ten voordele van een in het gelijkgestelde partij, die door een advocaat wordt vertegenwoordigd, heeft ze tot gevolg dat de collectivisering van het risico van rechtsbijstand van door vakbondsafgevaardigden vertegenwoordigde werknemers eerder wordt gehypothekeerd dan gecorrigeerd. Appellant vraagt echter dat dit minimumbedrag zou worden onderschreden tot de rechtsplegingsvergoeding die van toepassing was bij de aanvang van de procedure op 4 februari
- Het Arbeidshof stelt vast dat het Grondwettelijk Hof in het aangehaalde arrest 182/2008 aanvaardt dat, ofschoon in de parlementaire voorbereiding van de wet is verklaard dat het niet de bedoeling is dat de rechtsplegingsvergoeding onder het minimum zou worden verlaagd (Parl. St., Kamer, 2006 -2007, DOC 51 - 2891/002, p. 14) artikel 1022, vierde lid Ger.Wb. ingevolge de standstill- verplichting van artikel 23 van de Grondwet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat de rechtsplegingsvergoeding in dat geval kan worden vastgesteld onder het door de Koning bepaalde minimum. (B.7.6.5 en B.7.6.6). In het hierboven aangehaalde Kamercommissieverslag leest men dat een commissielid de Minister er uitdrukkelijk op wees dat de tekst van artikel 1022, vierde lid het mogelijk maakt om de rechtsplegingsvergoeding onder het minimum te verlagen in het geval van een kennelijk onredelijke situatie, waarop de minister van Justitie preciseerde dat dit niet de bedoeling was, alhoewel ze toegaf dat dergelijke letterlijke lezing mogelijk was, maar niet langer kon toegestaan zijn zodra de bepaling in haar geheel werd beschouwd. Dit weerhield er het Grondwettelijk Hof niet van om de tekst in het licht van artikel 23 van de Grondwet te interpreteren in de zin zoals aangebracht door het commissielid. Een zelfde moeilijkheid rijst bij het hier van toepassing zijnde artikel 1022, derde lid Ger. Wb. wat betreft het overschrijden van het minimumbedrag; deze onduidelijkheid kan enkel opgelost worden door een gelijkaardige grondwetsconforme interpretatie. Artikel 1022, derde lid Ger. Wb. bepaalt immers dat de rechter de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen zonder de door de Koning bepaalde ... minimumbedragen te overschrijden. Het woord "overschrijden" betekent volgens Van Dale verder gaan dan (Van Dale, 12e druk, 2177); het tegendeel van overschrijden is onderschrijden( Van Dale, 12e druk, 2025). Artikel 1022, derde lid Ger. Wb. voorziet niets in verband met het door appellant gevraagde onderschrijden van het minimumbedrag, zodat de rechter bij interpretatie van de wettekst in het licht van de standstill-inhoud van artikel 23 van de Grondwet hiertoe kan beslissen teneinde het syndicaal rechtsbijstandstelsel, dat zijn grondslag vindt in artikel 728 §3 Ger. Wb., in zijn eerdere vorm te zien standhouden. De precisering van de minister van Justitie in de parlementaire voorbereiding dat de regering niet beoogt toe te staan dat een rechtsplegingsvergoeding onder het minimum wordt vastgelegd (Parl. St., Kamer, 2006 -2007, DOC 51 - 2891/002, p. 14), doet hieraan geen afbreuk (vgl. B.7.6.4 arrest 182/2008 Gr. H.). In artikel 4 van het K.B. van 26 oktober 2007 werden, gelet op de precaire financiële situatie van de overheidsfinanciën, de rechtsplegingsvergoedingen in het sociaal contentieux verminderd tot de vroeger bestaande bedragen ten aanzien van gerechtigden versus de overheid of instellingen belast met de wetten op sociale zekerheid. Rekening houdend met de financiële draagkracht van appellant, die onder druk staat door het scheeftrekken van zijn syndicaal rechtsbijstandstelsel, kan in deze zaak een vergelijkbare rechtsplegingsvergoeding worden opgelegd, zijnde euro 291,
- OM DEZE REDENEN Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Veroordeelt appellante tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van geïntimeerde begroot op euro 900 en door het Hof herleid tot euro 291,50; Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heren : L. LENAERTS : Raadsheer, G. JACOBS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, D. VRIJSEN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Griffier, G. JACOBS D. VRIJSEN D. DE RAEDT L. LENAERTS De heer D. VRIJSEN die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig art. 785 van het Ger. Wb. wordt het arrest ondertekend door de heren L. LENAERTS en G. JACOBS, bijgestaan door de heer D. DE RAEDT. En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 27 april 2009 door : De heer L. LENAERTS : Raadsheer, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Griffier, D. DE RAEDT L. LENAERTS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090427.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div