id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090504.6 Rolnummer: 50.964 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-11-26 Raadplegingen: 144 - laatst gezien 2026-07-02 19:40 Fiche Het enkele feit dat de werkgever de werknemer voor het alternatief stelt om zelf ontslag te nemen (of de overeenkomst in onderling akkoord te beëindigen) dan wel ontslagen te worden om dringende reden maakt geen onrechtmatige druk uit. Er kan echter wel sprake zijn van een onrechtmatige dreiging wanneer de feiten, waarop de dreiging berust, onwaar, onbeduidend en gezocht zijn of wanneer het onrechtmatig karakter van de dreiging volgt uit omstandigheden waarin de werknemer tot de ondertekening van de overeenkomst werd gebracht. Er is sprake van een onrechtmatige druk wanneer de door de werkgever aangevoerde feiten, in de context van de zaak, niet redelijk kunnen beschouwd worden van aard te zijn een ontslag om dringende redenen te verrechtvaardigen en de werkmemer, zonder enige voorafgaande kennisgeving en zonder enige mogelijkheid van bijstand, onmiddellijk na de terugkeer uit een ziekteverlof, voor de keuze gesteld wordt zelf ontslag te nemen dan wel ontslagen te worden wegens dringende redenen. De dreiging met een ontslag om dringende reden is voor een werkneemster met 22 jaar anciënniteit en die 52 jaar oud was op het ogenblik van het ontslag een dreiging met een aanzienlijk en dadelijk kwaad. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Arbeider - Wet van 3 juli 1978 - Wilsgebreken - Ontslagname onder dreiging van een ontslag om dringende redenen. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER MEI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 5e KAMER arbeidsovereenkomst arbeider tegenspraak gedeeltelijk definitief en heropening van de debatten In de zaak : L.T. , wonende te [xxx], appellante, die ter openbare wordt vertegenwoordigd door meester M. Roosen loco meester E. Balate, advocaat te Mons; tegen : NEXANS HARNESSES, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1654 Huizingen, Heideveld 1, ondernemingsnummer 0432.100.455, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester C. Coomans loco meester D. Claes, advocaat te Brussel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de vierde kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 18 maart 2008; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 14 mei 2008; -de conclusies voor de beide partijen; -de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van zijn middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 6 april 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden. * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- Mevrouw L.T. is in dienst getreden van de rechtsvoorgangster van de nv Nexans Harnessens, verder genoemd Nexans, op 1 januari
- Zij bekleedde de functie van ploegverantwoordelijke. In de loop van de maand oktober 2006 diende mevrouw L.T. op verzoek van de nv Nexans een dienstreis te ondernemen naar Schotland. Voor haar kosten ter plaatse werd haar een bepaalde som in contanten meegegeven in Engelse ponden waarvan zij het saldo, na terugkeer, aan de nv Nexans diende terug te betalen. Dit laatste is blijkbaar niet gebeurd. Wel zou mevrouw L.T., volgens haar verklaringen, een afspraak gemaakt hebben met een andere werkneemster die een dienstreis diende te ondernemen met betrekking tot de overdracht van het resterend bedrag. Mevrouw L.T. was in ziekenverlof van 18 december 2006 tot 19 februari
- Op 20 februari 2007 heeft zij zich opnieuw aangeboden bij de firma. Daar werd zij verzocht zich aan te bieden bij de directie, vertegenwoordigd door drie personen. Er werd haar medegedeeld dat het feit dat zij na haar terugkeer uit Schotland in gebreke was gebleven aan de firma de gelden terug te geven, die haar ter beschikking waren gesteld, een ernstige tekortkoming uitmaakte ten aanzien van de arbeidsovereenkomst, die de werkgever het recht gaf om de arbeidsovereenkomst onmiddellijk om dringende reden te beëindigen. Ten einde haar reclassering niet te bemoeilijken werd haar echter voorgesteld de arbeidsovereenkomst in gemeen akkoord te beëindigen. Mevrouw L.T. heeft daarop aansluitend een document ondertekend, waarin de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang in onderling akkoord beëindigd werd. Bij schrijven van haar raadsman van 12 maart 2007 heeft mevrouw L.T. de geldigheid van dit akkoord betwist en gesteld dat zij het slachtoffer was geworden van misleidende manoeuvres en dat zij aan een onrechtmatige druk (geweld) werd blootgesteld.
- Op 12 april 2007 heeft mevrouw L.T. dagvaarding uitgebracht voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Zij vorderde de veroordeling van de nv Nexans tot betaling van een provisioneel bedrag van 40.000,00 euro als verbrekingsvergoeding en een bedrag van 7.000,00 euro als vergoeding wegens abusief ontslag. Verder vorderde zij een vergoeding voor de kosten en het ereloon van haar advocaat en een schadevergoeding wegens het feit dat de firma haar niet in de gelegenheid had gesteld te genieten van een outplacementprocedure.
- Bij vonnis van 18 maart 2008 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel mevrouw L.T. afgewezen van het geheel van haar vorderingen. De arbeidsrechtbank was van oordeel dat de overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst volkomen rechtsgeldig was en dat er geen sprake was van enig wilsgebrek of morele dwang.
- Bij verzoekschrift van 14 mei 2008 heeft mevrouw L.T. hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. In haar beroepsbesluiten vordert mevrouw L.T. de veroordeling van de nv Nexans tot betaling van: de som van 15.692,98 euro als verbrekingsvergoeding; de som van 18.648,57 euro als vergoeding wegens willekeurig ontslag, beide bedragen te verhogen met wettelijke en de gerechtelijke intresten. Mevrouw L.T. vraagt verder de veroordeling van de nv Nexans tot organisatie van een outplacementprocedure. De nv Nexans betwist het geheel van de gevorderde sommen. In ondergeschikte orde vraagt zij dat op de gevorderde sommen enkel intresten zouden toegekend worden, berekend op de overeenstemmende nettobedragen. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte van het vonnis voorgelegd zodat het beroep tijdig werd ingesteld. III. BEOORDELING.
- De gevorderde verbrekingsvergoeding.
- Mevrouw L.T. stelt dat de overeenkomst, die zij ondertekend heeft op 20 februari 2007, nietig dient verklaard te worden, wegens wilsgebreken. Zij stelt dat haar toestemming voor de overeenkomst werd bekomen door listige kunstgrepen, waardoor zij in dwaling werd gebracht en door het morele geweld dat op haar werd uitgeoefend. Zij voert concreet volgende elementen aan: zij werd op de dag van haar werkhervatting in het kantoor van de directeur geroepen zonder dat zij op de hoogte werd gesteld van het voorwerp van het onderhoud, zonder dat haar werd voorgesteld om kennis te nemen van het dossier en zonder dat haar de gelegenheid werd gegeven om beroep te doen op de bijstand van een vakbondsafgevaardigde; er werd haar onvoldoende tijd gegeven om haar verdediging voor te bereiden; er werd haar een overeenkomst zonder vertaling voorgelegd in de Nederlandse taal, die zij niet begreep en die zij overigens niet kon lezen omdat zij haar bril niet bij had. Zij realiseerde zich daarbij niet dat zij verzaakte aan de betaling van een verbrekingsvergoeding en aan het recht op outplacement en dat zij het risico liep blootgesteld te worden aan een sanctie van de RVA; zij werd geïntimideerd door de aanwezigheid van drie directieleden; zij werd, met verwijzing naar het advies van een advocaat die geconsulteerd was, bedreigd met een vordering die tegen haar zou ingesteld worden voor de arbeidsrechtbank en voor de correctionele rechtbank, waarbij zou afgeschilderd wordt als leugenaarster en dievegge.
- De nv Nexans betwist de aangevoerde wilsgebreken. Zij stelt dat aan mevrouw L.T. in de Franse taal de inhoud van de voorgelegde overeenkomst werd uiteengezet zodat zij deze overeenkomst perfect begreep. Zij stelt verder dat mevrouw L.T. vrijwillig heeft afstand gedaan van de bijstand van vakbondsafgevaardigde. De nv Nexans stelt dat niet voldaan is aan de wettelijke voorwaarden opdat er sprake zou zijn van geweld.
- Een arbeidsovereenkomst kan in toepassing van artikel 32 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten en artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek in onderling akkoord worden beëindigd. Een dergelijke overeenkomst is een zelfstandige overeenkomst die aan alle geldigheidvoorwaarden van artikel 1109 van het Burgerlijk Wetboek dient te voldoen. Overeenkomstig artikel 1109 van het Burgerlijk Wetboek is de toestemming in een overeenkomst niet geldig indien zij alleen door dwaling is ingegeven, door geweld is afgeperst of door bedrog is verkregen. Overeenkomstig artikel 1112 van het Burgerlijk Wetboek kan geweld enkel als wilsgebrek worden ingeroepen indien het van aard is dat het op een redelijk mens inruk maakt en hem kan doen vrezen dat hijzelf of zijn vermogen aan een aanzienlijk en dadelijk kwaad is blootgesteld. Daarbij wordt, volgens dezelfde bepaling gelet op de leeftijd, het geslacht en de ‘stand' van de personen. Uit deze laatste bepaling volgt, blijkens een vaststaaande rechtspraak en rechtsleer dat, opdat er sprake kan zijn van het wilsgebrek ‘geweld' moet voldaan zijn aan de volgende cumulatieve voorwaarden: het geweld (dat kan bestaan in een morele dwang) moet determinerend geweest zijn voor de toestemming van het slachtoffer; het geweld moet van aard geweest zijn om indruk te maken op een redelijke persoon; het geweld moet aanleiding geven tot een vrees voor een aanzienlijk en dadelijk kwaad; het geweld moet ongeoorloofd of onrechtmatig zijn. In verband met de laatste voorwaarde heeft het Hof van Cassatie gepreciseerd dat het loutere feit dat de werkgever de werknemer voor het alternatief plaatst hetzij om ontslagen te worden om dringende reden, hetzij zelf zijn ontslag te geven of de overeenkomst te beëindigen in onderling akkoord, op zichzelf niet inhoudt dat op de werknemer een ongeoorloofde of onrechtmatige dwang wordt uitgeoefend (Cass.7 november 1977, Arr. Cass. 1978, 288; Cass.23 maart 1998, JTT 1998, 378).
- Op basis van de elementen van het dossier komt het hof tot de bevinding dat er sprake geweest is van een morele dwang, die onder de noemer "geweld" valt zoals bedoeld door artikel 1112 van het Burgerlijke Wetboek.Mevrouw L.T. werd op de dag dat zij terugkwam uit ziekteverlof, zonder enige voorafgaande ingebrekestelling of verwittiging, geconfronteerd met de directie, bestaande uit drie personen, die haar onmiddellijk mededeelden dat zij ernstige tekortkomingen had begaan die de verbreking van de arbeidsovereenkomst om dringende reden toelieten. Een dergelijk ontslag zou gebeuren indien mevrouw L.T. haar akkoord niet betuigde met een verbreking van de overeenkomst in onderling akkoord. De dreiging met een ontslag om dringende reden is voor een werkneemster met 22 jaar anciënniteit en die 52 jaar oud was op het ogenblik van het ontslag (zoals blijkt uit het rijksregisternr. dat vermeld is op de neergelegde individuele loonfiches) een dreiging met een aanzienlijk en dadelijk kwaad, zelfs indien niet bewezen is dat, zoals mevrouw L.T. aanvoert, dat de afgevaardigden van de nv Nexans zouden gedreigd hebben met een correctionele vervolging. Een ontslag om dringende reden, na zoveel jaar dienst en op die leeftijd, zou immers de herklassering van mevrouw L.T. op de arbeidsmarkt zeer moeilijk, zo niet onmogelijk gemaakt hebben en was van aard ten aanzien van haar familie en omgeving een zeer grote morele schade op de leveren. Een dergelijke dreiging was van aard om indruk te maken op een redelijk persoon en er kan aangenomen worden dat zij determinerend is geweest voor de instemming van mevrouw L.T. met een beëindiging van de overeenkomst in onderling akkoord.
- Blijft dan de vraag of de druk van de werkgever onrechtmatig was. Zoals gesteld maakt het enkele feit dat de werkgever de werknemer voor het alternatief stelt om zelf ontslag te nemen (of de overeenkomst in onderling akkoord te beëindigen) dan wel ontslagen te worden om dringende reden geen onrechtmatige druk uit. De wet geeft immers aan de werkgever de mogelijkheid om de overeenkomst ingeval van ernstige tekortkoming om dringende reden te verbreken. De loutere omstandigheid dat, bij een a posteriori beoordeling, de rechter van oordeel is dat de ingeroepen feiten onvoldoende ernstig waren om een dergelijk ontslag te rechtvaardigen maakt de dreiging op zich niet onrechtmatig. Er kan echter wel sprake zijn van een onrechtmatige dreiging wanneer de feiten, waarop de dreiging berust, onwaar, onbeduidend en gezocht zijn (cfr. Arbh. Brussel 27 juni 2003, www.juridat.be; Arbh. Luik 14 mei 1992, Soc. Kron. 1993,69, Arbh. Luik, 12 januari 2006, JTT 2007, 49) of wanneer het onrechtmatig karakter van de dreiging volgt uit omstandigheden, waarin de werknemer tot de ondertekening van de overeenkomst werd gebracht. (Cass. 24 maart 2003, Soc. Kron. 2003, 449). Bij het onderzoek van het dossier en van de besluiten komt het hof tot de bevinding dat de werkgever geen enkele informatie aanbrengt met betrekking tot de feiten, die een ontslag om dringende reden hadden kunnen rechtvaardigen, noch met betrekking tot het zwaarwichtig karakter van deze feiten. Alleen geweten is dat mevrouw L.T., na een reis naar Schotland, in gebreke gebleven is aan haar werkgever het saldo terug te geven van een som die ter beschikking gesteld was voor uitgaven ter plaatse. Uit geen enkel document blijkt om welk bedrag het gaat. Evenmin blijkt of, na de reis, een tegensprekelijk afrekening werd opgemaakt, waaruit dit saldo bleek. Alhoewel het saldo verschuldigd was sinds de maand oktober 2006, wordt geen enkel document voorgelegd waaruit blijkt dat mevrouw L.T. ooit aangemaand werd om dit saldo te regelen. De nv Nexans verwijst naar mondelinge ingebrekestellingen, doch deze worden betwist door mevrouw L.T.. De nv Nexans verwijst ook naar gelijkaardige problemen in het verleden, maar legt ook daarvoor geen enkel document voor, alhoewel dit feit betwist wordt. Mevrouw L.T. van haar kant legt een document voor waaruit blijkt dat zij een afspraak had om dit saldo te regelen via een andere werkneemster, die naar Schotland diende te vertrekken. De volledige afwezigheid van enige reactie van de nv Nexans in de periode tussen einde oktober 2006 en het ogenblik van het ontslag kan slechts geïnterpreteerd worden als een instemming of een gebruikelijke soepelheid inzake de regeling van dergelijke zaken, hetzij als een verregaande laksheid van de werkgever, die mevrouw L.T. kon doen geloven dat er helemaal geen haast was bij de verrekening van het saldo. In die omstandigheden, in afwezigheid van enige ingebrekestelling en ten aanzien van feiten, waarvoor de termijn voor een ontslag om dringende redenen duidelijk verstreken was (er wordt in dit verband niet aangevoerd van dat de beslissing genomen werd nadat mevrouw L.T. over de feiten gehoord werd), kon de nv Nexans, al dan niet verwijzend naar het gezag van een advocaat, niet in redelijkheid ten aanzien van mevrouw L.T. voorhouden dat de niet-terugbetaling van het saldo van de uitgaven voor de maand oktober 2006, op 20 februari 2007 een dringende reden voor ontslag zou kunnen uitmaken. De dreiging met een ontslag om dringende reden was op die basis onrechtmatig. De dreiging was bovendien onrechtmatig door de omstandigheden waarin ze plaatsvond. Mevrouw L.T., die net terugkwam uit ziekteverlof als gevolg van een heelkundige ingreep die zij diende te ondergaan, werd plots, zonder dat zij zich van iets bewust was en zonder zich ook maar op enige wijze te kunnen voorbereiden, geconfronteerd met het alternatief om hetzij de overeenkomst in onderling akkoord te beëindigen, hetzij ontslagen te worden om dringende reden. Een dergelijke houding ten aanzien van een werkneemster met 22 anciënniteit, en zonder dat er omstandigheden waren die een dringende beslissing noodzakelijk maakten, kan enkel verklaard worden door de duidelijke bedoeling de toestemming tot beëindiging van arbeidsovereenkomst in onderling akkoord te bekomen op basis van een verrassingseffect, waarbij mevrouw L.T. onder druk van de omstandigheden haar akkoord zou betuigen.
- Het hof is dan ook van oordeel dat de toestemming van mevrouw L.T. met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord, bekomen werd door een onrechtmatige morele dwang, zodanig dat er geen geldige toestemming was in de overeenkomst. Het gevolg daarvan is dat de nv Nexans onrechtmatig de overeenkomst verbroken heeft en een verbrekingsvergoeding verschuldigd is. In laatste besluiten zijn partijen akkoord over het bedrag van de verbrekingsvergoeding waarop mevrouw L.T. ingevolge haar anciënniteit recht heeft. Het gaat om een bedrag van 15.692,99 euro bruto (154 d x 7,50 u. x 13,587). Alleen bestaat er betwisting over de berekeningsbasis van de intresten. Mevrouw L.T. stelt dat intresten verschuldigd zijn op het brutobedrag van de veroordeling en verwijst daarbij naar art. 82 van de wet van 26 juni 2002 en art. 1 en 2 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 tot uitvoering van deze wet. De nv Nexans is van oordeel dat alleen intresten kunnen toegekend worden op het netto bedrag van de veroordeling en verwijst daarbij naar rechtspraak die oordeelt dat het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 onwettig is. Overeenkomstig artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 tot wijziging van artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers wordt de rente op het loon berekend vooraleer de in artikel 23 van de wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Overeenkomstig artikel 90 van de wet van 26 juni 2002 heeft de nieuwe wet uitwerking op de door de Koning te bepalen datum. Overeenkomstig artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 treden de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juli 2002 in werking op 1 juli
- Volgens artikel 2 van hetzelfde Koninklijk Besluit heeft artikel 1 betrekking op het loon waarop het recht op betaling ontstaat na 1 juli
- Deze bepaling heeft aanleiding gegeven tot heel wat betwistingen in de rechtspraak met betrekking tot de vraag of de Koning de inwerkingtreding van de wet mocht beperken tot de lonen waarop het recht op betaling ontstond na 1 juli 2005 en met betrekking tot de vraag of dit Koninklijk Besluit wettelijk was nu het niet aan het voorafgaand advies van de Raad van State was onderworpen. Aan deze betwistingen wordt een einde gesteld door artikel 69 van de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen, dat bepaalt : "Het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen wordt bekrachtigd." Art. 70 van dezelfde wet bepaalt dat artikel 69 uitwerking heeft met ingang van 1 juli
- Vermits in casu het recht op de verbrekingsvergoeding ontstaan is na 1 juli 2005, dienen intresten toegekend te worden op het brutobedrag van de veroordeling.
- De vergoeding wegens willekeurig ontslag.
- Mevrouw L.T. voert aan dat haar ontslag willekeurig was in de zin van artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten. Zij stelt dat de nv Nexans geen ernstig reden had om haar te ontslaan (de door de nv Nexans aangevoerde redenen konden in geen enkel geval een ontslag om dringende reden rechtvaardigen) en dat de werkelijke reden voor haar ontslag het feit was dat de onderneming in economische moeilijkheden verkeerde en er geen werk meer voor haar voorhanden was.
- Overeenkomstig artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten wordt onder willekeurige ontslag verstaan, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst. Bij betwisting behoort het aan de werkgever het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen redenen. Opdat het ontslag niet willekeurig zou zijn in de zin van artikel 63, volstaat het dat vastgesteld wordt dat het ontslag verband houdt met het gedrag of de geschiktheid van de werkman, zonder dat moet vastgesteld worden dat het gedrag foutief is.(Cass. 6 juni 1994, Arr. Cass.1994, 584; Cass. 7 mei 2001, JTT 2001, 408, noot WANTIEZ). De rechter kan zich niet in de plaats stellen van de werkgever om te oordelen of het gedrag van de werkman het ontslag verrechtvaardigde. Wel moet onderzocht worden of het ingeroepen feit in redelijkheid de oorzaak van het ontslag kan uitmaken. De werkgever, die een voor onbepaalde tijd aangeworven werkman op willekeurige wijze afdankt, dient een vergoeding te betalen die overeenstemt met het loon van zes maanden.
- Het wordt door mevrouw L.T. niet ontkend dat zij, na haar terugkeer uit Schotland, nog een bepaalde som geld aan haar werkgever verschuldigd was en dat zij nagelaten heeft spontaan tot regeling van deze schuld over te gaan, terwijl er toch een zekere tijd verstreken was. Aldus is er sprake van een tekortkoming, die weliswaar geen ontslag om dringende reden kon verrechtvaardigen, maar die toch kan aanzien worden als een "gedrag" waarop het ontslag door de werkgever gesteund werd. Bovendien is het zo dat indien, zoals mevrouw L.T. aanvoert, de werkelijke reden van het ontslag gelegen is in het feit dat de firma geen werk meer voor haar had, het ontslag dan gesteund is op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, zodanig dat het om die reden niet willekeurig is.
- De vordering tot betaling van een vergoeding wegens willekeurig ontslag is dan ook ongegrond.
- De outplacementprocedure.
- Mevrouw L.T. is van oordeel dat zij, gelet op haar leeftijd en de omstandigheid dat zij in feite door haar werkgever ontslagen werd, recht had op een outplacement procedure in de zin van artikel 3 van de cao nr. 82 van 10 juli
- De nv Nexans stelt in hoofdorde dat mevrouw L.T. geen recht had op deze procedure vermits de overeenkomst in onderling akkoord beëindigd werd. Zij stelt anderzijds dat noch de cao, noch artikel 15 van de wet van 5 december 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers voorzien in een sanctie ten voordele van de werknemer, wanneer de werkgever de outplacement procedure niet naleeft.
- Uit hetgeen het hof heeft vastgesteld m.b.t. de nietigheid van de overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsbetrekking, blijkt dat mevrouw L.T. in feite ontslagen werd. Er wordt niet betwist dat zij aan de leeftijd en aan de anciënniteitvoorwaarde voldeed om aanspraak te maken op het voordeel van een outplacement begeleiding. De wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, de C.A.
- nr. 82 van10 juli 2002 betreffende het recht op outplacement voor werknemers van 45 jaar en ouder die worden ontslagen, en het Koninklijk Besluit van 23 januari 2003, tot de uitvoering van de wet van 5 september, voorzien in een regeling ingeval een werkgever de hem opgelegde verplichtingen niet naleeft. Deze regeling houdt in dat de werknemer zich in dat geval, na zijn werkgever behoorlijk in gebreke gesteld te hebben, kan richten tot de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, die de outplacementverplichting van de werknemer zal ten laste nemen maar de kosten daarvan forfaitair zal verhalen op de werkgever (art. 15 van de wet 5 september 2001, art. 12 van de C.A.O. en art. 4 e.v. van het Koninklijk Besluit van 23 januari 2003). Problematisch in voorliggende betwisting is dat, zolang de rechtbank of het hof niet vastgesteld hadden dat de overeenkomst tot minnelijke verbreking van de arbeidsovereenkomst nietig was, mevrouw L.T. wellicht niet aan de voorwaarden voldeed om een tussenkomst van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te bekomen. Mevrouw L.T. legt ook geen gegevens voor waaruit blijk dat zij een aanvraag ingediend heeft bij de Rijksdienst en welk gevolg daaraan werd voorbehouden. Ook is niet zeker dat de vraag van mevrouw L.T. om te genieten van een outplacement, thans meer dan twee jaar na de feiten, nog nuttig is. Principieel dient geoordeeld te worden dat mevrouw L.T. recht heeft op een outplacement begeleiding. Voor de beoordeling van de modaliteiten waarin dit recht op dit ogenblik nog kan uitgeoefend worden past het een heropening van de debatten te bevelen. Het vastleggen van conclusietermijnen lijkt in de huidige stand van zaken niet nuttig te zijn. Mevrouw L.T. dient uiteraard tijdig de nv Nexans te informeren over haar huidige werksituatie, over de vraag of zij nog een outplacement wenst en of zij ooit een effectief een aanvraag heeft ingediend bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, dit teneinde de nv Nexans toe te laten een standpunt in te nemen.
- De kosten. Vermits de oorspronkelijke vordering van mevrouw L.T. gedeeltelijke gegrond is en gedeeltelijk ongegrond, dienen de kosten van de procedure tussen partijen ongeslagen te worden. De nv Nexans wordt veroordeeld tot 2/3e van de kosten; mevrouw L.T. wordt veroordeeld tot 1/3e van de kosten. De begroting van de kosten zelf wordt aangehouden. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet in zoverre het mevrouw L.T. afwijst van haar vordering tot het bekomen van een verbrekingsvergoeding en tot het bekomen van een outplacementbegeleiding. Veroordeelt de nv Nexans tot betaling aan mevrouw L.T. van de som van 15.692,99 euro bruto als verbrekingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 20 februari 2007 en de gerechtelijke intresten. Zegt voor recht dat mevrouw L.T. aanspraak kan maken op een outplacement begeleiding. Alvorens uitspraak te doen over de modaliteiten van outplacementbegeleiding, heropent de debatten en stelt de zaak vast op de zitting van 21 september 2009 te 14u
- Houdt de kosten aan. Aldus gewezen door de vijfde kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; C. Van Lidth de Jeude, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; P. Mans, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven P. Mans C. Van Lidth de Jeude en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vier mei tweeduizend en negen van de vijfde kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090504.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div