id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 05 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090505.19 Rolnummer: 49.558 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Overige Invoerdatum: 2009-10-13 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 19:41 Fiche 1 De vordering, die de werknemer tegen zijn werkgever instelt met betrekking tot de uitoefening van de rechten die uit een pensioenplan voortvloeien, valt onder toepassing van artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, onder het enkele voorbehoud dat de verjaring pas begint te lopen op het ogenblik dat het recht, dat voortvloeit uit het pensioenplan, kan uitgeoefend worden. Wanneer de pensioenrechten van de werknemer het voorwerp uitmaken van een groepsverzekering, afgesloten door de werkgever, kan uit deze verzekeringsovereenkomst een recht ontstaan van de werknemer ten aanzien van de verzekeraar, met betrekking tot de uitvoering van de eigen verplichtingen van de verzekeraar, waarop art. 15 van de wet van 3 juli 1978 niet van toepassing is. Wanneer het voorwerp van de vordering echter de vaststelling is van de rechten die uit het pensioenplan voortvloeien, kan deze vordering niet gesteld worden tegen de verzekeraar. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Verjaring (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Verjaring - Verzekeringen - Aanvullende pensioenen - Vordering met betrekking tot de rechten voortvloeiend uit een aanvullend pensioen. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I A art.
- Fiche 2 De werknemer die zijn werkgever gedagvaard heeft op basis van de wet van 3 juli 1978 met betrekking tot de rechten voortvloeiend uit een pensioenplan, kan in de loop van het geding de vordering uitbreiden en richten tegen de door hem gedagvaarde werkgever, die tevens de verzekeraar is van het aanvullend pensioen. Door de werkgever aan te spreken niet enkel op basis van de arbeidsovereenkomst die hij met hem aanging, maar ook op basis van de rechten die hij ten aanzien van deze rechtspersoon kan laten gelden als derde begunstigde van een verzekeringspolis, wijzigt de werknemer niet de hoedanigheid van de gedagvaarde partij maar enkel de wettelijke grondslag van de vordering. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Nieuwe eis Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Hoedanigheid - Uitbreiding van de vordering in de loop van het geding t.a.v. de werkgever, die tevens verzekeraar is. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 807 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Gerangschikt onder I A art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art.
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 MEI
- 3DE KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Heropening der debatten In de zaak: V.L. , wonende te [xxx]. Appellant, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr A. BERGMANS, advocaat te Leuven. Tegen: K.B.C.-VERZEKERINGEN, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3000 LEUVEN, Waaistraat
- Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr A. VAN DAMME loco Mr C. ENGELS, advocaat te Brussel. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Leuven op 16 oktober 2003; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 20 februari 2007; - de besluiten, aanvullende en synthesebesluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 7 april 2009 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de door de partijen neergelegde stukken. I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- De heer V.L. was van 5 september 1961 tot 30 april 1995 in dienst van de nv ABB - Assurantie van de Belgische boerenbond, rechtsvoorganger van KBC Verzekeringen. Op 30 april 1995 werd een einde gesteld aan zijn arbeidsovereenkomst mits betaling van een verbrekingsvergoeding. In het kader van zijn tewerkstelling was de heer V.L. aangesloten bij het pensioenplan PKBB (Pensioenkas Belgische boerenbond) dat was ingesteld te voordele van de werknemers van ABB en van een aantal andere vennootschappen van de groep Boerenbond. Dit reglement voorzag in zijn artikel 10 een zogenaamde "aanvullende verzekering op einddatum", waarbij ABB op einddatum een kapitaal verzekerde dat gelijk was aan het vestigingskapitaal van een ouderdomsrente. De rente, die als basis diende voor de berekening van het kapitaal was gelijk aan 65 % van het loon van de laatste 12 maanden tewerk-stelling, verhoogd met de 13e maand. Op dit bedrag diende het wettelijk pensioenbedrag in mindering gebracht te worden waarbij eveneens bepaald werd dat " indien de bediende een gezinspensioen kan bekomen wordt dit in de becijfering weerhouden". De heer V.L. werd 60 jaar op 4 januari 2001 en ging op wettelijk pensioen op 1 februari
- Op dat ogenblik heeft hij in toepassing van het groeps-verzekeringsreglement het pensioenkapitaal opgevraagd waarop hij aanspraak kon maken. Deze aanvraag gebeurde bij KBC Verzekeringen zelf die als verzekeringsmaatschappij, een overeenkomst van groepsverzekering had afgesloten bij zichzelf. Het kapitaal werd uitbetaald op 7 februari
- Op dat ogenblik is een betwisting ontstaan over de aftrek die voorzien was in het pensioenreglement voor wat betreft het wettelijk pensioen. KBC Verzekeringen heeft in functie van de gezinsstatus van de heer V.L. rekening gehouden met het gezinspensioen, terwijl volgens de heer V.L. alleen rekening kon gehouden worden met het wettelijk pensioen dat hij genoot als alleenstaande. De echtgenote van de heer V.L. werkte immers nog zodanig dat er geen recht was op een gezinspensioen.
- Op 25 oktober 2002 heeft de heer V.L. KBC Verzekeringen gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Leuven. Hij vorderde de betaling van een aanvullend pensioenkapitaal van 54.824,97 euro . Deze vordering werd in de loop van het geding uitgebreid tot een hoofdsom van 81.462,65 euro en een bedrag in onder-geschikte orde van de 55.518,21 euro . De totale uitgebreide vordering steunde op 3 elementen:
(1)de onjuiste aanrekening van het wettelijk pensioen (voorwerp van de oorspronkelijke vordering);
(2)het niet in aanmerking nemen van de een premie voor de berekening van het loon en
(3)de toepassing van een foutieve kapitalisatie-factor bij de vaststelling van het kapitaal. KBC Verzekeringen riep voor de arbeidsrechtbank de verjaring in van de vordering. In ondergeschikte orde pleitte zij de ongegrondheid van de vordering
- Bij vonnis van 16 oktober 2003 oordeelde de arbeidsrechtbank te Leuven dat de vordering niet verjaard was. De arbeidsrechtbank was van oordeel dat vermits de vordering ontstaan was na het einde van de arbeidsovereenkomst, artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten daarop geen toepassing kon vinden, maar alleen de gemeenrechterlijke verjaringstermijn. Ten gronde werd de vordering echter afgewezen. De arbeidsrechtbank was van oordeel dat, in toepassing van het pensioenreglement, KBC Verzekeringen terecht het bedrag van het gezinspensioen in mindering had gebracht van het kapitaal. De rechtbank wees eveneens de andere vorderingen af als strijdig met het pensioenreglement.
- Bij verzoekschrift van 20 februari 2007 heeft de heer V.L. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank. KBC Verzekeringen stelt bij besluiten incidenteel beroep in tegen het vonnis in zoverre de eerste rechter de vordering niet verjaard verklaarde. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte van het vonnis voorgelegd zodat het beroep tijdig werd ingesteld. III. BEOORDELING.
- De in aanmerking neming van het wettelijk pensioen.
- KBC Verzekeringen roept in haar beroepsconclusies in dat de vordering verjaard is. Zij stelt dat de vordering wel degelijk haar grondslag vindt in de arbeidsovereenkomst die tussen de partijen bestaan heeft, zodat artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 van toepassing is. Wel aanvaardt KBC Verzekeringen dat, overeenkomstig de recente cassatierechtspraak, toepassing dient gemaakt te worden van artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek, zodanig dat de verjaring van de vordering slechts kon beginnen te lopen op het ogenblik dat het kapitaal van de groepsverzeke-ring voor de eerste maal opeisbaar was, d.i. op 4 januari 2001, ogenblik waarop de heer V.L. de leeftijd bereikte om zijn recht op het aanvul-lende pensioen te kunnen opeisen. De dagvaarding werd echter uitgebracht meer dan een jaar na deze datum.
- De heer V.L. voert, en dit voor het eerste maal in graad van beroep, in hoofdorde aan dat zijn vordering voortvloeit uit een verzekeringsovereen-komst en dat de verjaring ervan derhalve dient beoordeeld te worden overeenkomstig artikel 34 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsover-eenkomst. De verjaringstermijn zou aldus 3 jaar bedragen (art. 34 § 1 lid 1 van de wet) of zelfs 30 jaar (art. 34 § 1, lid 4). In ondergeschikte orde herneemt de heer V.L. de stelling van de eerste rechter dat niet de termijn van artikel 15 van 3 juli 1978 van toepas-sing is, maar wel de gemeenrechtelijke verjarings-termijn.
- In zoverre de vordering steunt op de arbeidsovereen-komst die tussen de partijen bestaan heeft is artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 van toepassing. Artikel 15 is immers niet beperkt tot de betwistingen die ontstaan tijdens de arbeidsovereen-komst of op het ogenblik van de beëindiging ervan. Het is van toepassing op alle betwisting die, rechtstreeks of onrechtstreeks, hun oorsprong vinden in de arbeidsovereenkomst die tussen partijen bestaan heeft, ook al ontstaat de betwisting zich nadat de arbeidsovereenkomst beëindigd is (Cass. 13.11.2006, J.T.T. 2007, 224; Arbh. Brussel, 3e kamer, 26.01.2007, A.R. 44.965 D. t KBC; Arbh. Antwerpen 3.06.2002, R.W. 2004-2005, 308; Arbh.Antwerpen, 22.04.2005, A.R. 204426) . Wel begint, wanneer het gevorderde recht slechts opeisbaar wordt na de beëindiging van de arbeids-overeenkomst, de verjaring slechts te lopen, op het ogenblik dat het recht opeisbaar wordt. In casu was dit op 4 januari
- De vordering werd slechts ingeleid meer dan een jaar na deze datum.
- Wanneer de pensioenverplichting, die de werkgever op zich genomen heeft het voorwerp uitmaakt van een groepsverzekering, kan er een vordering ontstaan van de werknemer ten aanzien van deze verzekeraar, met name m.b.t. de eigen verplichtingen die de verzeke-raar heeft opgenomen in het kader van de overeen-komst van groepsverzekering. Ingevolge een beding ten behoeve van derden neemt de verzekeraar dan immers de verplichting op om de in het pensioenplan (dat aan iedere groepsverzekering dient ten grond-slag te liggen) vastgelegde rechten te verzekeren en uit te betalen. De vordering die de werknemer inleidt tegen de verzekeraar vindt in dat geval zijn oorsprong in de verzekeringsverbintenis die de ver-zekeraar heeft opgenomen, en valt onder toepassing van de verjaringstermijnen voorzien door de wet op de landverzekering.
- Deze verbintenis van de verzekeraar, bestaat echter slechts ten belope van de vastgelegde rechten. Wanneer de werknemer van oordeel is dat een pensioenreglement hem ten onrechte bepaalde voordelen niet toekent, dan beschikt hij niet over een vordering tegen de verzekeraar, precies omdat deze zich enkel verbonden heeft m.b.t. de rechten die in het pensioenplan voorzien waren.
- In casu betreft de betwisting tussen partijen, althans voor hetgeen initieel gevorderd werd, niet de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst maar wel het achterliggende pensioenplan, dat door de werkgever zo geïnterpreteerd en toegepast wordt dat bij de vaststelling van de pensioenenrechten van de gehuwde werknemer rekening gehouden wordt met het bedrag van het gezinspensioen, zelfs indien de werknemer in feite geen gezinspensioen ontvangt omdat, zoals in casu, de echtgenote nog werkt. Deze betwisting is volgens het hof een betwisting die uitsluitend de uitvoering van de verbintenissen opgenomen in het kader van de arbeidsovereenkomst en het daarin geïntegreerde pensioenplan tot voorwerp heeft en kan dan ook enkel ingesteld worden tegen de werkgever (behoudens de mogelijkheid de verzekeraar in tussenkomst te dagvaarden ten einde hem het tussen te komen vonnis of arrest gemeen te horen verklaren).
- De omstandigheid dat in voorliggende zaak KBC Verzekeringen zowel werkgever als verzekeraar is kan er dan ook niet toe leiden dat toepassing zou gemaakt worden van de verjaringstermijnen voorzien door de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. De vordering is dan ook verjaard zodat het hoger beroep op die basis moet afgewezen worden.
- De inrekening van een premie in het loon, dat als basis dient voor de voorstelling van de rente. Om de redenen uiteengezet sub 1 dient ook dit onderdeel van de vordering als verjaard beschouwd te worden. De bepaling van het loon, waarmee rekening wordt behouden bij de vaststelling van de rente, maakt immers deel uit van het pensioenreglement. De vordering is aldus gesteund op de pensioenaanspraken zoals die vastgelegd werden tussen werkgever en werknemer en steunt uitsluit op de arbeidsovereen-komst. Ten overvloede dient opgemerkt te worden dat de heer V.L. geen enkel argument aanvoert dat zijn aanspraak ter zake kan onderbouwen.
- De aanpassing van het kapitaal ingevolge de toe-passing van een verschillende kapitalisatievoet.
- Voor de berekening van het kapitaal dat zan de heer V.L. uitbetaald werd, is KBC Verzekeringen uitgegaan van een kapitalisatiefactor van 11,8071 wat haar bracht tot een uit te betalen kapitaal van 82.923,58 euro (of 3.345.129,00 BF) bruto. Volgens de heer V.L. had echter dienen uitgegaan te worden van een kapitalisatiefactor van 16,119, of minstens 13,
- Bij deze vordering wordt echter geen enkele toelichting verstrekt zodanig dat het hof ook niet in staat is vast te stellen of deze vordering steunt op het pensioenplan, zoals het van kracht was in relatie van werkgever tot werknemer, dan wel of deze vordering steunt op een onjuiste uitvoering van het pensioenplan door KBC Verzekeringen als verzekeraar, hetgeen zijn belang heeft zijn voor de beoordeling van de in hoofdorde ingeroepen verjaring van de vordering. Een heropening van de debatten dient dan ook bevolen te worden ten einde de heer V.L. toe te laten de rechtsgrond te preciseren van zijn vorde-ring en verder aan te duiden waarop hij zich steunt voor de betwisting inzake de kapitalisatiefactor.
- De stelling van KBC Verzekeringen dat de vordering tegen haar als verzekeraar onontvankelijk is, omdat zij niet in die hoedanigheid in het geding betrokken is, dient afgewezen te worden. De vereiste dat de partij die een vordering instelt daarvoor overeenkomstig artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek " hoedanigheid", moet hebben en dat, omgekeerd de vordering ook alleen kan ingesteld worden tegen de partij die de hoedanigheid heeft om zich te verweren tegen de aanspraak(met als gevolg dat die hoedanigheid niet in de loop van het geding kan gewijzigd worden) houdt verband met de rechts-titel die een partij moet hebben om een geschil aan de rechter voor te leggen. De hoedanigheid slaat op het verband tussen de materiële rechtspartij en het voorwerp van de eis (cfr. J. Petit, Sociaal Proces-recht, Die Keure, 2000, p.78 met verdere verwij-zingen). De problematiek van de hoedanigheid is aldus aan de orde wanneer de persoon die in rechte optreedt een andere is dan de titularis van het recht ( bvb. de voogd die optreedt voor een minder-jarige of de curator die optreedt in het kader van een faillissement). Werd een vordering ingeleid tegen een persoon die optreedt in naam van een andere, dan kan die vordering niet in de loop van het geding worden uitgebreid tot die persoon die handelen in eigen naam, niet bvb. tot de voogd in eigen naam of tot de curator in eigen naam. De door KBC Verzekeringen ingeroepen cassatierechtspraak heeft betrekking op deze hypotheses. In casu is de vordering niet ingeleid tegen KBC Verzekeringen in een bepaalde specifieke hoedanigheid, maar tegen KBC Verzekeringen als dusdanig. Door KBC Verzekeringen aan te spreken niet enkel op basis van de arbeids-overeenkomst die hij met haar aanging, maar ook op basis van de rechten die hij ten aanzien van KBC Verzekeringen kan laten gelden als derde begunstigde van een verzekeringspolis, wijzigt de heer V.L. enkel de wettelijke grondslag van de vordering.
- Evenmin kan KBC Verzekeringen gevolgd worden in haar stelling dat de heer V.L. door de ondertekening van de verzekeringskwitantie afstand zou gedaan hebben van iedere betwisting, andere dan deze waarvoor zij uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt heeft. Door de ondertekening van een verzekerings-kwitantie erkent in de regel de verzekeringnemer of de begunstigde van de kwitantie enkel de betaling ontvangen te hebben van de verzekeringstussenkomt. Een afstand van recht kan enkel afgeleid worden uit een uitdrukkelijke vermelding in de kwitantie, die in casu niet voorhanden is. Ook uit het feit dat melding gemaakt wordt van één voorbehoud kan geen berusting afgeleid worden ten aanzien van alle andere rechten die uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeien. OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk; Zegt voor recht dat de vordering van de heer Linthout verjaard is in zoverre ze betrekking heeft op de aanpassing van het pensioenkapitaal, ingevolge het in aanmerking nemen van een ander bedrag voor het wettelijk pensioenen en in zoverre ze betrekking heeft op de aanpassing van het loon, dat in aanmer-king genomen werd voor de berekening van het kapitaal; Heropent de debatten met betrekking tot de vast-stelling van de toepasselijke kapitalisatie-coëfficiënt; Stelt, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak de conclusietermijnen als volgt vast : - voor de heer V.L. : uiterlijk op 30 juni 2009; - voor K.B.C. Verzekeringen : uiterlijk op 31 augustus 2009, - voor de heer V.L. : aanvullende besluiten uiterlijk op 30 september 2009; - voor K.B.C. Verzekeringen : aanvullende besluiten uiterlijk op 30 oktober 2009, Stelt deze heropening der debatten vast op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van 1 december 2009 te 14 uur, in de zaal 0.6, Poelaert-plein 3 te 1000 Brussel; Houdt de beslissing nopens de gerechtskosten aan; Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : Mr. F. KENIS: Raadsheer. De Heren : G. JACOBS : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, R. VANDENPUT : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, En bijgestaan door : D. DE RAEDT : Griffier, G. JACOBS, R. VANDENPUT, D. DE RAEDT, F. KENIS, En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 5 mei 2009 door Mr. F. KENIS, Raadsheer, bijgestaan door D. DE RAEDT, griffier, D. DE RAEDT, F. KENIS, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090505.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div