← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090508.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 08 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090508.4 Rolnummer: 49.490 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-06-10 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 19:43 Fiche Wanneer in een IBO-overeenkomst geen forfaitaire schadevergoeding bepaald is voor de schending van het werkzekerheidsbeding, dan moet deze schade in concreto worden bepaald en bewezen en dan kan de schade reeds volledig vergoed zijn door de opzeggingsvergoeding, verschuldigd bij de verbreking van de arbeidsovereenkomst, die op de IBO-overeenkomst volgt. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Werkgelegenheid - Tewerkstelling - Beroepsopleiding - Beroepsopleiding - Vlaamse Gemeenschap SOCIAAL RECHT - ARBEID - Werkgelegenheid - Tewerkstelling - Beroepsopleiding - Tewerkstellning - Vlaanderen Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - BEROEPSOPLEIDING - IBO-overeenkomst. Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Executieve - 21-12-1988 - 128 - 36 ELI link Pub nr 1989029017 Nota: Gerangschikt onder Besluit Vlaamse Executieve van 21/12/1988, art.

  1. Annotaties Publicaties: - (niet gepubliceerd) - Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 MEI
  2. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Mevrouw B. L., handeldrijvend onder de benaming GOBO, Appellante, vertegenwoordigd door Mter M. Bracke loco Mter B. Gijsen, advocaat te 9200 Dendermonde; Tegen : De Heer C. B., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mevr. M. De Ké, syndicaal afgevaardigde, drager van volmacht; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (12de kamer) op 12 september 2006; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 2 februari 2007; - de besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 28 februari 2007 en 12 december 2008; - de besluiten voor appellante partij neergelegd ter griffie op 15 september 2008; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 13 februari 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 10 april 2009; appelante partij legde een bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x 1.FEITEN EN RECHTSPLEGING. Op 5 april 1993 ondertekende de heer C. B. als cursist een overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming ( hierna genoemd IBO-overeenkomst) samen met mevrouw B. L., vertegenwoordigster van de onderneming GOBO en met de V.D.A.B. De overeenkomst had tot doel om de heer C. het beroep van vertegenwoordiger te leren en gold voor een periode van 8 weken van 5 april 1993 tot 28 mei
  3. Nadien werd deze overeenkomst verlengd voor een periode van 4 weken van 28 mei 1993 tot 26 juni
  4. In artikel 2f van deze overeenkomst(en) gaat de onderneming de verbintenis aan om de cursist vanaf de eerste kalenderdag na de opleiding in dienst te nemen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en hem te werk te stellen onder de voor zijn beroep geldende voorwaarden en onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende het beëindigen van de arbeidsovereenkomst om een dringende reden, geen einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst dan ten vroegste na verloop van de tijd overeenstemmend met de duur van de opleiding, zijnde hier 12 weken. Na het verloop van deze termijn, zou de heer C. B. volgens zijn versie nog enige tijd hebben verder gewerkt in het kader van een mondelinge arbeidsovereenkomst; volgens de versie van mevrouw B. zou zij aan de heer C. een arbeidsovereenkomst voor bedienden, zoals opgesteld door haar sociaal secretariaat, hebben voorgelegd, maar zou de heer C. deze overeenkomst geweigerd hebben en een onmogelijke houding hebben aangenomen, wat zij gelijkstelt met een ontslag om dringende reden. Alleszins had er op 9 juli 1994 een onderhoud plaats met de V.D.A.B omtrent deze situatie. Op 14 juli 1993 schreef de heer C. een brief aan mevrouw B. waarin hij betreurde dat zij afzag van verdere samenwerking; op 23 juni 1993 betwistte de heer C. de versie van mevrouw B. en verwees zij naar de vaststelling van de VDAB dat na de opleiding mevrouw B. geen arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd heeft willen aanbieden. Op 2 augustus 1993 werd mevrouw B. in gebreke gesteld door de vakorganisatie van de heer C., waarbij een premie, commissielonen en een verbrekingsvergoeding werd gevorderd. De briefwisseling tussen raadsman van mevrouw B. en de vakorganisatie van de heer C. bracht geen oplossing, zodat de heer C. op 20 juni 1994 dagvaarding uitbracht voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van: - een opzeggingsvergoeding van 3 maanden of euro 5.149,99 - loonachterstal van euro 800,10 - vakantiegeld bij het dienstverlening van euro 118,42 - een onkostenvergoeding van euro 97,62 - feestdagenloon voor 21 juli 1993 van euro 68,64 al deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten; bijkomend vroeg hij ook nog de afgifte van de overeenstemmende sociale en fiscale documenten. Op 10 september 1998 bracht de heer C. een bijkomende dagvaarding uit in betaling van een gemeenrechtelijke schadevergoeding wegens het niet naleven van het conventioneel beding van vastheid van betrekking, door hem becijferd op euro 4.073,09, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten; bijkomend vroeg hij ook nog de afgifte van de overeenstemmende sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom. Mevrouw B. stelde een tegenvordering in terugbetaling van een niet begrote provisie. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 12 september 2006 werden de vorderingen gesteld in beide dagvaardingen wegen samenhang samengevoegd en werden de hoofdvorderingen van de heer C. ontvankelijk en gegrond verklaard, terwijl de tegenvordering onontvankelijk werd verklaard wegens verjaring. Mevrouw B. werd ook nog veroordeeld tot betaling van de kosten van de eerste dagvaarding of euro 83,
  5. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 2 februari 2007, tekende mevrouw B. hoger beroep aan tegen dit vonnis en vroeg zij dat het zou worden vernietigd door de ongegrondverklaring van de oorspronkelijke vorderingen en de gegrondverklaring van de tegenvordering, met veroordeling van de heer C. tot de volledige gerechtskosten.
  6. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.
  7. Kwam er na de IBO-overeenkomst een mondelinge arbeidsovereenkomst tot stand? Zoals uit het feitenrelaas blijkt, verschillen partijen grondig van mening over wat er gebeurd is na het aflopen van de opleidingstermijn bepaald in de IBO overeenkomsten. De voorstellingswijze van mevrouw B. als zou de heer C. geen nieuwe arbeidsovereenkomst hebben willen aanvaarden en als zou hijzelf zich schuldig hebben gemaakt aan een houding die moet gelijkgesteld worden met een ontslag om dringende reden, kan onmogelijk worden aanvaard, omdat ze in tegenstrijd is met de door mevrouw B. ondertekende kennisgeving van het einde of de stopzetting van een individuele beroepsopleiding in een onderneming, opgesteld op briefpapier van de V.D.A.B. en waarin zij als reden opgeeft : de werkgever wil contractuele verplichting na IBO niet nakomen. De juiste omstandigheden worden verder toegelicht in twee brieven van de VDAB, waarin uitdrukkelijk vermeld wordt dat de heer C. op 8 juli 1993 ontslagen werd. Op 8 juli 1994 preciseerde de directeur van de V.D.A.B dat tijdens de periode van opleiding er zich geen enkel probleem stelde. De opleiding die oorspronkelijk voorzien was van 5 april 1993 tot 28 mei 1993 werd verlengd met een periode van één maand tot 26 juni
  8. De werkgever wenste opnieuw een verlenging tot na het jaarlijks verlof doch deze werd geweigerd. De werkgever werd op zijn verplichting gewezen om de heer C. B. in dienst te nemen. Op 9 juli heeft mevrouw B. met de heer A. S. en de heer W. D. een onderhoud gehad waarin medegedeeld werd dat er een aantal problemen waren en dat zij verklaart niet verder met de heer C. B. te willen samenwerken. Dezelfde dag in de namiddag hadden de heer A. S. en de heer W. D. ook een onderhoud met de heer C. B.. Hieruit bleek duidelijk dat de werkgever niet zinnens was om de heer C. verder in dienst te houden. Verder wordt in de brief nog uitgelegd dat het Subregionaal Tewerkstellingscomite van 15 juni 1993 besliste dat mevrouw B. omwille van deze handelwijze gedurende drie jaar niet meer toegelaten werd tot het IBOsysteem. Mevrouw B. toont niet aan dat zij deze laatste maatregel heeft aangevochten. Gelet op de verklaring van de V.D.A.B. acht het arbeidshof het dan ook bewezen dat de heer C. B. op 8 juli 1993 ontslagen werd. Betrokkene toont door middel van zijn stukken 7 ( commissieborderels, bestelbons en facturen) overigens aan dat hij na de periode van opleiding nog prestaties heeft verricht, zoals ook terecht door de eerste rechter werd vastgesteld. Na de behandeling in eerste aanleg wil mevrouw B. deze originele stukken in vraag stellen door voorlegging van een fotokopie van enkele uittreksels uit haar verkoopsdagboek, waarvan de authenticiteit niet kan worden nagegaan. Niet gehinderd door haar eigen andersluidende verklaring, noch door het objectieve relaas van de V.D.A.B., blijft mevrouw B. verwijzen naar de zogenaamde kwade trouw van de heer C. en wil ze doen geloven dat zijzelf artikel 2f van de IBOovereenkomst nauwgezet heeft nageleefd. Zij brengt geen verdere argumenten aan tegen de vordering van de heer C. in zijn eerste dagvaarding. Terecht heeft de eerste rechter, gelet op het bewezen ontslag van 8 juli 1993, aan de heer C. de gevorderde opzeggingsvergoeding van 3 maanden of euro 5.149,99 toegekend, samen met de loonachterstal, het vakantiegeld bij uitdiensttreding, de kostenvergoeding en het feestdagenloon voor 21 juli
  9. De becijfering van deze onderdelen werd niet betwist. Gelet op de beëindiging van de mondelinge arbeidsovereenkomst op 8 juli 1993 en de tegenvordering van mevrouw B., ingesteld bij besluiten van 24 februari 1995, heeft de eerste rechter deze terecht verworpen als zijnde verjaard. Bovendien had de heer C. het bedrag van euro 247,89 reeds in mindering gebracht op de door hem gevorderde onkostenvergoeding. Het hoger beroep is wat al deze onderdelen betreft ongegrond. 2.
  10. De tewerkstellingsverbintenis in de IBOovereenkomst. In artikel 2f van de IBOovereenkomst had mevrouw B. zich ertoe verbonden om onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende het beëindiging van de arbeidsovereenkomst omwille van een dringende reden geen einde te maken aan de arbeidsovereenkomst volgend op de IBOovereenkomst dan ten vroegste na verloop van 12 weken. Hierboven werd vastgesteld dat mevrouw B. op 8 juli 1993 onrechtmatig de lopende arbeidsovereenkomst beëindigde, zonder dat er enige sprake kon zijn van een dringende reden. De heer C. kan derhalve in beginsel aanspraak maken op een schadevergoeding wegens schending van deze werkzekerheidsgarantie. Anders dan in de latere modellen van IBO-overeenkomsten is in de hier onderzochte overeenkomsten geen afspraak gemaakt over een forfaitaire vergoedingswijze van deze schade. De schadevergoeding moet dus in concreto worden begroot, zoals ze zich voordoet op de datum van de uitspraak. (Cass., 1 april 1943, Pas, 1943, 122; Cass., 27 juni 1974, Pas, 1974, 1129). De rechter moet de volledige, voorzienbare en reële schade vergoeden, waarbij de schuldeiser in dezelfde toestand komt als wanneer de schade niet zou hebben plaatsgehad ( Cass., 6 februari 1975, Pas., 1975, 581; W. Rauws, noot in R.W. 1998-99, 782). Uit het cassatiearrest van 6 oktober 1997 (R.W. 1998-99, 779 met noot W. Rauws) kan afgeleid worden dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen de schadevergoeding wegens schending van een gewaarborgde vastheid van betrekking en de opzeggingsvergoeding die wordt toegekend wegens het niet naleven van de opzeggingstermijnen bepaald in de arbeidsovereenkomstenwet. Bij schending van een werkzekerheidbeding oordeelde het arbeidshof Gent in een arrest van 17 juni 2003 (NjW, 2003, 853) dat de veroorzaakte schade reeds vergoed kon zijn door de uitbetaalde opzeggingsvergoeding, omdat er juist een onderscheid moet gemaakt worden tussen de forfaitaire opzeggingsvergoeding, die het nadeel vergoedt voortvloeiend uit het verlies van de dienstbetrekking enerzijds en de civielrechtelijke schadevergoeding bij schending van een clausule van vastheid van betrekking anderzijds (vgl. Cass., 24 januari 1994, J.T.T. 1994, 140; K. RASSCHAERT, Beperking van de ontslagmacht van de werkgever door werkzekerheidsbedingen : afdwinging bij gebrek aan expliciete sanctieregeling, J.T.T. 1996, 381, meer bepaald 383; N. THOELEN, Ontslagmacht aan banden : conventionele vastheid van betrekking. Recente ontwikkelingen van bedongen werkzekerheid, J.T.T. 2006, 149). Aldus kan bij de vergoeding van de schade in concreto rekening gehouden worden met de reeds toegekende arbeidsrechtelijke vergoeding (W. RAUWS, a.w., R.W. 1998-99, 782). Door de toegekende opzeggingsvergoeding bekwam de heer C. reeds inkomenszekerheid voor een iets langere periode dan 12 weken. Hij toont niet aan welke concrete schade hij nog zou hebben geleden door het niet nakomen van de werkzekerheidsgarantie door mevrouw B.. Bij de vergoeding van schade mag de rechter er niet toe overgaan om hypothetische schade in aanmerking te nemen; de toegekende schadevergoeding moet zekere schade compenseren. ( Cass. 1 juli 1976, R.W. 1976-77, 211). Ook het oorzakelijk verband dient zeker te zijn en ook op dit punt mag de rechter zich niet verlaten op louter hypothetische situaties, die toegevoegd worden aan de situatie waarin de fout niet zou zijn begaan. ( Cass., 18 december 2008, C.
  11. F., www.juridat.be; Cass., 25 maart 1997, Arr.Cass. 1997, 161 met conclusie adv-gen. De Riemaecker; Cass., 19 december 2007, Arr. Cass. 2007, 645). De heer C. kan er dan ook niet vanuit gaan dat hij bij het naleven van de werkzekerheidsgarantie niet voor 26 september 1993 kon ontslagen worden dan met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding, daar een arbeidsovereenkomst op verschillende tijdstippen, op verschillende wijzen en om verschillende redenen kan beëindigd worden. Ten onrechte beschouwt hij dan ook het derven van nogmaals een opzeggingsvergoeding op 26 september 1993 als een zekere schadepost, die in causaal verband staat met het niet nakomen van de werkzekerheidsgarantie. Hij bewijst dan ook niet dat er ongeacht de schade die gedekt wordt door de toegekende opzeggingsvergoeding, nog een zekere schade is, gelijk aan het loon van de werkzekerheidstermijn. In de gegeven omstandigheden is bij gebrek aan bewezen schade dit deel van zijn vordering ongegrond en het hoger beroep is op dit punt gegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het appellante veroordeelt tot het betalen aan geïntimeerde van een gemeenrechterlijke schadevergoeding van euro 4.073,09 en verklaart dit onderdeel van de vordering van de heer C. ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis voor al het overige. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van de heer C. begroot op nihil en voor zover als nodig aan haar zijde begroot op euro 291,
  12. Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw S. ALAERTS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer H. ENGELEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS, S. ALAERTS. H. ENGELEN. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 8 mei 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090508.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.