← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090514.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090514.13 Rolnummer: 48.583 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-08-12 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 19:46 Fiche Volgens de administratieve richtlijnen van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen dient voor de bepaling van het inkomen van een bepaald jaar rekening gehouden te worden met het dubbel vakantiegeld dat in de loop van de maand mei of juni van het volgend jaar wordt uitbetaald. Een werknemer kan niet zelf vooraf berekenen op hoeveel (dubbel) vakantiegeld hij aanspraak kan maken in de loop van het daaropvolgend jaar. De pensioengerechtigde dient de verklaring betreffende de wijziging van zijn inkomen dan ook slechts te doen van zodra hij volledige informatie heen bekomen over zijn inkomen d.i; wanneer hij betaling zal ontvangen hebben van het vakantiegeld met betrekking tot het vakantiedienstjaar. Door slechts in de loop van de maand juni volgend op het beschouwde kalenderjaar het formulier toe te sturen waarop de inkomsten van dat kalenderjaar dienen te worden medegedeeld, heeft de Rijksdienst bovendien het gerechtvaardigde vertrouwen opgewekt dat een nieuwe aangifte van inkomsten slechts diende ingediend te worden in de loop van de maand juni waarin de pensioengerechtigde het formulier ontvangt (onder voorbehoud van een wijziging van de omvang van de tewerkstelling of een wijziging van de functie en de overeengekomen beloning). De Rijksdienst beroept zich dan ook ten onrechte op de vijfjarige verjaring (impliciet) Noot: Artikel 21, § 3 van de wet van 13 juni 1966 werd gewijzigd door de wet van 27 december 2005 met als datum van inwerkingtreding 1 januari

  1. Thans is voorzien dat de verjaringstermijn in geval van overschrijding van de vastgestelde grensbedragen slechts begint te lopen vanaf de eerste juni van het kalenderjaar dat volgt op dat waarin de overschrijding heen plaats gevonden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Overlevingspensioen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOENEN - Hervatting van toegelaten arbeid door een persoon die in het genot is van een overlevingspensioen - Overschrijding van het toegelaten grensbedrag - Aangifte in geval van wijziging van de beroepsbezigheid of van de inkomsten die er uit voortvloeien - Terugvordering - Verjaring. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 50 - 24-10-1967 - 34 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Wet - 13-06-1966 - 21,§3,1° - 01 ELI link Pub nr 1966061302 Nota: Gerangschikt onder VII. E. I. art. 34 (Wet van 13/06/1966, art. 21 § 3, 1°). Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN MEI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. 580, 2°, Ger. W. pensioenen tegenspraak definitief In de zaak : D.M. , wonende te [xxx], appellant, die ter openbare terechtzitting wordt vertegewoordigd door meester B. Oversteyns loco meester J. De Brabanter, advocaat te Asse, tegen : RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Zuidertoren, geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester V. Stroobants loco meester B. Biesemans, advocaat te Brussel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het op tegenspraak gewezen vonnis van de twintigste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel, uitgesproken op 28 maart 2006 en ter kennis gebracht van de partijen bij gerechtsbrief van 7 april 2006 overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W.; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 4 mei 2006; -de voorgelegde stukken; -de conclusies voor beide partijen; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 26 maart 2009, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 1 april 2009 zijn advies ter griffie neergelegd. Partijen konden tot 16 april 2009 een repliek op dat advies ter griffie neerleggen, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
  2. Mevrouw D.M. ontving tot 9 augustus 1993 een overlevingspensioen. Zij hervatte echter een deeltijdse arbeid (of zette een vroeger uitgevoerde arbeid verder) waarvan zij aangifte deed bij de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen. Zij ondertekende daarbij een verklaring dat zij haar inkomsten zou beperken tot de wettelijk vastgestelde grenzen, waarbinnen het overlevingspensioen kon gecumuleerd worden met een inkomen uit arbeid. Jaarlijks deed zij bij de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen aangifte van haar inkomen van het voorbije jaar, door middel van de door de Rijksdienst voor Pensioenen voorziene formulieren en op het ogenblik dat deze haar ter beschikking werden gesteld. Vanaf het jaar 2002 was er een stijging in het inkomen van mevrouw D.M., te wijten aan het feit dat zij nachtdiensten diende te presteren, waaraan een verschillende vergoeding beantwoordde, en aan de toepassing van een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst. Bij beslissing van 21 april 2004 werd het overlevingspensioen van mevrouw D.M. voor het jaar 2002 daarom verminderd met 8 %, gelet op het feit dat zij de toegelaten inkomensgrens wel overschreed, maar met minder dan 15 %. Voor het jaar 2003 overschreed het inkomen van mevrouw D.M. opnieuw de toegelaten grens maar ditmaal met meer dan 15 %. Bij beslissing van 3 mei 2005 werd het overlevingspensioen van mevrouw D.M. geschorst vanaf 1 januari 2003 en werd beslist het betaalde pensioen terug te vorderen ten belope van een bedrag van 24.331,94 euro . Daarbij werd toepassing gemaakt van de verjaringstermijn van vijf jaar omdat mevrouw D.M. zou nagelaten hebben tijdig een wijziging in haar situatie aan de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen ter kennis gebracht te hebben.
  3. Bij verzoekschrift van 20 juni 2005 heeft mevrouw D.M. bij de arbeidsrechtbank te Brussel beroep aangetekend tegen de administratieve beslissing van 3 mei
  4. Bij vonnis van 28 maart 2006, ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 4 april 2006 (aangeboden op de woonplaats van mevrouw D.M. op 7 april 2006), heeft de arbeidsrechtbank te Brussel dit beroep als ongegrond afgewezen.
  5. Bij verzoekschrift van 4 mei 2006 heeft mevrouw D.M. hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis en is aldus tijdig en ontvankelijk. III. BEOORDELING.
  6. Mevrouw D.M. voert, zoals voor de eerste rechter, aan dat de terugvordering van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen verjaard is in toepassing van art. 21 § 3, 1e lid van de wet van 13 juni 1966, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, dat voorziet in een verjaringstermijn van 6 maanden, te rekenen vanaf het ogenblik van de onverschuldigde uitbetaling. Mevrouw D.M. stelt dat de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen, en de eerste rechter, ten onrechte toepassing gemaakt hebben van de regel opgenomen in artikel 21 §3, 3 lid van de wet van 13 juli 1966 waarbij de verjaringstermijn op vijf jaar wordt gebracht, hetzij wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen, hetzij wanneer de onverschuldigde betaling te wijten is aan het "niet afleggen door de schuldenaar van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of een verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis". Volgens de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen is de vijfjarige verjaring van toepassing omdat mevrouw D.M. er zich op 9 augustus 1993 toe verbonden had om telkens een nieuwe aangifte te doen in geval van de wijziging van haar beroepsbezigheid of van de inkomsten die hieruit voortvloeien.
  7. Er wordt niet aangevoerd dat mevrouw D.M. in de loop van het jaar 2003 haar beroepsbezigheid gewijzigd heeft, in die zin dat zij een andere betrekking aanvaard heeft of meer uren zou zijn gaan presteren dan oorspronkelijk voorzien waren. De omstandigheid dat het beroepsinkomen van mevrouw D.M. in het jaar 2003 het toegelaten maximum overschreed was alleen te wijten aan het feit dat zij vanaf dat jaar nachtprestaties diende te verrichten die hoger betaald werden en dat er een loonsverhoging was, ingevolge een nieuwe toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst. De vraag die aan de orde is dus te weten of mevrouw D.M. zich ergens in de loop van het jaar 2003 diende te realiseren dat haar inkomsten voor dat jaar de toegelaten grens zouden overschrijden, en dat zij derhalve een nieuwe verklaring diende te doen aan de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen.
  8. Uit de verklaring afgelegd door de werkgever in de loop van de maand juni 2004 blijkt dat het bruto maandloon van mevrouw D.M. in de loop van het jaar 2003 erg variabel was en schommelde tussen een bedrag van 1.408,30 euro in de loop van de maand januari (en bijvoorbeeld ook 1.480, 50 euro in de loop van de maand september) tot een maximumbedrag van 1.753,75 euro in de loop van de maand december. Deze variatie maakte het op zich voor mevrouw D.M. reeds moeilijk om te voorspellen in de loop van het jaar hoeveel haar inkomen op jaarbasis zou zijn. Deze voorspelling was des te moeilijker, zo niet onmogelijk, omwille van het feit dat, volgens de administratieve richtlijnen van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen, voor de bepaling van het inkomen van een bepaald jaar dient rekening gehouden te worden met het dubbel vakantiegeld, dat in de loop van de maand mei of juni van het volgend jaar wordt uitbetaald. De werknemer kan niet zelf berekenen op hoeveel (dubbel) vakantiegeld hij aanspraak kan maken in het daaropvolgend jaar. Niet alleen moet voor de vaststelling van dit dubbel vakantiegeld rekening gehouden worden met een gemiddelde van de premies, maar bovendien en vooral is de basis voor de berekening van het dubbel vakantiegeld principieel niet de wedde van het dienstjaar, maar het loon dat de werknemer geniet op het ogenblik dat hij zijn vakantie opneemt (art. 38, 2° van het Koninklijk Besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers). Dit bedrag is hem dus zeker niet bekend is in de loop van het kalenderjaar waarin hij volgens de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen aangifte had dienen te doen van een wijziging in zijn inkomen. De wettelijke basis van de praktijk van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen om voor de berekening van het beroepsinkomen van een bepaald jaar rekening te houden met het vakantiegeld, uitbetaald in het daaropvolgend jaar, is om die reden betwistbaar. Zij is dit ook in het licht van de bepalingen van art. 64 van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967, die steeds spreken over het inkomen van het kalenderjaar, zoals uiteengezet wordt in het advies van de heer advocaat-generaal en zoals verder vastgesteld wordt in een arrest van 4 december 2008 van de 8e kamer van dit hof, JTT 2009,
  9. Om die reden kan niet worden geoordeeld dat, in de omstandigheden van de zaak (waarin er geen wijziging geweest is van de omvang van de tewerkstelling of van een wijziging van de betrekking of de functie), mevrouw D.M. reeds in de loop van het jaar 2003 de verplichting had om aan de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen een verklaring te doen betreffende een wijziging van haar inkomen. Zij diende die verklaring pas te doen van zodra zij een volledige informatie had over haar inkomen.
  10. Verder dient vastgesteld te worden dat de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen, door slechts in de loop van de maand juni volgend op het kalenderjaar aan mevrouw D.M., het formulier toe te sturen waarop de inkomsten voor het kalenderjaar dienden te worden medegedeeld, bij deze het gerechtvaardigde vertrouwen opwekt heeft dat een nieuwe aangifte van inkomsten slechts diende ingediend te worden in de loop van de maand juni, maand waarin zij het formulier terzake ontving (steeds onder voorbehoud van een wijziging van de omvang van de tewerkstelling of een wijziging van de functie en de overeengekomen beloning).
  11. De vaststelling van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen dat, indien men de verjaring van zes maanden toepast, deze reeds zou verkregen zijn op het ogenblik dat de betrokkene zijn aangifte doet in de loop van de maand juni, volgend op het kalenderjaar, is slechts een noodzakelijk gevolg van de beslissing van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen om voor de vaststelling van de inkomsten van het kalenderjaar rekening te houden met het dubbel vakantiegeld, betaald in het daaropvolgend jaar en daarom het formulier, waarop de pensioengerechtigde zijn inkomsten moet verklaren, slechts zes maanden na het verstrijken van het kalenderjaar toe te sturen.
  12. Ten onrechte roept de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen, in zijn besluiten na advies van het openbaar ministerie, in dat zelfs indien de verjaringstermijn van zes maanden van toepassing was, deze pas kon beginnen lopen op het ogenblik van de kennisgeving van de inkomsten. In de regel is het vertrekpunt van de verjaringstermijn voor de terugvordering van een onverschuldigd betaalde som, de datum van de onverschuldigde betaling. Dit geldt met name ook voor de onverschuldigd betaalde sociale zekerheidsbijdragen (Cass. 18.01.1982, Arr.Cass. 1981-1982, 621). De omstandigheid dat de degene die een onverschuldigde betaling deed daar slechts later kennis van kreeg, doet aan deze regel geen afbreuk. Artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek vindt op huidige betwisting geen toepassing: de vordering van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen was niet afhankelijk van de voorwaarde in de zin van deze betaling. Overigens heeft de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen meer dan zes maanden laten verstrijken tussen het ogenblik van de verklaring van de inkomsten op 29 juni 2004 en de beslissing tot terugvordering op 3 mei 2005, zodat de verjaring ook zou ingetreden zijn indien zij pas begon te lopen op 29 juni
  13. Ten onrechte ook verwijst de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen naar het Koninklijk Besluit van 31 mei 1993 dat bepaalt dat iedereen die weet of moest weten dat hij geen recht meer had op het gehele bedrag van een subsidie, vergoeding of toelage van de staat, verplicht is zulks te verklaren. Mevrouw D.M. heeft de verklaring over haar inkomsten gedaan op het ogenblik dat zij dit met kennis van zaken kon doen volgens de instructies van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen, dit wil zeggen op het ogenblik dat het bedrag van het dubbel vakantiegeld bekend was.
  14. Aan de voorwaarden om toepassing te maken van de 5 jarige beroepstermijn was derhalve niet voldaan zodat het hoger beroep gegrond is. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF HET ARBEIDSHOF Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel
  15. Rechtsprekend op tegenspraak. Gelet op het eensluidend geschreven advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzend, Vernietigt de bestreden beslissing van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen van 3 mei 2005 waarbij het recht op pensioen van mevrouw D.M. geschorst wordt vanaf 1 januari 2003 en de terugvordering wordt opgelegd van de onverschuldigde betaalde pensioenen. Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen, in hoofde van mevrouw D.M. begroot op 218,64 euro als rechtsplegingsvergoeding voor de procedure voor de arbeidsrechtbank en op 291,50 euro als rechtsplegingsvergoeding voor de procedure voor het arbeidshof. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; J.-M. Boulogne, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; H. Silon, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven H. Silon J.-M. Boulogne en uitgesproken op de openbare terechtzitting van veertien mei tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090514.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.